Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO9098

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
28-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/36816
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toegangsweigering, Schengengrenscode en artikel 3 Vw, mondelinge weigering, niet voldaan aan vormvereisten, geen wens asiel aan te vragen.

Het administratief beroep wordt mede geacht te zijn gericht tegen de eerste, mondelinge, toegangsweigering van 18 oktober 2010, waarbij verzoekster de toegang is geweigerd op grond van het reisdoel, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2010. Deze mondelinge toegangsweigering is gebaseerd op de Schengengrenscode. Deze toegangsweigering is niet middels het voorgeschreven standaardformulier in een met redenen omklede beslissing, waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, aan verzoekster meegedeeld, zoals bepaald in het tweede lid van artikel 13 van de Schengengrenscode. Daarom is niet voldaan aan de formele vereisten die door artikel 13 van de Schengengrenscode aan de toegangsweigering worden gesteld.

Uit voormeld proces-verbaal blijkt voorts dat verzoekster enkel in reactie op deze mondelinge toegangsweigering asiel wilde aanvragen, omdat ze het geld dat ze aan de reis had uitgegeven niet wilde kwijtraken. Uit het proces-verbaal blijkt tot slot dat verzoekster heeft aangegeven dat ze niet vreesde voor haar leven als zij zou terugkeren naar Nicaragua. Hieruit volgt dat verzoekster niet het doel had om in Nederland asiel te vragen. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de toegangsweigering op grond van artikel 3 van de Vw 2000 is voortgevloeid uit de onrechtmatige mondelinge toegangsweigering. Verweerder heeft verzoekster onder deze omstandigheden niet de toegang op grond van artikel 3 van de Vw 2000 kunnen weigeren.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 3
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 10/36816

V-nr: [ ]

uitspraak van de voorzieningenrechter

in het geding tussen:

[verzoekster],

geboren op [geboortedatum] 1984, van Nicaraguaanse nationaliteit, verzoekster,

gemachtigde: mr. D.G. Metselaar, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Op 18 oktober 2010 is verzoekster op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Bij administratief beroepschrift van 22 oktober 2010 heeft verzoekster administratief beroep ingesteld tegen dit besluit.

Bij brief van 22 oktober 2010 heeft verzoekster verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt verweerder op te dragen verzoekster gedurende de behandeling van het administratief beroep, gericht tegen de toegangsweigering, de toegang tot Nederland te verschaffen totdat op het administratief beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2010. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Standpunten van partijen

1. Verweerder heeft verzoekster op grond van artikel 3 van de Vw 2000 de toegang tot Nederland geweigerd en daaraan – zakelijk weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Verzoekster is in het bezit van een grensoverschrijdingsdocument waarin het benodigde visum ontbreekt. Daarnaast beschikt verzoekster niet over voldoende middelen van bestaan om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van de reis naar een plaats buiten Nederland waar haar toegang is gewaarborgd. Verzoekster gaf bij de toegangsweigering aan dat zij op vakantie wilde naar Spanje, maar tijdens de tweedelijnscontrole ontstonden er tegenstrijdigheden in het verhaal van verzoekster. Op grond van al het voorgaande is verzoekster de toegang tot Nederland geweigerd.

2. Verzoekster heeft – zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. Er is sprake van spoedeisend belang, omdat een beslissing op het administratief beroep tegen de toegangsweigering geruime tijd in beslag kan nemen. Het onmiddellijke gevolg voor verzoekster is echter dat zij gedwongen is geruime tijd een vrijheidsontneming te ondergaan. Rechtsbescherming vereist een snelle procedure die leidt tot een oordeel over de rechtmatigheid van de toegangsweigering. Daarnaast is verzoekster van mening dat het administratief beroep tegen de toegangsweigering kans van slagen heeft, omdat verzoekster in het bezit is van een geldig grensoverschrijdingsdocument, zij als Nicaraguaanse niet in het bezit hoeft te zijn van een visum voor kort verblijf, zij in het bezit is van een retourticket en zij bij haar staandehouding op Schiphol een bedrag van 1925,-- USD bij zich had, hetgeen kan worden beschouwd als voldoende middelen van bestaan om te voorzien in de kosten van haar voorgenomen verblijf in Spanje van negen dagen. Verzoekster heeft voorts aangevoerd dat verweerder haar ten onrechte niet heeft geconfronteerd met afwijkingen in haar verhaal en haar niet in staat heeft gesteld hier een verklaring voor te geven, zoals vereist in paragraaf A2/4.2.3.1 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000.

3. Verweerder heeft ter zitting een proces-verbaal van 2 november 2010 overgelegd waaruit volgens verweerder de reeds genoemde tegenstrijdigheden blijken, op grond waarvan verzoekster de toegang is geweigerd. Daarnaast heeft verweerder aanvullend aangevoerd dat verzoekster op grond van artikel 3 van de Vw 2000, en niet op grond van Verordening (EG) 562/2006 (hierna: de Schengengrenscode), de toegang is geweigerd, nu verzoekster had aangegeven dat zij een asielaanvraag wilde indienen. Het indienen van een asielaanvraag impliceert immers dat verzoekster verblijf wenste voor langer dan drie maanden, waarvoor het visum niet geldig is en de middelen onvoldoende zijn. In dat geval wordt de toegang op grond van artikel 3 van de Vw 2000 geweigerd. Verweerder verwijst naar paragraaf A2/5.5.2 van de Vc 2000.

4. Verzoekster heeft ter zitting aanvullend aangevoerd dat verweerder haar de toegang wel degelijk op grond van de Schengengrenscode heeft geweigerd, nu uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2010 blijkt dat zij werd geweigerd op grond van het reisdoel en zij pas na deze mondelinge weigering aangaf een asielverzoek te willen doen, om haar geld niet kwijt te raken. Verzoekster wilde echter helemaal geen asielaanvraag indienen, hetgeen ook blijkt uit het feit dat zij geen beroep heeft ingesteld tegen de afwijzing van de asielaanvraag.

Overwegingen

5. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

6. De voorzieningenrechter overweegt ambtshalve allereerst het volgende. Normaliter wordt binnen het bestek van een voorlopige voorzieningenprocedure als de onderhavige in beginsel een oordeel gegeven over de kans van slagen van het administratief beroep. In dit geval zal de voorzieningenrechter echter ambtshalve een andere beoordeling maken. Ingevolge artikel 13 van de Schengengrenscode en artikel 77, eerste lid, van de Awb is administratief beroep het tegen de toegangsweigering openstaande rechtsmiddel. Dit rechtsmiddel leidt tot een beslissing op administratief beroep. Daartegen staat beroep op de rechter open. De procedure van administratief beroep kan geruime tijd in beslag nemen. In het onderhavige geval was ten tijde van de zitting bij de voorzieningenrechter nog geen beslissing genomen op het administratief beroep. De werking van de toegangsweigering is echter onmiddellijk, en heeft in verband met de plaats waar zij wordt verricht, ingrijpende gevolgen voor de geweigerde. Die is immers gedwongen geruime tijd een vrijheidsontneming te ondergaan in afwachting van een beslissing op het administratief beroep. Een voorlopige voorziening kan worden verzocht hangende het administratief beroep doch daarmee kan slechts een voorlopige maatregel worden verkregen. De voorzieningenrechter heeft immers ten aanzien van de toegangsweigering niet de bevoegdheid neergelegd in artikel 78 van de Vw 2000 om zoveel mogelijk tevens over het administratief beroep te beslissen. Het gemeenschapsrecht eist een effectieve rechtsbescherming, ook in geval van een toegangsweigering. Die bescherming vraagt, gelet op het karakter van de toegangsweigering en artikel 13 van de Schengen-grenscode, om een snelle procedure leidend tot een oordeel over de rechtmatigheid van de toegangsweigering en een beslissing in beroep die de weigering ongedaan kan maken. Om in dit geval, waarin de beslissing op administratief beroep, en daarmee toegang tot de bodemrechter ontbreekt, zoveel mogelijk te voldoen aan dit vereiste, dient de voorzieningenrechter de rechtmatigheidstoetsing van de eerste toegangsweigering zwaar te laten wegen bij haar oordeel en beslissing, en minder zwaar de prognose op de uitkomst van het administratieve beroep, en zal zij zonodig een maatregel moeten treffen die de opheffing van de toegangsweigering benadert.

7. De voorzieningenrechter overweegt voorts het volgende.

8. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode - voor zover hier van belang - gelden voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden;

a. in het bezit zijn van een of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

b. indien vereist op grond van Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, in het bezit zijn van een geldig visum, behalve indien zij houder zijn van een geldige verblijfsvergunning;

c. het doel van het voorgenomen verblijf en de verblijfsomstandigheden kunnen staven, alsmede beschikken over voldoende middelen van bestaan (..).

9. Ingevolge artikel 1, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 539/2001 dienen onderdanen van de in de l?st van b?lage I opgenomen derde landen b? overschr?ding van de buitengrenzen van de lidstaten in het bezit van een visum te z?n. Ingevolge het tweede lid zijn de onderdanen van de in de l?st van b?lage II opgenomen derde landen van de in het eerste lid bedoelde visumplicht vr?gesteld voor een verbl?f van in totaal maximaal drie maanden.

Nicaragua is vermeld op de lijst van bijlage II.

10. Ingevolge artikel 13, tweede lid, van de Schengengrenscode kan de toegang alleen worden geweigerd in een met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd. (..)

De met redenen omklede beslissing waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, wordt meegedeeld door middel van een standaardformulier in bijlage V, deel B, dat wordt ingevuld door de naar nationaal recht voor de weigering van toegang bevoegde autoriteit. Het ingevulde standaardformulier wordt verstrekt aan de betrokken onderdaan van een derde land, die met behulp van dit formulier de ontvangst van de beslissing tot weigering van toegang bevestigt.

11. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Vw 2000 - voor zover hier van belang - wordt de toegang tot Nederland, in andere dan de in de Schengengrenscode geregelde gevallen, geweigerd aan de vreemdeling die:

a. niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding, dan wel in het bezit is van een document voor grensoverschrijding waarin het benodigde visum ontbreekt; (..)

c. niet beschikt over voldoende middelen om te voorzien zowel in de kosten van verblijf in Nederland als in die van zijn reis naar een plaats buiten Nederland waar zijn toegang gewaarborgd is.

12.1. De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het administratief beroep, gelet op hetgeen door verzoekster is aangevoerd ten aanzien van de Schengengrenscode, mede wordt geacht te zijn gericht tegen de eerste, mondelinge, toegangsweigering van 18 oktober 2010, waarbij verzoekster de toegang is geweigerd op grond van het reisdoel, zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2010. Uit dit proces-verbaal blijkt dat verzoekster de toegang moest worden geweigerd op ‘weigeringsgrond E (reisdoel)’ en dat verzoekster vervolgens mondeling, door middel van een tolk, is meegedeeld dat haar de toegang tot Europa wordt geweigerd. De voorzieningenrechter is met verzoekster van oordeel dat deze mondelinge toegangsweigering, gelet op voormeld proces-verbaal, is gebaseerd op de Schengengrenscode.

12.2. De voorzieningenrechter overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van 18 oktober 2010 niet duidelijk blijkt dat verzoekster de reden van de mondelinge toegangsweigering is meegedeeld. In ieder geval is de toegangsweigering niet middels het voorgeschreven standaardformulier in een met redenen omklede beslissing, waarin de precieze weigeringsgronden worden genoemd, aan haar meegedeeld, zoals bepaald in het tweede lid van artikel 13 van de Schengengrenscode. Uit voormeld proces-verbaal van

18 oktober 2010 blijkt zoals gezegd dat verzoekster mondeling is meegedeeld dat haar de toegang tot Europa wordt geweigerd. De voorzieningenrechter overweegt dat in het onderhavige geval dan ook niet is voldaan aan de formele vereisten die door artikel 13 van de Schengengrenscode aan de toegangsweigering worden gesteld. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat de mondelinge toegangsweigering onrechtmatig is geweest.

12.3. Uit voormeld proces-verbaal blijkt voorts dat verzoekster enkel in reactie op deze mondelinge toegangsweigering asiel wilde aanvragen, omdat ze het geld dat ze aan de reis had uitgegeven niet wilde kwijtraken. Uit het proces-verbaal blijkt tot slot dat verzoekster heeft aangegeven dat ze niet vreesde voor haar leven als zij zou terugkeren naar Nicaragua. Hieruit volgt dat verzoekster niet het doel had om in Nederland asiel te vragen, hetgeen ook nog eens wordt bevestigd door het feit dat zij geen beroep tegen de afwijzende asielbeslissing heeft ingediend.

Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de toegangsweigering op grond van artikel 3 van de Vw 2000 is voortgevloeid uit de onrechtmatige mondelinge toegangsweigering. Verweerder heeft verzoekster onder deze omstandigheden niet de toegang op grond van artikel 3 van de Vw 2000 kunnen weigeren.

13. De voorzieningenrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat verzoekster niet de toegang kon worden geweigerd. Beide toegangsweigeringen moeten naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onrechtmatig worden geacht. Gelet hierop en gelet op hetgeen de voorzieningenrechter onder rechtsoverweging 6 heeft overwogen, zal verweerder worden opgedragen om verzoekster de toegang tot Nederland te verschaffen gedurende de behandeling van het administratief beroep.

14. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, in samenhang met artikel 8:75 van de Awb in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor de voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt 437,--, wegingsfactor 1).

15. Op grond van artikel 8:82, vierde lid, van de Awb bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het griffierecht van € 150,-- vergoedt.

4. Beslissing

De voorzieningenrechter

- wijst het verzoek toe in zoverre, dat verweerder verzoekster gedurende de behandeling van het administratief beroepschrift de toegang tot Nederland verschaft;

- veroordeelt verweerder in de hierboven bedoelde proceskosten, begroot op € 874,-- (achthonderdvierenzeventig euro), te betalen door de Staat der Nederlanden aan verzoekster.

- bepaalt dat verweerder aan verzoekster het betaalde griffierecht ad € 150,-- (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T.H. Zimmerman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Kreb, griffier, en in het openbaar uitgesproken op

12 november 2010.

De griffier De voorzieningenrechter

Afschrift verzonden op:

Conc.: EK

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.