Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9373

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
30-12-2010
Zaaknummer
379460 / HA RK 10-612 Wrakingnummer 20101/32
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht. Verzoek afgewezen. De door verzoeker in zijn wrakingsverzoek genoemde gronden voor wraking hebben voornamelijk betrekking op de wijze waarop mr. [X] de zaak ter zitting inhoudelijk heeft behandeld. Verzoeker noemt enkele opmerkingen en vragen van mr. [X] waaruit zou moeten blijken dat er sprake is van schijn van partijdigheid. De wrakingskamer deelt die opvatting niet. Niet is gebleken dat uit de vraagstelling en/of opmerkingen, zoals door verzoeker in zijn wrakingsverzoek omschreven, kan worden geconcludeerd dat er bij mr. [X] sprake zou zijn van schijn van partijdigheid. Dit laat in het midden dat verzoeker wellicht een andere vraagstelling voor ogen stond, maar hij is voldoende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op zijn beroepschrift ter zitting toe te lichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2010/32

rekestnummer: 379460 / HA RK 10-612

zaaksnr: AWB 10/6673

datum beschikking: 30 november 2010

BESCHIKKING

op het schriftelijk verzoek tot wraking ingevolge artikel 8:16 van de Algemene wet bestuursrecht, in de zaak van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

tegen:

Mr. [X],

rechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna aangeduid met “[verzoeker]” en “mr. “[X]”.

1. Voorgeschiedenis en het procesverloop.

[verzoeker] heeft op 23 september 2010 een verzoek voorlopige voorziening ingediend tegen een besluit van de gemeente Gouda van 18 augustus 2010. Het besluit van de gemeente Gouda heeft betrekking op verzoeken van [verzoeker] tot handhaving met betrekking tot overlast die hij ervaart van het gebruik van een houtkachel van een buurtbewoner.

De mondelinge behandeling van het verzoek van [verzoeker] heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2010 ten overstaan van mr. [X].

Na afloop van voormelde zitting heeft [verzoeker] op 2 november 2010 een verzoek tot wraking van mr. [X] ingediend.

Mr. [X] heeft bij notitie van 8 november 2010 (ingekomen op 11 november 2010) haar standpunt met betrekking tot het wrakingsverzoek kenbaar gemaakt.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek was bepaald op maandag 29 november 2010. [verzoeker] heeft echter bij brief, ingekomen op 10 november 2010, de rechtbank verzocht direct een beslissing te nemen. Ter bespoediging ziet hij af van een mondelinge behandeling. Mr. [X] heeft in reactie op die brief op 15 november 2010 te kennen gegeven zich te kunnen vinden in een schriftelijke behandeling.

Op 18 november 2010 is een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek ingekomen van belanghebbende, [belanghebbende]. Bij brief van 22 november 2010 heeft [verzoeker] nog gereageerd op de schriftelijke reactie van mr. [X] van 8 november 2010.

2. Het standpunt van [verzoeker]

[verzoeker] voert aan dat mr. [X] door haar uitlatingen en de wijze waarop zij de zaak ter zitting heeft behandeld, heeft laten blijken dat zij partijdig is of zou kunnen zijn en dat zij tenminste de schijn van partijdigheid op zich heeft geladen. Hij geeft voor die stelling 11 aanwijzingen. De wrakingskamer merkt hierbij op dat in de nummering in het verzoekschrift tweemaal het nummer 8 wordt genoemd. Alle voorvallen hebben betrekking op de mondelinge behandeling van 26 oktober 2010.

3. Het standpunt van mr. [X]

Mr. [X] voert aan dat het verzoek niet is gedaan zodra de feiten of omstandigheden zich aan [verzoeker] hebben voorgedaan. Vervolgens geeft zij gemotiveerd aan waarom er volgens haar ter zitting geen sprake is geweest van (schijn van) partijdigheid.

4 Beoordeling.

Aan de orde is in de eerste plaats de vraag of het wrakingsverzoek tijdig is gedaan. Artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat een verzoek tot wraking gedaan dient te worden zodra de feiten of omstandigheden aan verzoeker bekend zijn geworden. Het op 2 november 2010 ingekomen wrakingsverzoek heeft betrekking op feiten en omstandigheden die zien op de mondelinge behandeling van 26 oktober 2010. Het staat vast dat de wraking niet ter zitting is gedaan, terwijl uit het verzoek blijkt dat de feiten en omstandigheden ter zitting aan [verzoeker] bekend zijn geworden. Mede rekening houdend met het feit dat [verzoeker] ter zitting niet werd bijgestaan door een raadsman, is de wrakingskamer van oordeel dat [verzoeker] niet kan worden tegengeworpen dat hij niet direct ter zitting (mondeling) een verzoek tot wraking heeft gedaan. Een schriftelijk en gemotiveerd verzoek tot wraking binnen één week na de mondelinge behandeling is onder deze omstandigheden tijdig gedaan.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van art. 6, eerste lid, EVRM dient uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien bepaalde feiten of omstandigheden grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt. Alsdan dient de rechter zich van een beslissing in de hoofdzaak te onthouden, want rechtzoekenden moeten in het rechterlijk apparaat vertrouwen kunnen stellen. Daarom valt onder omstandigheden ook rekening te houden met de uiterlijke schijn.

De door [verzoeker] in zijn wrakingsverzoek genoemde gronden voor wraking hebben voornamelijk betrekking op de wijze waarop mr. [X] de zaak ter zitting inhoudelijk heeft behandeld. [verzoeker] noemt enkele opmerkingen en vragen van mr. [X] waaruit zou moeten blijken dat er sprake is van schijn van partijdigheid. De wrakingskamer deelt die opvatting niet. Niet is gebleken dat uit de vraagstelling en/of opmerkingen, zoals door [verzoeker] in zijn wrakingsverzoek omschreven, kan worden geconcludeerd dat er bij mr. [X] sprake zou zijn van schijn van partijdigheid. Dit laat in het midden dat [verzoeker] wellicht een andere vraagstelling voor ogen stond, maar hij is voldoende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze op zijn beroepschrift ter zitting toe te lichten.

De door [verzoeker] aangevoerde feiten en omstandigheden geven daarom geen grond te vrezen dat het mr. [X] aan onpartijdigheid ontbreekt noch is ten aanzien van haar de schijn van partijdigheid gewekt.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank als volgt beslissen.

5. Beslissing.

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

- beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:

• [verzoeker];

• Burgemeester en wethouders van Gouda, verweerder in de hoofdzaak;

• mr. [X].

Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2010 door mrs. I.D. Bellaart, H.S. Wiarda en K.M. Braun, in tegenwoordigheid van J. Kriense Lokker als griffier.