Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9389

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
30-12-2010
Zaaknummer
380890 / HA RK 10-668 Wrakingnummer 2010/41
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mondeling verzoek tot wraking van de behandelend rechter, mr. [X], in kort geding van de RMS c.s. tegen de Staat. Verzoekers, eisers in de hoofdzaak, hebben de Staat gedagvaard in kort geding met het het oog op het afgeven van een arrestatiebevel voor de heer [Y], voormalig minister van buitenlandse zaken van Indonesië, die van 22 tot en met 24 november 2010 in Nederland en België zou verblijven. Volgens verzoekers heeft mr. [X] bij de appointering van de behandeling van het kort geding de belangen van de Staat vooropgesteld en verzoekers hierdoor in hun belangen geschaad. Naar het oordeel van de wrakingskamer heeft mr. [X] bij de appointering van de behandeling van het kort geding rekening gehouden met de belangen van beide partijen. Het was immers in het belang van beide partijen dat de zitting zo snel mogelijk zou plaatsvinden. De wrakingskamer vermag niet in te zien dat hij daarmee reeds een voorschot zou hebben genomen op een inhoudelijke beslissing. Het is niet aannemelijk geworden dat mr. [X] zich bij de appointering enkel of voornamelijk heeft laten leiden door de belangen van de Staat en dat hij daarbij uitsluitend of vooral de brief van de Staat van 22 november 2010 als uitgangspunt heeft genomen. Verzoek tot wraking afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2010/41

zaaknummer: 380890 / HA RK 10-668

kort geding nummer: 380820 / KG ZA 10-1453

datum beschikking: 23 november 2010

BESCHIKKING

op het mondelinge verzoek tot wraking ingevolge artikel 37 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in de zaak van:

1. Regering in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS),

gevestigd te Amsterdam,

2. [verzoeker sub 2],

verblijvende in [verblijfplaats],

3. [verzoeker sub 3],

wonende te [woonplaats], weduwe van wijlen [A],

verzoekers,

advocaten: mr. E. Tahitu en mr. M.O. Wattilete te Amsterdam.

tegen

Mr. [X],

rechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop.

1.1 Op 22 november 2010 hebben verzoekers, eisers in de hoofdzaak, de Staat der Nederlanden gedagvaard in kort geding met het oog op het afgeven van een arrestatiebevel voor de heer [W], voormalig minister van buitenlandse zaken van Indonesië, die van 22 tot en met 24 november 2010 in Nederland en België zou verblijven. Bij het aanbrengen van de dagvaarding hebben verzoekers als verhinderdata voor de zitting opgegeven 22 en 24 november 2010. Bij brief van 22 november 2010 heeft mr. W.I. Wisman, die namens de Staat der Nederlanden optreedt, de rechtbank verzocht het kort geding te laten plaatsvinden op 22 november 2010. De behandelend rechter in deze zaak, Mr. [X], heeft de zitting uiteindelijk geappointeerd op 22 november 2010 om 18:00 uur.

1.2 Beide partijen zijn ter zitting van 22 november 2010 verschenen. Onmiddellijk na aanvang van de zitting is namens verzoekers mondeling een wrakingsverzoek gedaan strekkende tot wraking van de behandelend rechter in deze zaak.

1.3 Het wrakingsverzoek is voorgelegd aan de wrakingskamer. Ter zitting van 23 november 2010 heeft de wrakingskamer na de zaak mondeling te hebben behandeld na beraad direct mondeling uitspraak gedaan.

2. De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek.

Op 23 november 2010 is het wrakingsverzoek ter zitting van deze wrakingskamer behandeld. De advocaten van verzoekers, mr. [X], en mr. Wisman namens de Staat der Nederlanden, zijn verschenen.

Het wrakingsverzoek is door de advocaten van verzoekers aan de hand van de door hen overgelegde pleitaantekeningen toegelicht. Mr. [X] heeft daarop gereageerd.

3. Het standpunt van verzoekers.

Verzoekers stellen ter onderbouwing van hun wrakingsverzoek samengevat het volgende. De Staat heeft op vrijdag 19 november 2010, nog voordat verzoekers de dagvaarding hadden aangebracht, contact gehad met de rechtbank ’s-Gravenhage over de appointering van de zitting. Op 22 november 2010 heeft de Staat in een faxbericht aan de rechtbank verzocht om – indien er een dagvaarding zou worden ingediend – de mondelinge behandeling van het kort geding te laten plaatsvinden op maandagmiddag 22 november 2010, om te voorkomen dat onnodig schade zou worden toegebracht aan de internationale betrekkingen tussen Nederland en Indonesië, nu de publieke optredens van [W] op 23 november 2010 zouden plaatsvinden.

Namens verzoekers is op maandagmiddag een conceptdagvaarding gefaxt aan de griffie van de rechtbank met opgave van de verhinderdata, te weten 22 en 24 november 2010. De behandeling is vervolgens door mr. [X] geappointeerd op maandagmiddag 22 november 2010 om 16:30 uur in verband met de grote belangen die met de zaak gemoeid zijn. Mr. Tahitu heeft daarop aangegeven dat hij in verband met een zitting in Amsterdam die zou beginnen om 15:50 uur niet om 16.30 uur aanwezig kon zijn. De griffie van de rechtbank heeft mr. Tahitu vervolgens medegedeeld dat de behandeling van het kort geding zou plaatsvinden om 17:30 uur.

Mr. [X] heeft bij de appointering van de behandeling van het kort geding de belangen van de Staat vooropgesteld en verzoekers hierdoor in hun belangen geschaad. Verzoekers hebben er belang bij dat het kort geding wordt behandeld nadat [W] in Nederland is aangekomen in verband met de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het beginsel van immuniteit. Mr. [X] heeft zich door de Staat laten leiden. Door op voorhand al een inhoudelijke belangenafweging te maken die in het nadeel van verzoekers uitvalt, heeft mr. [X] een voorschot genomen op een inhoudelijke beslissing en daarmee blijk gegeven van vooringenomenheid.

4. Het standpunt van mr. [X].

Mr. [X] stelt zich op het standpunt dat hij bij de appointering van de zitting op maandag om uiteindelijk 18:00 uur het belang van beide partijen heeft laten meewegen. De brief van de Staat was daarbij voor hem van ondergeschikt belang. Het was in het belang van beide partijen dat de zaak zo snel mogelijk op zitting behandeld zou worden, ook in dat van verzoekers, omdat [W] slechts enkele dagen in Nederland zou verblijven. Dat het kort geding pas zou dienen plaats te vinden nadat [W] in Nederland was aangekomen, is een argument dat verzoekers eerst tijdens de zitting van de wrakingskamer naar voren hebben gebracht.

Voorts is bij de appointering rekening gehouden met een eerdere zitting van mr. Tahitu die dag in Amsterdam.

5. Beoordeling.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

De door verzoekers aangevoerde feiten en omstandigheden zoals hiervoor onder 3. weergegeven leveren niet een uitzonderlijke omstandigheid op die zodanige vrees ten aanzien van deze rechter kan rechtvaardigen. Daartoe is het volgende redengevend.

Bij de appointering van de behandeling van het kort geding heeft mr. [X] naar het oordeel van de wrakingskamer rekening gehouden met de belangen van beide partijen. Het was immers in het belang van beide partijen dat de zitting zo snel mogelijk zou plaatsvinden. De wrakingskamer vermag niet in te zien dat hij daarmee reeds een voorschot zou hebben genomen op een inhoudelijke beslissing. Het is niet aannemelijk geworden dat mr. [X] zich bij de appointering enkel of voornamelijk heeft laten leiden door de belangen van de Staat en dat hij daarbij uitsluitend of vooral de brief van de Staat van 22 november 2010 als uitgangspunt heeft genomen.

Daarbij komt dat ingevolge artikel 3.2. van het Landelijk procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie bij de dagbepaling van de zitting zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de verhinderdata van de eisende partij. Het had op de weg van verzoekers gelegen om ter zitting van 22 november 2010 uitstel te vragen, indien zij van mening waren dat zij over onvoldoende voorbereidingstijd hadden kunnen beschikken.

Derhalve dient het wrakingsverzoek te worden afgewezen.

6. Beslissing.

De rechtbank:

wijst het verzoek tot wraking af;

bepaalt dat het proces in de hoofdzaak terstond wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:

• verzoekers p/a van hun advocaten mr. E. Tahitu en mr. M.O. Wattilete;

• mr. W.I. Wisman, advocaat van verweerder in de hoofdzaak;

• de rechter mr. [X].

Deze beslissing is gegeven door mrs. E. Rabbie, voorzitter, Y.J. Wijnnobel-Van Erp, en G.P. Verbeek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.H. Lamers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2010.