Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BP0094

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
07-01-2011
Zaaknummer
AWB 08/736, 08/737 en 08/738 LEGGW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU3814, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 229b Gemeentewet. Algemene rechtsbeginselen. Willekeurverbod. Toetsing van legestarieven aan de opbrengstlimiet en de algemene rechtsbeginselen.

Eiseres heeft op 15 en 16 december 2005 bouwvergunningen voor drie bouwprojecten bij de gemeente Leidschendam-Voorburg aangevraagd. Verweerder heeft van eiseres voor het in behandeling nemen van deze aanvragen leges gevorderd. In geschil is of de gevorderde bedragen moeten worden vernietigd.

De rechtbank overweegt:

Art. 229b Gemeentewet stelt aan verordeningen als de onderhavige de eis dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (hierna: de opbrengstlimiet). Voor beperking van de toetsing aan de opbrengstlimiet tot de legestarieven die in een bepaald hoofdstuk of een bepaalde regel van de Tarieventabel zijn opgenomen, is geen steun te vinden in genoemd art. 229b, noch in enige ander wettelijke bepaling. Dat dit laatste na de inwerkingtreding van de Wabo op 1 oktober 2010 (mogelijk) anders is, is voor de beoordeling van dit niet van betekenis omdat de legestarieven voor het jaar 2005 niet aan de (ruimschoots) na afloop van het jaar 2005 in werking getreden Wabo behoeven te voldoen.

Bij de beantwoording van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, neemt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, 07/12961, LJN:BI1968, tot leidraad. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder inzicht in de geraamde baten en “lasten terzake” verschaft door de overlegging van een op de primitieve begroting van de gemeente voor het jaar 2005 gebaseerd overzicht van de gemeentelijke uitgaven en inkomsten ter zake van de in de Verordening genoemde diensten (hierna: het overzicht). Volgens het overzicht zijn de begrote uitgaven ter zake van de in de Verordening genoemde diensten belangrijk hoger dan de ter zake van deze diensten begrote inkomsten en overtreffen ook voor de “beschikkingen bouwen” de begrote uitgaven en de begrote inkomsten ruimschoots.

Kennelijk is eiseres de opvatting toegedaan dat indirecte kosten niet door middel van legesheffing in rekening kunnen worden gebracht aan degenen die het genot van de verleende diensten hebben. Deze opvatting vindt geen steun in de wet en de jurisprudentie. Daaruit volgt dat alle (directe of indirecte) kosten die meer dan zijdelings verband houden met de diensten ter zake waarvan leges worden geheven, in de ramingen van de “lasten ter zake” kunnen worden betrokken. Daarbij dient ervan te worden uitgegaan dat kostenposten slechts dan niet (geheel of ten dele) als door middel van legesheffing te verhalen kosten kunnen worden aangemerkt, indien zij geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor 90% of meer, andere doeleinden dienen. Gelet op het een en ander dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over de indirecte kosten van de in de legesheffing betrokken diensten te verstrekken die – indien mogelijk – buiten twijfel stellen dat de door eiseres genoemde indirecte kosten voor 10% of meer worden gemaakt ten behoeve van de verlening van met leges belaste diensten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overzicht en de daarop door hem gegeven toelichting deze nadere inlichtingen verstrekt. Voorzover eiseres stelt dat de in de door verweerder verstrekt informatie begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn draagt zij de bewijslast van deze telling. Hierin slaagt eiseres niet. . Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiseres ter weerlegging van het overzicht en Anders dan eiseres kennelijk meent is de wijze waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten ter zake van de diensten niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten de geraamde lasten overtreffen. Dat in het overzicht een aantal hoofdstukken van de Tarieventabel buiten beschouwing is gelaten, brengt niet mee dat verweerder in onvoldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van baten en lasten ter zake van de diensten, noch dat de geraamde baten de geraamde lasten terzake hebben overschreden.

De rechtbank onderschrijft de stelling van eiseres dat de gemeente , om de toetsing van haar legesheffing aan de algemene rechtsbeginselen – waartoe de rechtbank ook het willekeurverbod van rekent – mogelijk te maken, op controleerbare wijze dient vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen in de Verordening beoogt te dekken. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar stelling dat een dergelijke vastlegging ontbreekt. De door de rechtbank gewogen en afdoende bevonden vastlegging van de wijze waarop en de mate waarin de gemeente de geraamde kosten van de in de Tarieventabel opgenomen diensten door legesheffing beoogt te dekken, biedt naar het oordeel van de rechtbank geen steun aan de stelling van eiseres dat de legestarieven in strijd zijn met de algemene rechtbeginselen, waaronder het willekeurverbod. Ook de overigens door eiseres aangevoerde feiten kunnen deze stelling niet dragen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat aan de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) bij de vaststelling van (de hoogte en de differentiatie) van de legestarieven een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. De raad is deze ruime beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan. Volgt ongegrondverklaring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/176 met annotatie van Redactie
FutD 2011-0084
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 4, meervoudige kamer

Procedurenummers: AWB 08/736, 08/737 en 08/738 LEGGW

Uitspraakdatum: 30 november 2010

Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in de gedingen tussen

[X], gevestigd te [Z], eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Leidschendam-Voorburg, verweerder.

I PROCESVERLOOP

1.1 Verweerder heeft van eiseres leges gevorderd tot een bedrag van € 108.632,73

"in verband met de aanvraag van een vergunning voor het oprichten van 25 huurwoningen en 32 koopwoningen (appartementencomplex) en ondergrondse parkeergarage Frekeweg 8 te L'dam". De schriftelijke kennisgeving van het gevorderde bedrag met het opschrift "aanslagbiljet" is gedagtekend 31 juli 2006 en genummerd [nummer 1].

1.2 Verweerder heeft van eiseres leges gevorderd tot een bedrag van € 79.477,73

"in verband met de aanvraag van een vergunning voor het oprichten van 39 woningen (appartementencomplex) en een halfverdiepte garage Frekeweg 10 A te Leidschendam".

De schriftelijke kennisgeving van het gevorderde bedrag met het opschrift "aanslagbiljet" is gedagtekend 31 juli 2006 en genummerd [nummer 2].

1.3 Eiseres heeft tegen de onder 1.1 en 1.2 vermelde gevorderde bedragen bezwaar gemaakt bij brief van 11 augustus 2006, ingekomen bij verweerder op 14 augustus 2006.

1.4 Verweerder heeft van eiseres leges gevorderd tot een bedrag van € 124.077,19

"in verband met de aanvraag van een vergunning voor het gedeeltelijk veranderen (revitaliseren) van 120 woningen (complex 1018) Dormaellaan 1-49, Mgr. van Steelaan 286-298/378 en Pr. Beatrixlaan 182/260 te V'brg". De schriftelijke kennisgeving van het gevorderde bedrag met het opschrift "aanslagbiljet" is gedagtekend 31 oktober 2006 en genummerd 93.2006.242.29.

1.5 Eiseres heeft tegen het onder 1.4 vermelde gevorderde bedrag bezwaar gemaakt bij brief van 20 november 2006, ingekomen bij verweerder op 21 november 2006.

1.6 Verweerder heeft bij in één geschrift, gedagtekend 31 december 2007, vervatte uitspraken op bezwaar, beslist op de onder 1.3 en 1.5 genoemde bezwaren. Daarbij heeft hij de gevorderde bedragen van € 108.632,73 en € 79.477,73 gehandhaafd en het gevorderde bedrag van € 124.077,19 verminderd tot € 74.171,02.

1.7 Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar bij brief van 29 januari 2008, ontvangen bij de rechtbank op 30 januari 2008, beroep ingesteld. Bij brief van 14 februari 2008 heeft eiseres de gronden van de beroepen ingediend.

1.8 Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.9 Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.

1.10 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2008 te 's-Gravenhage. Namens eiseres zijn daar verschenen [A] en [B], werkzaam bij Ernst & Young Belastingadviseurs te Groningen. Namens verweerder zijn verschenen [C], [D] en [E].

1.11 Partijen hebben ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan elkaar. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij de pleitnota van eiseres behorende bijlagen.

1.12 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen de rechtbank nadere informatie te doen toekomen. Verweerder heeft bij brief met bijlagen van 11 november 2008 nadere stukken aan de rechtbank gezonden. Eiseres heeft daarop bij brief met bijlagen van 4 december 2008 gereageerd.

1.13 De behandeling van het onderzoek ter zitting is voortgezet op 18 februari 2009. Namens eiseres zijn verschenen [A] en [B]. Namens verweerder zijn verschenen [C], [D] en [E].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan eiseres.

II OVERWEGINGEN

Feiten

Op grond van de stukken van de gedingen en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast.

2.1 Eiseres is op 16 oktober 1919 opgericht. In het handelsregister van de Kamers van Koophandel is als bedrijfsomschrijving van eiseres opgenomen: "Stichting en exploitatie van woningen".

2.2 Eiseres heeft op 15 en 16 december 2005 bouwvergunningen voor de onder 1.1, 1.2 en 1.4 genoemde bouwprojecten bij de gemeente Leidschendam-Voorburg aangevraagd.

Verordening

2.3 In zijn openbare vergadering van 2 november 2004 heeft de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg de 'Verordening op de heffing en de invordering van leges 2005' (hierna: de Verordening), alsmede de daarbij behorende Tarieventabel (hierna: de Tarieventabel) vastgesteld.

2.4 De Verordening bevat onder meer de volgende bepalingen:

"Artikel 2 - Belastbaar feit

Onder de naam 'leges' worden rechten geheven ter zake van het genot van of door het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

Artikel 3 - Belastingplicht

Belastingplichtig is de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend.

(•••)

Artikel 5 - Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

2. (•••)

Artikel 6 - Wijze van heffing

De leges worden geheven bij wege van een mondelinge dan wel een gedagtekende schriftelijke kennisgeving, waaronder mede wordt begrepen een stempelafdruk, zegel, nota of andere schriftuur.

(•••)

Artikel 11 - Inwerkingtreding en citeertitel

1. (•••)

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2005

4. (•••)".

2.5 De Tarieventabel bevat onder meer de volgende bepalingen:

"5.3 Bouwvergunningaanvragen

Het tarief bedraagt terzake van het in behandeling nemen van:

(•••)

5.3.2 Reguliere bouwvergunning

een aanvraag tot het verkrijgen van ene reguliere bouwvergunning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel p, van de woningwet:

1,75 % van de bouwkosten tot € 25.000,00, vermeerderd met

1,50 % van de bouwkosten tot € 500.000,00, vermeerderd met

1,25 % van de bouwkosten boven € 500.000,00

met een minimum van € 100,00.

(•••)".

Geschil

2.6 In geschil is of de gevorderde bedragen moeten worden vernietigd.

2.7 Eiseres beantwoordt deze vraag bevestigend en voert daartoe - kort en zakelijk samengevat - het volgende aan.

Verweerder heeft gesteld dat de gevorderde bedragen zijn gebaseerd op de voor het jaar 2006 geldende legesverordening. Omdat de aanvragen van de bouwvergunningen in 2005 zijn ingediend en in behandeling genomen, had verweerder de leges moeten heffen op grond van de maatstaven en de tarieven van de (voor het jaar 2005) geldende Verordening.

De tariefstelling in (de Tarieventabel bij) de Verordening is onverbindend. De in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet (hierna ook: de opbrengstlimiet) bedoelde geraamde baten hebben de in die bepaling bedoelde geraamde "lasten ter zake" overschreden. Verweerder moet inzicht verschaffen in de desbetreffende ramingen. Dit heeft hij in onvoldoende mate gedaan. Dit is te meer onbegrijpelijk nu artikel 212 van de Gemeentewet de raad van de gemeente verplicht bij verordening te waarborgen dat (onder meer) legestarieven en de verhouding tussen deze tarieven en de daarmee bekostigde uitgaven inzichtelijk zijn.

Eiseres trekt met betrekking tot verschillende kostenposten in twijfel dat deze kunnen worden aangemerkt als "lasten ter zake" in de zin van de opbrengstlimiet. Verweerder heeft in het door hem (uiteindelijk) verstrekte overzicht van begrote kosten en inkomsten niet slechts directe kosten (zoals loonkosten, kapitaalslasten, materiële kosten en kosten van de eerste controle na vergunningverlening), maar ook indirecte kosten, in het bijzonder kosten van beleidsvoorbereiding, handhaving, toezicht, controles (andere dan de eerste controle na vergunningverlening) en inspraak-, bezwaar- en beroepsprocedures (andere dan de eerste controle), tot de "lasten ter zake" gerekend. Voorts ontbreken in dit overzicht de begrote kosten en inkomsten van een aantal hoofdstukken van de Tarieventabel. Gelet op deze door eiseres geuite, concrete bedenkingen diende verweerder over de genoemde posten nadere inlichtingen te verstrekken, teneinde deze bedenkingen van eiseres weg te nemen. Ook dit heeft verweerder in onvoldoende mate gedaan. De door verweerder in de loop van de procedure verstrekte gegevens zijn, gezien ook het doel waarvoor zij zijn verstrekt, onjuist in die zin dat zij onvolledig en onvoldoende gespecificeerd zijn. Naar de opvatting van eiseres brengt het vorenstaande mee dat de door eiseres genoemde posten niet kunnen worden aangemerkt als "lasten ter zake" zodat de opbrengstlimiet substantieel is overschreden.

Om de toetsing van de legesheffing van de gemeente Leidschendam-Voorburg aan de algemene rechtsbeginselen mogelijk te maken, dient de gemeente op controleerbare wijze vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen in de Verordening beoogt te dekken. Een dergelijke vastlegging ontbreekt. Ook dit is voldoende reden om de tariefstelling in (de Tarieventabel bij) de Verordening onverbindend te oordelen.

Ten slotte dienen de in de Tarieventabel opgenomen tarieven onverbindend te worden verklaard omdat zij in strijd zijn met het verbod van willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid van de gemeente om leges te heffen niet op het oog kan hebben gehad (hierna: het willekeurverbod). Kosten die geen enkele relatie hebben met het verstrekken van bouwvergunningen, worden toch aan aanvragers van bouwvergunningen in rekening gebracht. Voor nagenoeg alle in de legesheffing betrokken gemeentelijke diensten geldt dat de opbrengst van de legesheffing substantieel lager is dan de kosten die de gemeente in verband met deze diensten maakt. Voor de bouwleges daarentegen geldt het tegenovergestelde. Het een en ander leidt tot een kruissubsidiëring van zodanige omvang dat de wetgever deze bij het toekennen van de bevoegdheid om leges te heffen onmogelijk kan hebben willen toestaan, zodat de in de Tarieventabel opgenomen legestarieven in strijd met zijn met het willekeurverbod. Voorts is de tariefstelling zodanig dat bij bouwprojecten met relatief hoge bouwkosten elk redelijk verband tussen de gevorderde bedragen en de kosten van de dienstverlening ontbreekt. De tariefstelling is niet, althans onvoldoende, degressief; ook kent de tariefstelling geen plafond. Deze gebreken in de tariefstelling leiden eveneens tot de conclusie dat sprake is van schending van het willekeurverbod.

Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen alsmede vernietiging van de uitspraken op bezwaar en van de gevorderde bedragen.

2.8 Verweerder beantwoordt de in geschil zijnde vraag ontkennend. Hij voert daartoe

- kort en zakelijk samengevat - het volgende aan.

De gevorderde bedragen zijn gebaseerd op de voor het jaar 2005 geldende legesverordening. De opbrengstlimiet is niet overschreden. Dit blijkt uit het na de zitting van 1 oktober 2008 op verzoek van de rechtbank door verweerder overgelegde overzicht van de gemeentelijke uitgaven en inkomsten ter zake van de in de Verordening genoemde diensten (hierna: het overzicht). Volgens het overzicht, dat is gebaseerd op de primitieve begroting van de gemeente voor het jaar 2005, bedragen de begrote uitgaven ter zake van de in de Verordening genoemde diensten in totaal € 6.925.071 en de ter zake van deze diensten begrote inkomsten in totaal € 1.659.820. Met betrekking tot de "beschikkingen bouwen" vermeldt het overzicht € 1.633.201 begrote uitgaven en € 443.000 begrote inkomsten.

Het overzicht bevat voldoende controleerbare informatie om toetsing van de legesheffing van de gemeente Leidschendam-Voorburg aan de algemene rechtsbeginselen mogelijk te maken. De legesheffing van de gemeente Leidschendam-Voorburg voldoet aan deze beginselen. Voorts is de legesheffing willekeurig noch onredelijk.

Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.

Beoordeling van het geschil

Toepasselijke verordening

2.9 Verweerder heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling van de beroepen gesteld dat hij de gevorderde bedragen heeft berekend met inachtneming van de (voor het jaar 2005 geldende) Verordening en Tarieventabel. Deze stelling is met de tekst van de Verordening in overeenstemming. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de vermelding in de uitspraken op bezwaar van de Legesverordening 2006 als basis van de gevorderde bedragen een vergissing is. Omdat eiseres door deze vergissing niet in haar processuele positie is geschaad noch anderszins is benadeeld, verbindt de rechtbank daaraan geen gevolgen.

Toepassing opbrengstlimiet

2.10 Artikel 229b van de Gemeentewet stelt aan verordeningen als de onderhavige de eis dat de tarieven zodanig worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (hierna: de opbrengstlimiet). Daartoe dient te worden beoordeeld of de kostendekking van de gehele verordening niet boven de 100% uitgaat (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 61). Voor beperking van de toetsing aan de opbrengstlimiet tot de legestarieven die in een bepaald hoofdstuk of een bepaalde regel van de Tarieventabel zijn opgenomen, is geen steun te vinden in artikel 229b van de Gemeentewet, noch in enige andere wettelijke bepaling. Dat dit laatste na de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 (mogelijk) anders is, is voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet van betekenis omdat de legestarieven voor het jaar 2005 niet aan de (ruimschoots) na afloop van het jaar 2005 in werking getreden Wabo behoeven te voldoen.

2.11Bij de beantwoording van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, neemt de rechtbank het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2009, 07/12961, LJN: BI1968, tot leidraad. Derhalve stelt de rechtbank voorop dat een geschil over, kort gezegd, limietoverschrijding procesrechtelijk hierdoor wordt gekenmerkt dat niet de belanghebbende die het geschilpunt opwerpt, maar de heffingsambtenaar de partij is die beschikt over de gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van dat geschilpunt. Die omstandigheid leidt tot de hierna te omschrijven (verzwaarde) eisen aan de motivering die verweerder geeft voor zijn betwisting dat de limiet is overschreden.

2.12 Omdat eiseres aan de orde stelt of de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in die bepaling bedoelde geraamde "lasten ter zake" hebben overschreden, dient verweerder inzicht te verschaffen in de desbetreffende ramingen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit inzicht verschaft door de overlegging van een op de primitieve begroting van de gemeente Leidschendam-Voorburg voor het jaar 2005 gebaseerd overzicht van de gemeentelijke uitgaven en inkomsten ter zake van de in de Verordening genoemde diensten (hierna: het overzicht). Volgens het overzicht bedragen de begrote uitgaven ter zake van de in de Verordening genoemde diensten in totaal € 6.925.071 en de ter zake van deze diensten begrote inkomsten in totaal € 1.659.820. Met betrekking tot de "beschikkingen bouwen" vermeldt het overzicht € 1.633.201 aan begrote uitgaven en € 443.000 aan begrote inkomsten.

2.13 Eiseres trekt met betrekking tot verschillende uitgavenposten in twijfel dat zij kunnen worden aangemerkt als "lasten ter zake" in de zin van de opbrengstlimiet. De twijfel betreft met name:

- met betrekking tot alle hoofdstukken van de Tarieventabel: de indirecte kosten, in het bijzonder kosten van beleidsvoorbereiding, handhaving, toezicht, controles (andere dan de eerste controle na vergunningverlening) en inspraak-, bezwaar- en beroepsprocedures (andere dan de eerste controle);

- kostenposten betreffende de in de hoofdstukken 1 (Algemeen), 2 (Bestuurszaken), 6 (Gemeentearchief), 7 (Kiezersregister) en 8 (Kadaster) van de Tarieventabel opgenomen dienstverleningen, omdat verweerder met betrekking tot deze hoofdstukken geen ramingen in het overzicht heeft opgenomen.

2.14 Kennelijk is eiseres de opvatting toegedaan dat indirecte kosten niet door middel van legesheffing in rekening kunnen worden gebracht aan degenen die het genot van de verleende diensten hebben. Deze opvatting vindt geen steun in de wet en de jurisprudentie. Uit onder meer HR 31 maart 1999, nr. 33 427, BNB 1999/221, HR 2 december 2005, nr. 39 275, BNB 2006/67, HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, BNB 2010/234 en HR 4 juni 2010, nr. 08/00314, BNB 2010/235, volgt dat alle (directe of indirecte) kosten die meer dan zijdelings verband houden met de diensten ter zake waarvan leges worden geheven, in de ramingen van de "lasten ter zake" kunnen worden betrokken. Daarbij dient ervan te worden uitgegaan dat kostenposten slechts dan niet (geheel of ten dele) als door middel van legesheffing te verhalen kosten kunnen worden aangemerkt, indien zij geheel of nagenoeg geheel, dat wil zeggen voor 90% of meer, andere doeleinden dienen (vergelijk HR 4 juni 2010, nr. 08/00313, BNB 2010/234). Gelet op het een en ander dient de heffingsambtenaar nadere inlichtingen over de indirecte kosten van de in de legesheffing betrokken diensten te verstrekken die - indien mogelijk - buiten twijfel stellen dat de door eiseres genoemde indirecte kosten voor 10% of meer worden gemaakt ten behoeve van de verlening van met leges belaste diensten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met het overzicht en de daarop door hem gegeven toelichting deze nadere inlichtingen verstrekt. Anders dan eiseres meent, verplicht artikel 212 van de Gemeentewet verweerder niet tot een verdergaande uitwerking of detaillering van de ramingen ten behoeve van de toetsing van de tarieven aan de opbrengstlimiet.

2.15 Voor zover eiseres stelt dat de in de door verweerder verstrekte informatie begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn draagt eiser, tegenover de gemotiveerde betwisting van deze stelling door verweerder, de bewijslast daarvan. Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen eiseres ter weerlegging van het overzicht en de daarop gegeven toelichting heeft aangevoerd, niet, althans onvoldoende, toegespitst op door haar in twijfel getrokken, in het overzicht opgenomen kostenposten met een voor de toepassing van de opbrengstlimiet relevante omvang, zodat eiseres daarmee niet aannemelijk maakt dat de in de door verweerder verstrekte informatie begrepen feitelijke gegevens onjuist zijn.

2.16 Eiseres stelt dat, omdat in het overzicht de hoofdstukken 1 (Algemeen), 2 (Bestuurszaken), 6 (Gemeentearchief), 7 (Kiezersregister) en 8 (Kadaster) van de Tarieventabel ontbreken, het overzicht geen volledig inzicht geeft in de ramingen van de baten van de legesheffing en de lasten ter zake. Deze stelling kan, wat er overigens van zij, naar het oordeel van de rechtbank de conclusie dat de opbrengstlimiet is overschreden niet dragen. Hierbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

2.17 Anders dan eiseres kennelijk meent is de wijze waarop inzicht is geboden in de geraamde baten en lasten ter zake van de diensten niet bepalend voor het antwoord op de vraag of de geraamde opbrengsten de geraamde lasten overtreffen. Zoals hiervoor is overwogen heeft verweerder, met het overzicht en de toelichting daarop, inzicht verschaft in de desbetreffende ramingen. Dat in het overzicht een aantal hoofdstukken van de Tarieventabel buiten beschouwing is gelaten, doet daaraan niet af. Kennelijk zijn de baten en de uitgaven van de in deze hoofdstukken vermelde diensten vanwege hun relatief geringe omvang (de opmerking in de brief van 11 november 2008, waarbij verweerder het overzicht heeft overgelegd, dat ramingen beneden een bedrag van € 5.000 buiten beschouwingen zijn gelaten, wijst daarop) of om andere redenen niet afzonderlijk begroot. Dat brengt niet mee dat verweerder in onvoldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van baten en lasten ter zake van de diensten, noch dat de geraamde baten de geraamde lasten ter zake hebben overschreden.

2.18 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet bedoelde geraamde baten de in dat artikel bedoelde geraamde "lasten ter zake" niet hebben overschreden.

Toetsing aan de algemene rechtsbeginselen

2.19 De stelling van eiseres dat de gemeente Leidschendam-Voorburg, om de toetsing van haar legesheffing aan de algemene rechtsbeginselen - waartoe de rechtbank ook het willekeurverbod rekent - mogelijk te maken, op controleerbare wijze dient vast te leggen welke uitgaven zij in welke mate door elk van de heffingen in de Verordening beoogt te dekken, vindt naar het oordeel van de rechtbank onder meer steun in het arrest van de Hoge Raad van 4 februari 2005, nr. 38 860, BNB 2005/112. De rechtbank volgt eiseres echter niet in haar stelling dat een dergelijke vastlegging ontbreekt. Uit het door verweerder overgelegde overzicht dat, naar niet in geschil is, is ontleend aan de primitieve begroting van de gemeente Leidschendam-Voorburg voor het jaar 2005, blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat deze begroting inzicht biedt in de wijze waarop en de mate waarin de gemeente de geraamde kosten van de in de legesheffing betrokken diensten door deze legesheffing beoogt te dekken. De gemeente is ook in het kader van de toetsing van haar legesheffing aan de algemene rechtsbeginselen niet gehouden tot een verdergaande uitwerking of detaillering van de in de begroting opgenomen vastlegging, zoals deze is samengevat in het door verweerder overgelegde overzicht.

2.20 De onder 2.19 door de rechtbank gewogen en afdoende bevonden vastlegging van de wijze waarop en de mate waarin de gemeente de geraamde kosten van de in de Tarieventabel opgenomen diensten door legesheffing beoogt te dekken, biedt geen steun aan de stelling van eiseres dat de legestarieven in strijd zijn met de algemene rechtbeginselen, waaronder het willekeurverbod. Ook de overigens door eiseres aangevoerde feiten kunnen deze stelling niet dragen. Bij dit oordeel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

2.21Aan de gemeentelijke wetgever (de gemeenteraad) komt, binnen de in artikel 219, lid 2 (geen afhankelijkheid van het inkomen, de winst of het vermogen), en artikel 229b, lid 1 (de opbrengstlimiet), van de Gemeentewet gestelde grenzen, bij de vaststelling van (de hoogte en de differentiatie) van de legestarieven een ruime beoordelingsvrijheid toe. Zijn oordeel dient te worden geëerbiedigd tenzij het van redelijke grond is ontbloot. De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg is bij de vaststelling van (de hoogte en de differentiatie) van de legestarieven deze ruime beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan. Hetgeen eiseres heeft gesteld over kruissubsidiëring binnen de Verordening en ruwheden in de tariefstelling van de (bouw)leges - de rechtbank laat de gegrondheid van deze stellingen uitdrukkelijk in het midden - brengt, ook al zouden de kruissubsidiëring en de ruwheden zich in de door eiseres genoemde mate voordoen, naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg, door de in de Tarieventabel opgenomen tarieven vast te stellen, heeft gehandeld in strijd met de algemene rechtsbeginselen, in het bijzonder het willekeurverbod.

Slotsom

2.22 Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

2.23 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III BESLISSING

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. G.J. van Leijenhorst, mr. L. Alwin en mr. H. Ollermann, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.A.H. Strik.

Uitgesproken in het openbaar op 30 november 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.