Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO7181

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
15-12-2010
Zaaknummer
AWB 08/12942
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 15c Dri; artikel 3 EVRM, Afghanistan; Kabul

Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt, zoals de Afdeling bij uitspraak van 12 maart 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BL8114, heeft overwogen, dat er in Afghanistan sprake is van een verslechterde algemene veiligheidssituatie, een toename van het aantal veiligheidsincidenten met conflictgerelateerde slachtoffers en verspreiding van het conflict naar voorheen stabiel gebieden, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het gestelde gewapend conflict ten tijde van het bestreden besluit dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat die situatie in Afghanistan zich nog steeds voordoet. Een situatie die vergelijkbaar is met een (burger)oorlog, deed zich in Kabul bij de sluiting van het onderzoek ter zitting niet voor. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat in Kabul sprake is een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummer: AWB 08/12942 BEPTDN

V-nr: [ ]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum] 1972, van Afghaanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. E. Arslan, advocaat te Amsterdam,

en:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Belevska, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst van het Ministerie van Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2008 heeft verweerder de aanvraag van eiser van 10 maart 2006 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de

Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 10 april 2008 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 september 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting als tolk aanwezig W. Payanda.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiser beschikt niet over documenten en stelt afkomstig te zijn uit Kabul. Eiser heeft Afghanistan verlaten omdat hij vreest voor wraak van de Mujaheddin na een mislukte afpersingspoging alsmede uit vrees voor de Taliban. De Taliban zochten de vader van eiser, die destijds actief was in de takiakhana, een shi’itisch gebedshuis waar eiser en zijn broer ook actief waren. Daarnaast is de dochter van eiser ziek, zij behoeft medische zorg die zij niet in Afghanistan kan krijgen. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste en tweede lid, aanhef en onder c en/of f, van de Vw 2000.

2.1 Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit, kan - voor zover hier van belang - een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen;

c. van wie naar het oordeel van verweerder op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst; d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van verweerder van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

2.2 Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder c, van genoemd artikel wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding, tenzij hij zich onverwijld onder opgave van de plaats waar of waarlangs hij Nederland is binnengekomen heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst. Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder f, van genoemd artikel wordt mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.3. Volgens paragraaf C14/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) moet, indien zich een van de gevallen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 voordoet, van het asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: de Afdeling) mogen in het relaas dan geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen.

3.1 Verweerder heeft bij zijn besluit betrokken dat eiser niet beschikt over een voor toegang tot Nederland vereist document voor grensoverschrijding en dat hij zich evenmin onverwijld heeft vervoegd bij een ambtenaar, belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenst.

3.2 Eiser stelt dat hij zich tijdig heeft gemeld maar dat hij eerst later in de gelegenheid is gesteld de asielaanvraag in te dienen en dat hij bij de aanvraag een taskera, een document dat blijkens de verklaring van de Koninklijke Marechaussee een authentiek document betreft, heeft overgelegd.

3.3 Eiser heeft zijn stelling dat hij zich tijdig heeft gemeld niet geconcretiseerd. Nu zijn echtgenote zich wel tijdig heeft aangemeld ter indiening van een asielaanvraag, is niet in te zien waarom eiser zich niet eerder had kunnen melden. Voorts heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat een laissez-passer geen document is als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder c en dat de door eiser overgelegde taskera niet de persoon van eiser betreft, hetgeen eiser in beroep niet heeft bestreden. Nu eiser geen ander document voor grensoverschrijding heeft overgelegd, is er geen grond voor het oordeel dat verweerder het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 niet bij het onderzoek naar de aanvraag had mogen betrekken.

4.1 Voorts werpt verweerder eiser tegen dat hij geen reis- of identiteitspapieren heeft overgelegd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Eiser is meer dan vier jaar onderweg geweest vanaf zijn vertrek uit Afghanistan, zodat verwacht mag worden dat eiser enige documenten ter staving van deze reis kan overleggen. Eiser heeft geen identiteitspapieren en niet aannemelijk gemaakt dat het ontbreken van documenten hem niet is toe te rekenen, aldus verweerder. Eiser heeft dit standpunt in beroep niet bestreden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder in redelijkheid artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 aan eiser heeft kunnen tegenwerpen. Gelet hierop moet van het relaas een positieve overtuigingskracht uitgaan.

5.1 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het relaas van eiser positieve overtuigingskracht ontbeert. Gezien de vele tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiser zelf en de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van eiser en die van zijn echtgenote, worden deze verklaringen en daarmee het gehele relaas van eiser ongeloofwaardig geacht. Het beroep op paragraaf 43 van het UNHCR-Handbook kan niet slagen, nu niet aannemelijk is gemaakt dat eiser noch naasten van eiser in de negatieve belangstelling van de Taliban en de Mujahedin hebben gestaan.

6.1 Eiser stelt dat zijn problemen dezelfde zijn als die van zijn vader. Nu zijn vader een verblijfsvergunning asiel is verleend en zijn relaas dus geloofwaardig is geacht, kan het standpunt van verweerder ten aanzien van eisers geloofwaardigheid geen stand houden.

Eiser handhaaft zijn beroep op paragraaf 43 van het Handbook nu aan zijn vader en broer op basis van vergelijkbare problemen in Nederland verblijfsvergunningen asiel zijn verleend en andere familieleden in Nederland en andere landen zijn toegelaten als vluchteling.

6.2 Verweerder volgt dit standpunt niet, omdat eiser stelt te zijn gevlucht vanwege afpersingen door de Taliban en de Mujaheddin terwijl dit geen onderdeel van het asielrelaas van de vader betrof. Bovendien zijn de verklaringen van eiser over de afpersing, het tijdstip van vertrek uit Afghanistan en het verkrijgen van het benodigde geld voor de uitreis ongeloofwaardig geacht door verweerder. Tenslotte heeft de vader van eiser een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c Vw gekregen wegens de moord op zijn vrouw door de Taliban, destijds de autoriteit in Afghanistan. Er is dus geen gelijkluidend asielrelaas.

6.3 De rechtbank is van oordeel dat verweerder hiermee deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de problemen van eiser niet dezelfde zijn als die van zijn vader. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7.1 Het bestreden besluit dateert van 18 maart 2008. Eiser stelt dat inmiddels in Afghanistan sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15c van de Definitierichtlijn. Uit de door eiser overgelegde rapporten, te weten het VN-rapport van 28 december 2009, de UNHCR-guidelines van 1 juli 2009, het UNAMA-rapport van januari 2010, het rapport van Human Rights Watch van 20 januari 2010, het rapport van de VN Veiligheidsraad van 16 juni 2010, het rapport van ANSO van 30 juni 2010 blijkt dat de veiligheidssituatie in Afghanistan verslechtert en blijkt ook dat de situatie slechter is dan weergegeven in het ambtsbericht van juli 2010. Tot slot stelt eiser met verwijzing naar krantenberichten dat het aantal burgerdoden in Afghanistan met 30 procent is gestegen. Eiser stelt dat ten tijde van het besluit in Afghanistan sprake was van een binnenlands gewapend conflict als bedoeld in dit artikel.

7.2 Verweerder is van oordeel dat het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn niet kan slagen. Uit de door eiser overgelegde stukken kan niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het door hem gestelde gewapende conflict in Kabul dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn bedoeld ernstig schade. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraken van de Afdeling van 12 juli 2010, zaaknr. 200803914, 26 april 2010 (te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BM5534) en 22 februari 2010 zaaknr. 200910004.

7.3 Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000, houdt de rechtbank bij de beoordeling van een beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.

7.4 Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt, zoals de Afdeling bij uitspraak van 12 maart 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BL8114, heeft overwogen, dat er in Afghanistan sprake is van een verslechterde algemene veiligheidssituatie, een toename van het aantal veiligheidsincidenten met conflictgerelateerde slachtoffers en verspreiding van het conflict naar voorheen stabiel gebieden, maar kan daaruit niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in het kader van het gestelde gewapend conflict ten tijde van het bestreden besluit dermate hoog was dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op ernstige schade. De rechtbank is van oordeel dat die situatie in Afghanistan zich nog steeds voordoet. Een situatie die vergelijkbaar is met een (burger)oorlog, deed zich in Kabul bij de sluiting van het onderzoek ter zitting niet voor. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor het oordeel dat in Kabul sprake is een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c van de Definitierichtlijn. Deze beroepsgrond slaagt niet.

8.1 Eiser stelt zich voorts, met verwijzing naar verschillende rapporten, op het standpunt dat een beleid van categoriale bescherming voor Afghanistan is geïndiceerd.

8.2 Verweerder stelt dat aan de minister van Justitie een ruime mate van beoordelingsvrijheid toekomt op dit punt en dat verweerder in redelijkheid doorslaggevende betekenis heeft kunnen toekennen aan de afstemming van zijn beleid met het door omringende landen van de Europese Unie gevoerde beleid. Verweerder heeft terzake verwezen naar de uitspraken van de Afdeling van 17 augustus 2010, te vinden op www.rechtspraak.nl onder LJ-nummer BN4820, waarin de Afdeling onder meer heeft overwogen dat verweerder niet gehouden is te motiveren welk gewicht hij aan de verschillende in het beleid op dit punt vervatte indicatoren heeft gegeven.

8.3 Gelet op de beoordelingsvrijheid van verweerder kan de rechtbank het standpunt van verweerder hierover slechts met terughoudendheid beoordelen. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten zijn beleid af te stemmen op dat van omringende landen van de Europese Unie en op die grond in redelijkheid niet zou hebben mogen besluiten af te zien van het voeren van een beleid van categoriale bescherming voor (delen van) Afghanistan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

9. Het beroep is ongegrond. De rechtbank is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. Y.A.A.G. de Vries, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. E.T.P. Scheers, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.

De griffier De rechter

is niet in staat deze uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden op:

Conc.: ES

Coll.: B.

D: B

VK

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). De termijn voor het instellen van hoger beroep bedraagt vier weken. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.