Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9235

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
29-12-2010
Zaaknummer
376337/ HA RK 10-519 Wrakingnummer 2010-23 (2)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schriftelijk verzoek tot wraking. Verzoek tot wraking jegens mr. [W] niet ontvankelijk. Een wrakingsverzoek kan alleen die rechter betreffen die betrokken was bij de feiten en omstandigheden die grond hebben gegeven voor de wraking. De enkele veronderstelling van de raadsman dat mr. [W] mogelijk betrokken is geweest bij de beslissingen welke op 10 september 2010 zijn uitgesproken is vanzelfsprekend volstrekt onvoldoende om die betrokkenheid aan te nemen. De wrakingskamer stelt vast dat deze beslissingen zijn genomen door de rechtbank in samenstelling 2, waarvan mr. [W] geen deel uitmaakte. Verzoekster was op 17 september 2010 reeds anderhalve maand bekend met de beslissing van de rechtbank in samenstelling 1. Voor zover het verzoek tot wraking van mr. [W] die beslissing ziet is het dus tardief gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Meervoudige wrakingskamer

Wrakingnummer 2010/23

rekestnummer: 376337 HA RK 10-519

parketnr.: 09/752541-09

datum beschikking: 19 oktober 2010

BESCHIKKING

op het schriftelijke verzoek tot wraking ingevolge artikel 513 van het Wetboek van Strafvordering, in de zaak van:

[verzoekster],

verblijfende te [adres],

verzoekster,

raadsman: mr. I.A. van Straalen, gevestigd te ’s-Gravenhage,

tegen

mr. [W]

rechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage

1. De verdenking en het procesverloop.

1.1 Verzoekster wordt er in de strafzaak met bovenvermeld parketnummer van verdacht betrokken te zijn geweest bij (kort gezegd) de gewelddadige dood van haar man, van wie zij van tafel en bed gescheiden was. De verdenking is daarbij komen te rusten op verzoekster en vier medeverdachten, te weten [A], [B], [C] en [D]. Van deze medeverdachten hebben [A], [B], en [D] verklaringen afgelegd die belastend zijn voor verzoekster. Verzoekster heeft zich tot nu toe steeds beroepen op haar zwijgrecht.

1.2 Op 20 juli 2010 heeft de rechtbank in de strafzaak zitting gehouden in samenstelling van mrs [X] (voorzitter), [Y] en [W] (hierna: de rechtbank in samenstelling 1). Ter terechtzitting werd door de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter observatie zou worden overgebracht naar het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) ex artikel 317 Sv, tegen welke vordering verdachte zich heeft verweerd. De vordering is door de rechtbank in samenstelling 1 toegewezen bij tussenvonnis van 3 augustus 2010, waarbij de rechtbank haar beslissing – voor zover hier van belang – als volgt motiveerde:

“Medeverdachten en getuigen hebben verklaringen afgelegd over de rol van verdachte voor, tijdens en na het feit dat aan haar is telastgelegd. Deze verklaringen tegen de achtergrond van de relatie van verdachte tot het slachtoffer en de ernst van het verwijt roepen zonder enige twijfel vragen op over eventuele beweegredenen en persoonlijkheid van verdachte. Verdachte heeft vooralsnog gebruik gemaakt van haar recht om te zwijgen.

Uit het advies van het NIFP van 9 juli 2010 – welk advies is gebaseerd op een gesprek met verdachte (...) – volgt dat, hoewel geen aanwijzingen zijn gevonden voor een psychiatrisch toestandsbeeld in engere zin, een moeizame ontwikkeling rondom haar jeugd en adolescentie niet is uit te sluiten. Door de houding van verdachte is echter te weinig informatie verkregen om een uitspraak te kunnen doen over haar persoonlijkheid.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het noodzakelijk dat onderzoek wordt verricht naar de persoonlijkheid, de geestvermogens en de toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Dit onderzoek kan gelet op de ernst van het verwijt, de achtergrond waartegen dit zou zijn begaan en de houding van verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet op een andere wijze plaatsvinden dan door observatie in het PBC. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan het advies van het NIFP om Pro Justitia rapportage te doen opmaken door een psycholoog. Niet te verwachten valt dat, ook gelet op de proceshouding van verdachte tot dusver, met een dergelijk onderzoek de bestaande vragen zullen worden beantwoord.”

1.3 Op 31 augustus 2010 heeft de rechtbank wederom zitting gehouden, nu in samenstelling van mrs [X] (voorzitter), [Y] en [Z] (hierna: de rechtbank in samenstelling 2). Te dezer zitting zijn door de officier van justitie en verzoekster onderzoekswensen kenbaar gemaakt. De rechtbank in samenstelling 2 heeft blijkens het proces-verbaal van die zitting1 beslist de uitspraak hieromtrent uit te stellen tot de zitting van 10 september 2010. De rechtbank heeft op 10 september 2010 zitting gehouden, in samenstelling van mrs [X] (voorzitter), [V] en [U]. Op deze zitting heeft de voorzitter de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de onderzoekswensen van 31 augustus 2010 medegedeeld. De betreffende beslissingen waren toen nog niet op schrift gesteld. De raadsman heeft bij brief d.d. 16 september 2010 mr. [X] verzocht op zo kort mogelijke termijn hem een schriftelijke motivering van de beslissingen van de rechtbank toe te zenden vanwege een door hem overwogen wrakingsverzoek. Het proces-verbaal van de zitting van 10 september 2010 is door de rechtbank op 16 september 2010 aan verzoekster toegestuurd.

1.4 Dit proces-verbaal geeft van de overwegingen van de rechtbank – voor zover hier van belang – de volgende weerslag:

“3) Het verzoek tot het bezien c.q. uitluisteren van de banden van de politieverhoren van [A], [B], [C] en [D] wijst de rechtbank af, nu bij de beoordeling van dat verzoek, gelet op de onderbouwing hiervan, vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in de verhoren van de medeverdachten enige onrechtmatigheid of onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of dat er onredelijke druk is uitgeoefend op deze medeverdachten.

(...)

5) Het verzoek tot het bezien c.q. uitluisteren van de banden van de verhoren van de getuigen [E] en [F] wijst de rechtbank af, nu ook hier bij de beoordeling van deze verzoeken, gelet op de onderbouwing hiervan, vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat in de verhoren van deze getuigen enige onrechtmatigheid of onregelmatigheid heeft plaatsgevonden of dat er onredelijke druk is uitgeoefend op voornoemde getuigen.

6) Het verzoek kennis te nemen van de banden met de opgenomen telefoongesprekken via de telefoons van verdachte is onvoldoende gespecificeerd en wordt om die reden afgewezen.

(…)

12) Het verzoek tot het horen van [G], (…) en [H] (…), alsmede de in de regieruimte aanwezige gedragsgespecialiseerde collega's, wordt eveneens door de rechtbank afgewezen, nu bij de beoordeling van het verzoek, gelet op de onderbouwing hiervan, vooralsnog onvoldoende aannemelijk is geworden dat tijdens de verhoren afgenomen door genoemde verbalisanten in aanwezigheid van genoemde collega's enige onrechtmatigheid of onregelmatigheid zou hebben plaatsgevonden.

(...)

14) Het verzoek tot het horen van de getuige [I] wordt afgewezen. De rechtbank ziet onvoldoende aanleiding om deze getuige te horen over de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden, mede gelet op de wijze waarop het verhoor is uitgewerkt.

15) Het verzoek tot het horen van de getuige [E] wordt door de rechtbank afgewezen. (…) De raadsman is eerder meermalen in de gelegenheid gesteld om bij een verhoor van deze getuige bij de rechter-commissaris aanwezig te zijn, maar heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank overweegt dat het belang van deze getuige, zowel de zoon van verdachte als van het slachtoffer, zwaarder weegt dan het belang van de verdediging om hem nogmaals te horen.

(...)

17) Het verzoek tot het horen van de getuige [J] wordt afgewezen, nu gelet op de onderbouwing van het verzoek, onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat informatie die deze getuige zou kunnen geven relevant kan zijn voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering.

(...)

21) Het verzoek tot het horen van de getuige [K] wordt door de rechtbank (…) toegewezen. (…) De getuige dient te worden bevraagd over een eventuele connectie tussen de medeverdachten [verzoekster] en [D].”

2. Het wrakingsverzoek

2.1 De raadsman heeft op 17 september 2010 ten aanzien van mrs [X], [Y], [W] en [Z] schriftelijke wrakingsverzoeken ingediend.

2.2 Mr. [W] heeft niet berust in de wraking. Zij heeft op 5 oktober 2010 met de overige gewraakte rechters gezamenlijk een verweerschrift ingediend. Zij heeft hierin met hen geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring, dan wel afwijzing van het ingediende wrakingsverzoek.

2.3 Op 11 oktober 2010 zijn de wrakingsverzoeken ter zitting van deze wrakingskamer gelijktijdig behandeld. Mr. [W] is niet verschenen. De raadsman heeft zijn verzoek mondeling nader toegelicht aan de hand van de door hem overlegde pleitaantekeningen. Verzoekster was niet aanwezig. De officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling heeft haar standpunt uiteengezet aan de hand van de door haar overlegde zittingsaantekeningen.

3. Ontvankelijkheid van het verzoek

3.1 Het standpunt van mr. [W]

Mr. [W] heeft aangevoerd dat de verzoeken niet zijn gedaan zodra de feiten en omstandigheden die aan de wrakingsgronden ten grondslag liggen bekend zijn geworden, en derhalve niet ontvankelijk dienen te worden bevonden. Dat heeft zij – zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd. Voor zover het verzoek gegrond is op uitspraak van 3 augustus 2010, is het niet tijdig naar voren gebracht, want eerst na anderhalve maand na die uitspraak. Voor zover zij gewraakt wordt op grond van de beslissingen van 10 september 2010, is het verzoek niet ontvankelijk, omdat zij bij die beslissing niet betrokken was. Bovendien zijn die beslissingen aan de raadsman medegedeeld op 10 september 2010, maar hij deed het wrakingsverzoek eerst op 17 september 2010; het is ook in dat opzicht ontijdig. In het licht van de uitdrukkelijke machtiging van de raadsman, kan het voorschrift van artikel 513, eerste lid Sv bovendien niet worden terzijde gesteld op grond van te voeren overleg met verzoekster. Het overleg is daarnaast niet noodzakelijk nu immers tevens aan de verzoeken ten grondslag ligt de uitspraak van 3 augustus 2010, op 17 september al anderhalve maand bekend.

Tenslotte dient uit het voornemen tot wraking, zoals de raadsman aankondigde ter terechtzitting van 10 september 2010, te worden afgeleid dat de gronden voor wraking reeds op dat moment bekend waren.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd. De raadsman was reeds met de feiten en omstandigheden die ten grondslag liggen aan zijn verzoek op de hoogte toen de beslissingen werden uitgesproken op 10 september 2010. Op die zitting heeft de raadsman gesteld dat hij de wrakingsverzoeken zou indienen; dat heeft hij op dat moment echter niet gedaan. Hij is mitsdien te laat met de verzoeken, en dient niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ook heeft de raadsman de verzoeken gericht op het collectief van rechters, en is er geen sprake van individuele toetsing. Dat ligt wel voor de hand, nu niet alle rechters bij elke beslissing betrokken waren. Mr. [W] is alleen betrokken geweest bij de beslissing van 3 augustus 2010.

3.3 Het standpunt van de verzoekster

De raadsman heeft ter zitting van de wrakingskamer aangevoerd dat de verzoeken wel degelijk ontvankelijk zijn. De raadsman heeft dit – zakelijk weergegeven – als volgt onderbouwd. Aan het verzoek ligt ten grondslag de ter terechtzitting van 10 september 2010 uitgesproken beslissingen van de rechtbank, in samenhang beschouwd met de beslissing omtrent de vordering tot plaatsing in het PBC van 3 augustus 2010. Deze samenhang kwam eerst tot stand op het moment dat de uitspraak van 10 september 2010 werd gedaan. Bij de uitspraak van 10 september 2010 werd door de rechtbank aangekondigd dat de schriftelijke weerslag van die uitspraak later zou volgen. De raadsman heeft hierop ter zitting aangekondigd dat hij mogelijk tot wraking zou overgaan na ontvangst van die schriftelijke weerslag. Ter wrakingszitting heeft de raadsman aangevoerd dat hij eerst op basis van het proces-verbaal, gegeven het aantal beslissingen en de motivering daarvan, zijn cliënt kon adviseren omtrent wraking. De raadsman heeft op 16 september 2010 het proces-verbaal, inhoudende de schriftelijke weerslag van de uitspraak, ontvangen. Op 17 september 2010 heeft de raadsman met verzoekster de uitspraak besproken, hetgeen noodzakelijk is voordat tot wraking in haar naam kan worden overgegaan. Op diezelfde dag heeft de raadsman, blijkens de tijdsaanduiding van de betreffende fax te omstreeks 14.35uur, wrakingsverzoeken ingediend tegen elk van de rechters afzonderlijk. Ter zitting van de wrakingskamer heeft de raadsman gesteld dat mr. [W] mogelijk ook betrokken is geweest bij de beslissingen welke op 10 september 2010 ter zitting zijn meegedeeld.

3.4 Beoordeling door de wrakingskamer

3.4.1 De wrakingskamer stelt voorop dat een wrakingsverzoek alleen die rechter betreffen kan die betrokken was bij de feiten en omstandigheden die grond hebben gegeven voor de wraking.

3.4.2 De enkele veronderstelling van de raadsman dat mr. [W] mogelijk betrokken is geweest bij de beslissingen welke op 10 september 2010 zijn uitgesproken is vanzelfsprekend volstrekt onvoldoende om die betrokkenheid aan te nemen. De wrakingskamer stelt vast dat deze beslissingen zijn genomen door de rechtbank in samenstelling 2, waarvan mr. [W] geen deel uitmaakte. Verzoekster was op 17 september 2010 reeds anderhalve maand bekend met de beslissing van de rechtbank in samenstelling 1. Voor zover het verzoek tot wraking van mr. [W] op die beslissing ziet is het dus tardief gedaan.

3.4.3 Dit één en ander leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek.

4. Beslissing.

De rechtbank:

verklaart het verzoek tot wraking jegens mr. [W] niet ontvankelijk;

bepaalt dat de strafzaak wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;

beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 515, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegezonden aan:

• de verzoekster p/a haar raadsman mr. I.A. van Straalen, advocaat te 's-Gravenhage;

• officier van justitie mr. I.J.E.H.C. Degeling;

• mr. [W], rechter.

Aldus ter terechtzitting van deze rechtbank uitgesproken op 19 oktober 2010 door mr. R. Elkerbout, voorzitter, mrs. H.M.D. de Jong en K.M. Braun, rechters, in tegenwoordigheid van mr. D.E. Koops als griffier.

Mrs H.M.D. de Jong en K.M. Braun zijn buiten staat deze beschikking te ondertekenen.

1 Dit proces-verbaal is op 8 oktober 2010 vastgesteld en ondertekend door de voorzitter en de griffier.