Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7499

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
16-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/29876, AWB 10/29875 en AWB 10/29879
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Grensdetentie, minderjarige kinderen, voortzetting maatregel in DTC Rotterdam, artikel 5 lid 1 onder f EVRM

Verweerder heeft besloten de grensdetentie van een gezin van asielzoekers, bestaande uit vader, moeder en drie kinderen van respectievelijk vijftien, elf en twee jaar oud, na afwijzing van hun asielaanvragen voort te zetten in DTC Rotterdam. Hoewel in het DTC Rotterdam enige aanpassingen zijn gedaan voor het verblijf van minderjarige asielzoekers, dient het verblijf aldaar, gelet op de onmiskenbaar aanwezige penitentiaire elementen tot een zo kort mogelijke periode beperkt te blijven en dient deze periode, nu het minderjarigen betreft, in duur ook voorzienbaar te zijn. De rechtbank ziet aanleiding om in dit verband aansluiting te zoeken bij de door verweerder in paragraaf C12/2.7 van de Vc 2000, ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen die geen asielprocedure hebben lopen, gehanteerde duur van maximaal twee weken. In het onderhavige geval was er geen sprake van een dergelijke korte, en in duur voorzienbare periode. Voorts is de beslissing tot voortzetting van de detentie na de afwijzing van de asielaanvraag niet te goeder trouw genomen. De voortduring van de bewaring van de kinderen was dan ook willekeurig als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/57
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 10/29876, AWB 10/29875 en AWB 10/29879

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken

V-nrs.: [ ]

in het geding tussen:

[eiser sub 1], geboren [geboortedatum] 1972,

[eiser sub 2], geboren op [geboortedatum] 1995,

[eiser sub 3], geboren [geboortedatum] 1977, mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen:

[eiser sub 4], geboren op [geboortedatum] 1998,

[eiser sub 5], geboren op [geboortedatum] 2007,

allen van Kazachstaanse nationaliteit, eisers,

gemachtigde: mr. J.M. Niemer, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND).

Procesverloop

Op 15 augustus 2010 is eisers op grond van artikel 3 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 op de luchthaven Schiphol de toegang tot Nederland geweigerd. Ten aanzien van eisers is op dezelfde datum de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 toegepast.

Op 19 augustus 2010 hebben eisers aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel. Bij besluiten van 25 augustus 2010 heeft verweerder de aanvragen afgewezen. De ten aanzien van eisers toegepaste vrijheidsontnemende maatregel is daarbij gehandhaafd en bepaald is dat deze zal worden voortgezet in een grenslogies. Op

27 augustus 2010 zijn eisers geplaatst in het Detentiecentrum (DTC) te Rotterdam.

Bij beroepschriften van 25 augustus 2010 hebben eisers beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Daarbij is tevens verzocht om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep inzake de vrijheidsontnemende maatregel behandeld ter openbare zitting van 1 september 2010. Eisers zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door mr. M.D. Gunster, werkzaam bij de IND. Ter zitting was ook aanwezig M.M. Gazina, tolk in de Russische taal. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken.

De gemachtigde van verweerder heeft op 3 september 2010 de gevraagde informatie verstrekt. Bij faxbericht van 6 september 2010 heeft de gemachtigde van eiser daarop een reactie ingediend. Bij brief van 14 september 2010 heeft de rechtbank meegedeeld dat de zaak zal worden verwezen naar een meervoudige kamer en dat een onderzoek ter plaatse zal worden gehouden op grond van artikel 8:50 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het DTC te Rotterdam.

Bij uitspraak van 17 september 2010 heeft deze rechtbank en zittingsplaats in de asielprocedure de verzoeken om een voorlopige voorziening toegewezen in die zin dat verweerder is verboden eisers uit te zetten totdat op de beroepen tegen de afwijzing van hun asielaanvragen is beslist. Op dezelfde datum heeft verweerder de ten aanzien van eisers toegepaste vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

Op 20 september 2010 heeft in aanwezigheid van de gemachtigde van eisers en

mr. M.A. Pruss, een onderzoek ter plaatse ex artikel 8:50 van de Awb plaatsgevonden in het DTC te Rotterdam. Bij de schouw en de nadien aldaar gehouden zitting waren tevens aanwezig:

[locatiedirecteur], locatiedirecteur DTC Rotterdam,

[pvv locatiedirecteur], plaatsvervangend locatiedirecteur DTC Rotterdam, en

[DT&V], Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V).

Aldaar is het onderzoek geschorst om verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken.

Verweerder heeft bij schrijven van 24 september 2010 nadere inlichtingen verstrekt. Eisers hebben bij schrijven van 27 september 2010 gereageerd. Partijen hebben toestemming verleend nadere behandeling van de beroepen ter zitting achterwege te laten. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

Standpunten van partijen

1. Eisers hebben het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Minderjarige vreemdelingen kunnen enkel in bewaring worden gesteld als de detentie strikt noodzakelijk is. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

Voorts dient detentie van minderjarige vreemdelingen zo kort mogelijk te duren en in ieder geval niet langer dan twee weken, zoals ook verwoord in de brief van 11 juni 2010 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer. In deze brief heeft verweerder toegezegd dat detentie van een gezin met minderjarige kinderen niet langer dan twee weken mag duren. Eisers hebben in totaal vijf weken in detentie verbleven en dat is, ook los van voormelde brief, te lang.

Voorts voldoet het DTC Rotterdam niet als verblijfplaats voor minderjarige vreemdelingen. Eisers ervaren het als een gevangenis. Er is continue bewaking, eisers kunnen zich niet vrijelijk bewegen en de buitenruimte is omgeven door een hoog hek en daarachter liggend een hoge muur. De door verweerder ondernomen pogingen om op minderjarigen gerichte (educatieve) activiteiten aan te bieden, maken dit niet anders. Bovendien was dit aanbod beperkt en overigens op de leeftijdscategorie van [eiser sub 2] onvoldoende toegespitst. Het verblijf in DTC Rotterdam heeft een nadelige invloed gehad op de kinderen.

Het DTC Rotterdam voldoet voorts niet omdat er onvoldoende toegang is tot rechtshulp.

2. Verweerder heeft het volgende - zakelijk weergegeven - aangevoerd.

Detentie van minderjarige vreemdelingen die de toegang tot Nederland en het Schengengebied is geweigerd, hoeft niet aan een noodzakelijkheidscriterium te voldoen.

De (voortgezette) toepassing van de maatregel was voorts ook rechtmatig. Het beleid ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen aan wie de toegang is geweigerd, is thans neergelegd in paragraaf C12/2.7 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Bij uitspraak van 18 mei 2010 (LJN: BM5550) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) nog geoordeeld dat de belangen van kinderen zijn betrokken bij de totstandkoming van dit beleid. De thans geldende termijn van veertien dagen gaat pas lopen op het moment dat eisers feitelijk verwijderbaar zijn.

Voorts voldoen de verblijfsomstandigheden in het DTC Rotterdam aan de daaraan gestelde eisen, ook ten aanzien van minderjarigen. De gestelde psychische schade bij de kinderen is op geen enkele wijze onderbouwd. Ook overigens is niet gebleken dat de detentieomstandigheden in het DTC Rotterdam ongeschikt zijn voor kinderen. De door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) in zijn arrest van 19 januari 2010 (Muskhadzhiyeva e.a. tegen België, LJN: BL9430) beschreven situatie in het Belgische detentiecentrum “127 bis” verschilt op essentiële punten van de situatie in het recent geopende DTC Rotterdam. Eisers verblijven in een speciaal daartoe ingerichte gezinsafdeling. Op die afdeling zijn er geen tralies, maar (veiligheids)glas. De afdeling is ruim opgezet. Zij bestaat uit geschakelde kamers met douche, toilet, wastafel, tv, koelkast en magnetron. Er is vrij toegang tot de tuin met daarin speeltoestellen, fietsjes en andere voorzieningen voor kinderen. Er is een gescheiden recreatieruimte voor kinderen en er is een activiteitenbegeleider die zorg draagt voor een zinvolle en educatieve dagbesteding. De afdeling is voorts uitgerust met kindermeubilair, kindervoeding en andere verzorgingsmiddelen. De psycho-medische zorg is eveneens geregeld. Zo is er binnen 24 uur een intake en is er een gespecialiseerde jeugdkinderzorgverpleegkundige aanwezig die bijdraagt aan de begeleiding van de kinderen. Verder draagt een psycho-medisch overleg onder voorzitterschap van een psycholoog (fulltime) zorg voor een goede communicatie en inzet van de verschillende zorgdisciplines.

De stelling dat de toegang tot rechtshulp onvoldoende is gewaarborgd is, tot slot, feitelijk onjuist. Dat eisers onvoldoende toegang hebben gehad tot rechtshulp is ook niet gebleken.

Wet- en regelgeving

3.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:

(…)

f. in het geval van rechtmatige arrestatie of detentie van een persoon teneinde hem te beletten op onrechtmatige wijze het land binnen te komen, of van een persoon waartegen een uitwijzings- of uitleveringsprocedure hangende is.

3.2. Ingevolge artikel 22, eerste lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) nemen de Staten die partij zijn passende maatregelen om te waarborgen dat een kind dat de vluchtelingenstatus wil verkrijgen, ongeacht of het al dan niet door zijn of haar ouders of door iemand anders wordt begeleid, passende bescherming en humanitaire bijstand krijgt bij het genot van de van toepassing zijnde rechten beschreven in dit Verdrag.

Ingevolge artikel 37, aanhef en onder b, van het IVRK waarborgen de Staten die partij zijn dat geen enkel kind op onwettige of willekeurige wijze van zijn of haar vrijheid wordt beroofd. De aanhouding, inhechtenisneming of gevangenneming van een kind geschiedt overeenkomstig de wet en wordt slechts gehanteerd als uiterste maatregel en voor de kortst mogelijke passende duur.

3.3. Verweerder is op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 bevoegd een vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd, een ruimte of plaats als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel aan te wijzen, waar hij zich dient op te houden.

3.4. Vanaf 1 juli 2010 is het beleid inzake grensdetentie van gezinnen met minderjarige kinderen neergelegd in paragraaf C12/2.7 van de Vc 2000. Daarin is – voor zover thans van belang – vermeld:

“Indien een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd aan een gezin met minderjarige kinderen geldt een maximale duur van twee weken. Indien de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, Vw is opgelegd en een asielaanvraag is ingediend, terwijl deze aanvraag binnen de algemene asielprocedure wordt afgedaan zal de vrijheidsontnemende maatregel kunnen worden toegepast gedurende de asielprocedure (…). De maatregel kan dan voortduren tot uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat het gezin verwijderbaar is geworden. Ingeval er om een voorlopige voorziening is verzocht, waarvan de behandeling in Nederland mag worden afgewacht, betekent dit dat de maatregel mag voortduren tot uiterlijk twee weken nadat de voorzieningenrechter van de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het verzoek.”

Overwegingen

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder de vrijheidsontnemende maatregelen na de indiening van de beroepen heeft opgeheven. De rechtbank moet derhalve thans nog beoordelen of er gronden zijn om schadevergoeding toe te kennen.

5. De gronden van beroep richten zich, met uitzondering van de grond die ziet op de toegang tot rechtshulp, tegen de detentie van de minderjarige kinderen.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eisers onvoldoende toegang hadden tot rechtshulp. De rechtbank zal derhalve, nu resterende gronden voor wat betreft de detentie van de ouders ontbreken en de rechtbank ook, waar geboden, ambtshalve geen grond ziet voor het oordeel dat de detentie van de ouders onrechtmatig is, het beroep van de ouders [eiser sub 3] en [eiser sub 1] ongegrond verklaren.

6. De rechtbank ziet - de rechtsgronden ambtshalve aanvullend - voorts aanleiding om het betoog van eisers dat de detentie strikt noodzakelijk dient te zijn, dat de detentie te lang heeft geduurd en dat de verblijfsomstandigheden in het DTC Rotterdam ongeschikt zijn voor minderjarige kinderen, te beoordelen in het licht van de vraag of hun detentie rechtmatig is als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f, van het EVRM.

7.1. Volgens jurisprudentie van het EHRM, onder meer in het arrest van 29 januari 2008 inzake Saadi (LJN: BC6246) is detentie voorafgaande aan het verkrijgen van toestemming van een staat tot binnenkomst toegestaan, indien en voor zover dit in overeenstemming is met het algemene doel van artikel 5 van het EVRM. Daarbij is noodzakelijkheid om een vreemdeling aan wie de toegang is geweigerd te detineren als zodanig geen vereiste.

7.2. Uit voormeld arrest volgt voorts dat de enkele omstandigheid dat de detentie in overeenstemming is met nationale wet- en regelgeving onvoldoende is om te oordelen dat deze in overeenstemming is met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f van het EVRM. Detentie mag daarnaast niet willekeurig geschieden. In rechtsoverweging 74 van het arrest Saadi noemt het EHRM vier criteria om te beoordelen of detentie van asielzoekers aan wie de toegang tot het grondgebied is geweigerd willekeurig is, te weten:

a. de detentie dient ‘te goeder trouw’ (‘in good faith’) te worden toegepast;

b. de detentie moet in nauw verband staan met het doel om ongeoorloofde binnenkomst te voorkomen;

c. de plaats en de verblijfsomstandigheden moeten passend zijn, in acht genomen dat de maatregel niet wordt toegepast op personen die strafbare feiten hebben begaan, maar op vreemdelingen die, vaak in vrees voor hun leven, vanuit hun land van herkomst zijn gevlucht; en

d. de duur van de detentie moet in redelijke verhouding staan tot het beoogde doel.

7.3. Uit het arrest van het EHRM van 19 januari 2010 (Muskhadzhiyeva e.a., r.o. 73 en 74, LJN: BL9430) volgt voorts dat indien sprake is van detentie van een minderjarige vreemdeling, de plaats en verblijfsomstandigheden dienen te zijn aangepast aan het verblijf van minderjarigen.

8.1. Voor wat betreft voornoemd aspect van het te goeder trouw toepassen van de detentie overweegt de rechtbank als volgt.

8.2. De rechtbank stelt vast dat verweerder de grensdetentie na de afwijzende asielbeschikkingen heeft voortgezet onder verwijzing naar het grensbewakingsbelang.

8.3. Niet in geschil is dat verweerder beschikt over alternatieven ten aanzien van het bewaken van het grensbelang. Zo kan verweerder besluiten om een vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen, waarbij de toegangsweigering gehandhaafd kan blijven.

Verweerder heeft desgevraagd niet kunnen aangeven of ten aanzien van eisers na de beslissing op de asielaanvraag specifiek is gekeken of van deze mogelijkheid gebruik kon worden gemaakt. Verweerder was daar, gelet op de leeftijd van [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] naar het oordeel van de rechtbank echter wel toe gehouden. De rechtbank brengt daarbij in herinnering dat verweerder op grond van de artikelen 22, eerste lid, en 37, aanhef en onder b, van het IVRK is gehouden om de nodige humanitaire bijstand te verlenen – waaruit naar het oordeel van de rechtbank een actieve rol van de overheid volgt – en is gehouden detentie slechts als uiterst middel te gebruiken.

8.4. Nu verweerder heeft volstaan met de enkele verwijzing naar het grensbewakingsbelang zonder specifiek te kijken naar de vraag of er, gelet op de leeftijd van de kinderen, aanleiding was om een alternatief toe te passen, is onvoldoende gebleken dat het voortduren van de detentie na de beslissing op de asielaanvraag in dat opzicht ‘te goeder trouw’ is geschied.

Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank overigens temeer nu verweerder in zijn brief van 11 juni 2010 aan de Tweede Kamer expliciet heeft gesteld dat met bewaring van gezinnen met minderjarige kinderen zeer terughoudend wordt omgegaan en ten bewijze daarvan heeft gewezen op de omstandigheid dat zich op de peildatum van 1 mei 2010 geen kinderen in het grenshospitium bevonden op basis van artikel 6 van de Vw 2000. Dat het onderwerp in deze brief, zoals verweerder ter zitting heeft gesteld, in afwachting van de vorming van een nieuwe regering controversieel is verklaard, maakt de inhoud van de brief niet anders.

9.1. Voor wat betreft voornoemd aspect van een passende plaats en passende verblijfomstandigheden geeft de rechtbank in het navolgende eerst een uitgebreide beschrijving van haar bevindingen opgedaan tijdens de schouw in het DTC Rotterdam.

9.2. De gezinsafdeling (Afdeling 2) waar eisers hebben verbleven, heeft een centrale hal van ongeveer 13 bij 25 meter en is omgeven door circa twintig deuren op de begane grond en eenzelfde aantal op een ring op de eerste verdieping. De ring is afgeschermd door een stalen leuning met spijlen. De hal is licht van kleur. De deuren, welke toegang geven tot de slaapkamers, zijn donkerbruin, voorzien van een stevig slot en bij sommige knippert continu een rood lampje. Midden in de hal staat een kolom met een touchscreen waarop men met een door de inrichting verstrekte pas boodschappen kan bestellen.

In de hal staan verder een tafeltennistafel en een tafelvoetbaltafel. Tevens staan er enkele banken en tafels. Tijdens de schouw zaten er volwassenen, waaronder een bewaker, aan deze tafels en speelden een gezelschapsspel.

9.3. In de centrale hal zijn continue een aantal geüniformeerde bewakers zichtbaar, zowel op de begane grond als op de ring van de eerste verdieping. De portofoon van de bewaker op de ring stond luid zodat communicatie via de portofoon over de gehele ruimte hoorbaar was. Ondanks de grote ruimte galmde dit geluid niet na.

9.4. De slaapkamers zijn allen identiek. Een slaapkamer meet ongeveer 14 vierkante meter. Er bevindt zich een raam dat niet geopend kan worden. Aan de onderkant kan wel een ventilatierooster worden geopend. Er hangen gordijnen bij het raam. In de slaapkamer staat een stapelbed, een ijzeren kast, een aan de muur vastgezette tafel met twee stoelen, een televisietoestel, een aan de muur opgehangen plank met een magnetron en een kleine koelkast onder de tafel. In de slaapkamer bevindt zich eveneens een deur welke toegang geeft tot een wasbak, WC en douche.

Vanuit de centrale hal is de toegangsdeur tot de slaapkamer te openen door de gebruiker van de slaapkamer en de bewaking. De gebruiker kan zich desgewenst aldus terugtrekken op zijn kamer zonder door medebewoners gestoord te worden.

Iedere slaapkamer kan via een binnendeur met een daarnaast gelegen slaapkamer geschakeld worden. Eisers hebben gedurende hun verblijf van die mogelijkheid gebruik gemaakt. De door eisers tijdens hun verblijf gebruikte slaapkamers bieden uitzicht op de buitenruimte (zie onder 9.7).

9.5. Aan de linkerachterzijde van de centrale hal bevindt zich een recreatieruimte welke ongeveer 36 m² beslaat. In deze ruimte staat een aanrecht met vier elektrische kookplaten, divers kookgerei, een lage tafel met twee zitbanken, een televisie en een boekenkast. In de boekenkast staan een aantal Nederlandse (kook)boeken. Indien men geen gebruik wil maken van door DTC Rotterdam aangeboden maaltijden, kan de ruimte worden gebruikt voor het koken van een eigen maaltijd. Iedere vreemdeling krijgt € 10,-- zakgeld per week om, onder meer, etenswaar te kunnen kopen.

9.6. Aan de linkervoorzijde van de hal bevindt zich een kamer welke is ingericht als speelkamer voor baby’s en kleine kinderen (hierna: speelkamer). Deze kamer beslaat ongeveer 40 m². In de speelkamer staat een televisie, een leren zitbank, een tafel met een paar stoelen, diverse houten kinderstoel- en tafeltjes als ook een houten kinderkookfornuis. Verder is er een ruim en in goede staat verkerend aanbod aan kinderspeelgoed voor de leeftijdscategorie tot ongeveer 5 jaar. In de linkerhoek van de speelkamer bevindt zich een deur naar een voorraadkast. In deze kast, welke niet vrij toegankelijk is voor de vreemdelingen, staan diverse verzorgingsartikelen als ook etenswaar en drinken voor baby’s en peuters. Op aanvraag zijn deze goederen beschikbaar. In de linkerhoek van de speelkamer bevindt zich tevens een deur welke toegang geeft tot twee kindertoiletjes.

9.7. Via de speelruimte kan de buitenruimte worden bereikt. De buitenruimte heeft de vorm van een rechthoek en meet ongeveer 250 m². De buitenruimte bestaat voor iets minder dan de helft uit stoeptegels en voor het overige uit gras. In het midden van de buitenruimte staat een afdak waaronder een picknicktafel is geplaatst. Onder het afdak staan tevens een aantal kinderfietsjes voor de leeftijd tot ongeveer 6 jaar. In de buitenruimte bevindt zich voorts een klimtoestel met glijbaan (ruim 1 meter hoog), twee kleine voetbaldoeltjes en een net geplante, jonge boom.

Aan één kant wordt de buitenruimte begrensd door het gebouw (de speelruimte en een aantal slaapkamers). Aan de andere drie kanten wordt de buitenruimte begrensd door een ijzeren hekwerk van ruim vier meter hoog. Dit hekwerk biedt aan twee zijden zicht op een strook grond van ongeveer 4 à 5 meter en daarachter een betonnen muur van ongeveer ruim vier meter hoog. Aan de de derde- en tevens linkerzijde van het hekwerk bevinden zich twee andere buitenruimtes. Deze buitenruimtes zijn bestemd voor vreemdelingen die op andere afdelingen zijn gedetineerd en worden eveneens begrensd door een hekwerk van ruim vier meter, met daarachter dezelfde strook grond en betonnen muur van ongeveer vier meter hoog. Tijdens de schouw bevonden zich in één van de andere buitenruimtes meerderjarige vrouwen.

Op het hekwerk als ook de muur van het gebouw zelf zijn een aantal beveiligingscamera’s geplaatst. Deze zijn gericht op de buitenruimtes. Over de gehele lengte van de betonnen muur is een aantal draden gespannen.

9.8. De recreatieruimte, de speelkamer, de buitenruimte en de slaapkamers zijn vrij toegankelijk tussen 08:15-12:15 uur, 12:45-16:45 uur en 17:30-21:00 uur.

Tussen 21:00-08:15 uur worden de vreemdelingen op de slaapkamer ingesloten. Dit is ook het geval tussen 12:15-12:45 uur en 16:45-17:30 in verband met het nuttigen van de maaltijd (het bewakingspersoneel heeft dan pauze). Indien gewenst kan de maaltijd ook (de rechtbank begrijpt: doch dan op een ander tijdstip) in de recreatieruimte worden genuttigd.

9.9.1. Iedere afdeling op DTC Rotterdam heeft een eigen, vast dagprogramma. Het dagprogramma van Afdeling 2 biedt aan de mannelijke en vrouwelijke bewoners de mogelijkheid om, gescheiden van elkaar, iedere week gebruik te maken van de in het detentiecentrum aanwezige fitnessruimte (2 x 1 uur), gymzaal (1 uur), bibliotheek (1 uur), multimediaruimte (1 uur), crea-ruimte (1,5 uur) en godsdienstruimte (1 uur). Indien gewenst kunnen de mannelijke en vrouwelijke bewoners daarbij hun minderjarige kinderen meenemen.

Daarnaast heeft DTC Rotterdam een aantal ruimtes speciaal bestemd voor (re)creatieve en educatieve activiteiten van minderjarigen. Dit betreft een creatieve ruimte (met name voor de leeftijdsgroep 4 tot 12 jaar), een (nog in te richten) computerruimte en een lesruimte.

Op DTC Rotterdam is een aantal activiteitenbegeleiders werkzaam, speciaal gericht op minderjarigen. Deze begeleiders hebben allen een sociaal-pedagogische achtergrond.

9.9.2. Gedurende het 22 dagen tellende verblijf van eisers in DTC Rotterdam - het detentiecentrum is per juli 2010 in gebruik genomen en niet alle onder 9.9.1. genoemde ruimtes waren tijdens het verblijf van eisers operationeel - hebben [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] volgens de opgave van verweerder van de volgende aangeboden activiteiten gebruik kunnen maken:

- 6 x 60 minuten multimediaruimte (onder andere de mogelijkheid tot aanvragen favoriete muziek en beeld via YouTube en behendigheidsspellen op Nintendo Wii);

- 6 x 90 minuten crea-ruimte (creatieve vormingsactiviteiten naar keuze: muziek maken, schilderen, handvaardigheid, handwerken);

- 6 x 60 minuten bibliotheek (lezen en lenen van (kinder-)boeken in onder andere de Russische en Engelse taal als ook kranten en tijdschriften (zo nodig via internet);

- 6 x 60 minuten zaalsport (dit geldt ook voor de ouders, waarbij [eiser sub 2] de mogelijkheid had om met haar moeder deel te nemen aan de zaalsport);

- wekelijks kerkdiensten en gespreksgroepen;

- gedurende alle uren recreatie: koken.

Indien aan voornoemde activiteiten werd deelgenomen, konden [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] gebruik maken van hulp van een activiteitenbegeleider.

Daarnaast zijn voor de kinderen diverse spelmaterialen naar Afdeling 2 gebracht (o.a. ballen, frisbees, strandbadminton, softtennis) en heeft een activiteitenbegeleider éénmaal met [eiser sub 4] een uur gevoetbald in de buitenruimte.

9.10. Vreemdelingen kunnen zich niet vrijelijk bewegen van en naar de onder 9.9.1 genoemde ruimtes. Een geüniformeerd bewaker begeleidt de vreemdeling naar deze ruimtes. Om van Afdeling 2 naar deze ruimtes te komen, dienen standaard een aantal deuren door de bewaker te worden ontgrendeld. Om de multimediaruimte, crea-ruimte en de bibliotheek te bereiken dient daarbij tevens een lange gang te worden gepasseerd. Deze gang biedt via glazen panelen uitzicht op een aantal buitenruimtes. Deze buitenruimtes worden op eenzelfde wijze begrensd en beveiligd als de buitenruimte waarvan eisers gebruik hebben gemaakt. Tijdens de schouw werden deze ruimtes gebruikt door meerderjarige mannen.

10.1. Uit voornoemde bevindingen volgt dat verweerder een divers aanbod aan (re)creatieve en educatieve activiteiten voor minderjarige vreemdelingen heeft gerealiseerd en tracht te realiseren. Zo heeft verweerder in aanvulling op de schouw en het overgelegde dagprogramma aangegeven dat minderjarigen ook van de onder het algemene dagprogramma vallende ruimtes gebruik kunnen maken indien deze niet reeds gebruikt worden door vreemdelingen van andere afdelingen. De rechtbank begrijpt voorts dat de speciaal voor kinderen bedoelde crea-, les- en computerruimte niet door vreemdelingen van andere afdelingen gebruikt kunnen worden zodat kinderen daar, indien gewenst, grote delen van de dag kunnen doorbrengen.

Anderzijds blijkt uit de onder 9.9.2. beschreven bevindingen dat [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] tijdens hun verblijf slechts in beperkte mate van de geboden mogelijkheden gebruik hebben gemaakt of kunnen maken.

10.2. Uit voornoemde bevindingen volgt voorts dat de gebouwelijke situatie van, en de verblijfsomstandigheden in, het DTC Rotterdam, ondanks de aandacht die bij de bouw en inrichting is besteed aan een leefbare omgeving, onmiskenbaar penitentiaire elementen in zich draagt. Zo is geüniformeerd bewakingspersoneel voortdurend zichtbaar en worden vreemdelingen, indien zij in de, naar het oordeel van de rechtbank relatief kleine, buitenruimte verblijven voortdurend geconfronteerd met op hen gerichte beveiligingscamera’s alsmede een hoog ijzeren hek en een betonnen muur. Deze confrontatie vindt ook plaats indien men vanuit een binnenruimte naar buiten kijkt. Om aan een activiteit deel te kunnen nemen dient bewakingspersoneel mee te lopen waarbij steevast deuren ontgrendeld dienen te worden. Voorts worden de vreemdelingen overdag twee keer op de eigen slaapkamer ingesloten om de maaltijd te nuttigen.

De rechtbank stelt vast dat niet is betwist dat [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] zich tijdens hun verblijf bewust zijn geweest van deze penitentiaire elementen.

11. Naar het oordeel van de rechtbank kan, mede gelet op het onder 9.9.1 genoemde aanbod aan activiteiten, niet gezegd worden dat de penitentiaire elementen dusdanig zijn dat reeds daardoor DTC Rotterdam als verblijfplaats voor minderjarige kinderen op voorhand ongeschikt is te achten. Wel dient, gelet op de penitentiaire elementen, het verblijf tot een zo kort mogelijke periode beperkt te blijven en dient deze periode, nu het minderjarigen betreft, in duur ook voorzienbaar te zijn. De rechtbank ziet aanleiding om in dit verband aansluiting te zoeken bij de door verweerder in paragraaf C12/2.7 van de Vc 2000, ten aanzien van gezinnen met minderjarige kinderen die geen asielprocedure hebben lopen, gehanteerde duur van maximaal twee weken.

12.1. De rechtbank stelt vast dat er ten aanzien van [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] geen sprake is geweest van een korte, en in duur voorzienbare periode als hiervoor bedoeld. Zij hebben immers meer dan twee weken in DTC Rotterdam verbleven. Voorts was het voor hen ongewis hoe lang het verblijf in DTC Rotterdam zou duren. Als gevolg van het door verweerder gehanteerde beleid in C12/2.7 van de Vc 2000 was een einddatum van de detentie immers mede afhankelijk geworden van het op een nog onbekende datum behandelen van- en uitspraak doen op de door eisers verzochte voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de asielaanvragen.

12.2. Dat de duur van het verblijf in DTC Rotterdam ongewis was, klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu verweerder zich bij de beslissing tot het laten voortduren van de detentie in DTC Rotterdam niet heeft beraden over de vraag op wat voor wijze aan de specifieke educatieve en recreatieve noden van de minderjarige kinderen gedurende dat verdere verblijf tegemoet kon worden gekomen.

Conclusie ten aanzien van artikel 5, eerste lid aanhef en onder f van het EVRM

13. Gelet op het ontbreken van goede trouw bij de beslissing tot voortzetting van de detentie van [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] in DTC Rotterdam, het op dat moment ontbreken van een duidelijke einddatum van de detentie als ook het feit dat de detentie uiteindelijk meer dan twee weken heeft geduurd in omstandigheden als onder rechtsoverwegingen 9.1 tot en met 9.10 weergegeven, maakt, gelet op de door eisers geformuleerde beroepsgronden, dat voortzetting van de detentie in DTC Rotterdam als willekeurig dient te worden beoordeeld.

14. Hieruit volgt dat de toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel vanaf het moment dat de kinderen zijn overgeplaatst naar het DTC Rotterdam, derhalve vanaf 27 augustus 2010, in strijd is geweest met artikel 5, eerste lid, aanhef en onder f van het EVRM.

De rechtbank zal de beroepen van de kinderen [eiser sub 2], [eiser sub 4] en [eiser sub 5] dan ook gegrond verklaren.

15. De rechtbank ziet in het vorenstaande aanleiding eisers ten laste van de Staat der Nederlanden een vergoeding als bedoeld in artikel 106 van de Vw 2000 toe te kennen en wel tot een bedrag van € 50,-- per dag dat de kinderen in het DTC te Rotterdam ten onrechte aan de vrijheidsontnemende maatregel onderworpen zijn geweest, derhalve in totaal € 3150,--.

16. Gelet op het voorgaande is er aanleiding om verweerder als in het ongelijk gestelde partij te veroordelen in de kosten die eisers in verband met de behandeling van de beroepen bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vastgesteld op € 1092,50,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting; waarde per punt € 437,--, wegingsfactor 1). De beroepen van eisers zijn samenhangende zaken en worden beschouwd als één zaak als bedoeld in artikel 3 van het Bpb.

Beslissing

De rechtbank

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 10/29875,

- verklaart het beroep ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 10/29879,

- verklaart het beroep gegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer AWB 10/29876,

- verklaart het beroep ongegrond voor zover dit ziet op [eiser sub 3];

- verklaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op [eiser sub 4] en [eiser sub 5];

In alle zaken:

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot vergoeding van de schade, groot € 3150,-- (zegge: drieduizend honderdvijftig euro), te betalen aan eisers;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag groot € 1092,50 (zegge: duizend tweeënnegentig euro en vijftig cent), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, voorzitter, en mrs. R.A. Sipkens en

M.M. Verberne, in tegenwoordigheid van mr. J.B.C. van der Veer en H.C. Hagen, griffiers, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2010

De griffier, De voorzitter,

Afschrift verzonden op:

Conc.: JV

Coll:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open op de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt één week. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.