Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6785

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
347369 - HA ZA 09-3056
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ministerie van Justitie; OM; onrechtmatige vervolging: gebleken onschuld en media; onrechtmatig beslag; onrechtmatige doorgifte informatie (FIOD): verjaring.

Vorderingen tot schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen door de Staat door strafrechtelijk optreden vanaf 2000. Eiser stelt dat op basis van de enkele verdenking van valsheid in geschrifte het gebruik van dwangmiddelen en andere aan de dag gelegde activiteiten niet gerechtvaardigd is en daarom onrechtmatig. Deel van de vorderingen is verjaard. Eiser heeft onvoldoende gesteld om aannemelijk te maken dat brief met stuiting van de verjaring is verstuurd. Overige vorderingen worden afgewezen omdat eiser onvoldoende heeft gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 347369 / HA ZA 09-3056

Vonnis van 24 november 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. C. van Tongeren te Bergen op Zoom,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN JUSTITIE),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. drs. R.W. Veldhuis te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna [eiser] en de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding van 24 augustus 2009;

-de conclusie van antwoord, van 30 december 2009;

-het tussenvonnis van 13 januari 2010, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen;

-de brief van 3 augustus 2010 van de griffier van de rechtbank aan de beide advocaten, waarbij is gevoegd het verzoek van de rechtbank aan de advocaat van [eiser] om nadere schriftelijke informatie;

-de brieven van 2 en van 10 september 2010, waarbij de advocaat van [eiser] als reactie op dat verzoek drie sets schriftelijke stukken aan de rechtbank heeft toegezonden;

-het proces-verbaal van comparitie van 21 september 2010, waaraan drie schriftelijke stukken zijn gehecht, te weten twee van de zijde van [eiser] en één van de zijde van de Staat, en waarin verder melding is gemaakt van de overlegging van schriftelijke aantekeningen van de advocaat van [eiser] en van een pleitnota van de advocaat van de Staat.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.[eiser] is directeur (geweest) of op andere wijze nauw betrokken (geweest) bij enkele naamloze vennootschappen naar het recht van de Nederlandse Antillen, te weten Eurolease International NV, Transworld Management Trust NV (hierna: TWM) en Flying Dutchman NV (hierna: Dutchman).

2.2.Eind 2000 heeft het openbaar ministerie (OM), orgaan van de Staat, een strafvervolging ingezet tegen TWM en tegen [eiser] op grond van de verdenking dat zij zich hadden schuldig gemaakt aan diverse misdrijven. Deze zijn nader aangeduid als valsheid in geschrifte, het helen van uit misdrijf verkregen gelden en (kort gezegd) belastingfraude. In het kader van deze strafvervolging heeft de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam een gerechtelijk vooronderzoek tegen TWM en [eiser] gelast. In het kader van dit onderzoek hebben op 31 oktober 2000 doorzoekingen plaatsgevonden in Bergen op Zoom en - op verzoek van de rechter-commissaris en de officier van justitie - tevens te Curaçao. Hierbij zijn bescheiden in beslag genomen. Op diezelfde dag, 31 oktober 2000, is [eiser] als verdachte aangehouden en in verzekering gesteld. Hij is op 3 november 2000 voorgeleid aan de rechter-commissaris. Deze heeft de inverzekeringstelling rechtmatig geoordeeld. [eiser] is op 4 november 2000 in vrijheid gesteld.

2.3.Aan de strafvervolging tegen TWM en tegen [eiser] is bekendheid gegeven. In diverse media zijn hierover berichten verschenen. Deze berichten zijn, in elk geval ten dele en in elk geval gedurende een ruim aantal jaren, op het internet te zien geweest. TWM en [eiser] hebben door deze publiciteit schade geleden.

2.4.Op of rond 12 juli 2001 heeft de Staat in beslag genomen administratieve bescheiden aan [eiser] teruggegeven. Bij brief van 8 augustus 2001 heeft [eiser] in verband hiermee aan het landelijk parket, onderdeel van het OM, het volgende bericht:

"Nu op alle stukken in bovengenoemde zaak zijn teruggegeven wil ik deze naar Curaçao - waar zij thuishoren - verzenden. Ik ben evenwel van mening dat de stukken, die op Curaçao in beslag genomen zijn en in Nederland teruggegeven werden, voor uw rekening naar Curaçao terug moeten."

2.5.Bij brieven van 22 december 2000 en van 13 december 2001 heeft de belastingdienst TWM geïnformeerd over zijn besluit om de bevoegde autoriteiten in respectievelijk Duitsland en België informatie te verstrekken.

2.6.Bij beschikkingen van 24 december 2001 heeft de rechter-commissaris het gerechtelijk vooronderzoek tegen [eiser] en TWM gesloten. De strafzaak tegen [eiser] heeft geleid tot een vonnis van 3 maart 2004 van de rechtbank Rotterdam, waarbij [eiser] schuldig is verklaard aan - kort gezegd - medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd, valsheid in geschrifte en medeplegen van schuldheling, meermalen gepleegd. Hij is veroordeeld tot een geldboete en een voorwaardelijke gevangenisstraf. Ter zake van de verdenking voor andere strafbare feiten heeft de rechtbank Rotterdam hem vrijgesproken. In hoger beroep heeft het gerechtshof 's-Gravenhage, bij arrest van 28 juni 2006, oordelend over de feiten die de rechtbank bewezen had geoordeeld, in overeenstemming met de vordering van de advocaat-generaal, [eiser] op alle punten vrijgesproken, behalve ten aanzien van één van de hem verweten feiten, te weten - kort gezegd - medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd. Met toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht heeft het gerechtshof [eiser] geen straf opgelegd.

2.7.Op 1 september 2005 heeft de rechtbank Rotterdam verklaard dat de zaak tegen TWM als verdachte is geëindigd.

2.8.Onder meer bij brief van 30 augustus 2006 heeft [eiser] de Staat, mede namens TWM, aansprakelijk gesteld voor de geleden en de te lijden schade. Tevens heeft hij alle nog in het bezit van het OM en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst ("FIOD") zijnde originele documenten en kopieën teruggevorderd.

2.9.Bij brief van 19 augustus 2008 heeft de gemachtigde van [eiser] de Staat onder meer namens [eiser], TWM en Dutchman aansprakelijk gesteld voor de geleden materiële en immateriële schade. In deze brief wordt verwezen naar een akte van cessie van 6 maart 2008 waarbij TWM en Dutchman hun rechten tot schadevergoeding, onder een aantal voorwaarden, hebben gecedeerd aan [eiser]. Bij brief van 30 september 2008 heeft de Staat de aansprakelijkheid afgewezen.

3.Het geschil

3.1.[eiser] vordert - samengevat - de veroordeling van de Staat om aan [eiser] te voldoen alle materiële en immateriële schade, nader op te maken bij staat en vermeerderd met wettelijke rente, die [eiser], TWM en Dutchman geleden hebben en nog zullen lijden als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Staat.

3.2.[eiser] legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. De Staat heeft vanaf 2000 onrechtmatig gehandeld door strafrechtelijk optreden, te weten (i) vier dagen voorarrest voor [eiser], (ii) de inbeslagneming van ruim 400 dossiers van cliënten en het niet teruggeven van deze dossiers, (iii) het doorspelen van informatie met betrekking tot bedoelde cliënten aan fiscale autoriteiten in België en Duitsland en (iv) publicaties over het strafrechtelijk optreden, terwijl voor de Staat al vanaf 1992 duidelijk moest zijn dat [eiser] niet betrokken kon zijn (geweest) bij het witwassen van uit misdrijf afkomstige gelden. Op basis van de enkele verdenking van valsheid in geschrifte waren en zijn het gebruik van dwangmiddelen en andere aan de dag gelegde activiteiten niet gerechtvaardigd en daarom was dit gebruik onrechtmatig.

3.3.De Staat voert verweer.

3.4.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.De rechtbank stelt voorop dat de Staat de akte van cessie van 6 maart 2008 en de hierop gebaseerde bevoegdheid van [eiser] om namens TWM en Dutchman de vorderingen in te stellen, niet heeft betwist, zodat de rechtbank van de rechtsgeldigheid hiervan uitgaat.

4.2.De Staat beroept zich onder meer op verjaring van de vordering van [eiser]. [eiser] stelt in het algemeen dat de Staat, door voor het eerst op 30 december 2009 dit verweer te voeren, nadat hijzelf inmiddels hoge kosten had gemaakt, dit te laat heeft gedaan. Hij acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid indien de Staat zich op dit late tijdstip alsnog op verjaring zou mogen beroepen. Volgens hem dient de Staat op zijn minst aan te bieden de door hem gemaakte kosten te vergoeden. De rechtbank volgt [eiser] niet in zijn betoog. Tussen de brief van [eiser] in augustus 2006, die volgens de Staat na het verstrijken van de verjaringstermijn is geschreven, en het moment in 2009 waarop de Staat zich op verjaring beroept, is niet een zodanige tijd verstreken dat het beroep op verjaring daardoor in strijd met de redelijkheid en billijkheid is. Daarvoor is meer vereist dan het enkele tijdsverloop van enkele jaren. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat [eiser] onvoldoende heeft toegelicht welke schade hij heeft geleden ten gevolge van het beroep op verjaring in 2009. Hij heeft dit beroep van de Staat immers bestreden en zijn vorderingen uit onrechtmatige daad gehandhaafd, waardoor het voor de rechtbank niet duidelijk is geworden welke kosten [eiser] zich had kunnen besparen indien de Staat zijn verjaringsverweer eerder had gevoerd. De rechtbank gaat dan ook aan dit algemene betoog van [eiser] voorbij.

4.3.De vordering van [eiser] bestaat uit vier onderdelen, die de rechtbank achtereenvolgens zal behandelen. Per onderdeel komt daarbij ook het verjaringsverweer van de Staat aan de orde.

Schade als gevolg van bewaring

4.4.De Staat beroept zich allereerst op de verjaring van de vordering tot schadevergoeding in verband met de inverzekeringstelling.

4.5.Op grond van artikel 3:310 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) verjaart een vordering tot schadevergoeding door het verloop van vijf jaren na de dag waarop de benadeelde met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De termijn begint te lopen op de dag na die waarop de benadeelde in staat is een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

4.6.De door [eiser] gestelde schade is hem bekend vanaf het moment dat de bewaring een aanvang nam, op 31 oktober 2000. Na de beëindiging van de bewaring op 4 november 2000, heeft [eiser], anders dan hij stelt, op dit punt geen schade meer geleden. Het verweer van [eiser] dat hij pas bekend werd met de schade op het moment dat het gerechtshof in hoger beroep hem van, op één na, alle tenlastegelegde punten had vrijgesproken, omdat hij tot dat moment ervan moest uitgaan dat er geen sprake was van onrechtmatig handelen, slaagt niet. Beslissend voor de aanvang van de verjaringstermijn is niet bekendheid met de juridische beoordeling van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, maar bekendheid met de schade. Deze algemene regel geldt tevens in geval van een vordering wegens een onrechtmatig strafvorderlijk optreden.

4.7.Ook de in de ogen van [eiser] aansprakelijke persoon, de Staat, was aan [eiser] bekend vanaf het moment dat de bewaring een aanvang nam, nu een orgaan van de Staat de bewaring heeft gelast. Het voorgaande betekent dat de verjaringstermijn uiterlijk op 4 november 2000 is begonnen en dat deze derhalve liep tot 4 november 2005, tenzij gestuit door [eiser].

4.8.De Staat erkent dat [eiser] hem voor dit gedeelte van de vordering in ieder geval bij brief van 30 augustus 2006 aansprakelijk heeft gesteld. [eiser] beroept zich verder op een gefaxte brief van 25 januari 2002 en op een brief van 27 januari 2002, verstuurd met bericht van ontvangst, waarin hij de verjaring van de vordering heeft gestuit. De Staat erkent de ontvangst van de brief van 25 januari 2002, maar ontkent dat deze als een stuitinghandeling moet worden gezien. De Staat ontkent de ontvangst van de gestelde brief van 27 januari 2002.

4.9.Voor stuiting van de verjaring door een schriftelijke mededeling is nodig dat de schuldeiser zich in de mededeling ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt. Dit moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitinghandeling van deze aard: het moet gaan om een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij ook na het verstrijken van de verjaringstermijn rekening ermee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijk alsnog in te stellen rechtsvordering behoorlijk kan verweren. In de brief van 25 januari 2002 wordt slechts de algemene opmerking gemaakt dat [eiser] enorme schade lijdt ten gevolge van het handelen van de FIOD. Deze enkele, algemene, opmerking, gevoegd bij de overige inhoud van de brief, die als een bezwaarschrift wordt geduid en waarin het woord schade of schadevergoeding niet voorkomt, maakt niet dat de brief als een stuitingshandeling in de zin van de wet kan worden beschouwd voor de vergoeding van schade die [eiser] thans vordert. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat de verjaringstermijn met de brief van 25 januari 2002 niet is gestuit.

4.10.Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer: 16 oktober 1998, NJ 1998, 897) dient de afzender van een aangetekende brief de verzending naar het juiste adres te bewijzen en bovendien de (tijdige) correcte aanbieding aan de geadresseerde aannemelijk te maken. [eiser] stelt dat hij de tweede brief, van 27 januari 2002, op 28 januari 2002 aangetekend heeft verstuurd. Hij heeft een kopie van een bericht van ontvangst overgelegd, maar uit deze kopie blijkt de datum van de onderliggende brief niet. Wel blijkt uit dit bericht van ontvangst dat de verstuurde brief op 30 januari 2002 door het landelijk parket is ontvangen. De Staat stelt dat hij in zijn archieven heeft gezocht, maar de brief van 27 januari 2002 niet heeft gevonden. Hij heeft wel de brief gedateerd 25 januari 2002 van [eiser] ontvangen en een afschrift daarvan in deze procedure overgelegd. Op deze overgelegde kopie, waarvan de rechtbank concludeert dat het geen faxkopie is, is met een stempel de ontvangst op 30 januari 2002 bevestigd. De Staat houdt het er dan ook op dat hij de brief van 27 januari 2002 nooit heeft ontvangen, maar dat het bewijs van ontvangst dat door [eiser] is overgelegd, bij de brief van 25 januari 2002 hoort.

4.11.De rechtbank is van oordeel dat [eiser] tegenover het gemotiveerde verweer van de Staat dat deze de brief niet heeft ontvangen, onvoldoende heeft gesteld ter toelichting op zijn stelling dat hij de brief aan de Staat aangetekend heeft verstuurd. [eiser] heeft slechts één bewijs van een aangetekende verzending en de Staat stelt slechts één aangetekende brief te hebben ontvangen, met als datum 25 januari 2002 en met daarop vermeld als datum van ontvangst 30 januari 2002. Dit komt overeen met het bewijs van ontvangst van [eiser]. Bovendien is de door de Staat overgelegde kopie duidelijk geen faxkopie, terwijl [eiser] stelt deze brief per telefax te hebben verstuurd. Nu [eiser] verder niets heeft gesteld ter toelichting op zijn stelling dat hij de brief van 27 januari 2002 heeft verstuurd, gaat de rechtbank aan deze stelling voorbij en ziet zij tevens geen aanleiding om [eiser] nog toe te laten tot enig bewijs op dit punt. Zij concludeert dat het ervoor moet worden gehouden dat de Staat de brief van 27 januari 2002 niet heeft ontvangen. Hieruit en uit het oordeel dat (i) het hier besproken deel van de vordering met de brief van 25 januari 2002 niet is gestuit en (ii) de verjaringtermijn op 4 november 2005 afliep, volgt dat dit deel van de vordering dus is verjaard. De brief van 30 augustus 2006 dateert van ná het verstrijken van de verjaringstermijn.

4.12.Geheel ten overvloede merkt de rechtbank op dat [eiser] ook overigens onvoldoende heeft gesteld om een onrechtmatig handelen van de Staat in relatie tot de inbewaringstelling aannemelijk te maken. Volgens vaste rechtspraak is de Staat aansprakelijk voor schade die is veroorzaakt door de toepassing van strafvorderlijke dwangmiddelen (a) indien het dwangmiddel is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten, of (b) indien achteraf uit het strafvorderlijk onderzoek - uit de einduitspraak of anderszins - blijkt dat de verdenking op grond waarvan het is toegepast ten onrechte heeft bestaan.

4.13.Bij arrest van 28 juni 2006 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage [eiser] schuldig bevonden aan - kort gezegd - medeplegen van valsheid in geschrifte, meermalen gepleegd. Het bevel tot inbewaringstelling is door partijen niet overgelegd. De Staat heeft, niet weersproken door [eiser], gesteld dat de inbewaringstelling mede is gelast op basis van de verdenking van [eiser] van medeplegen van valsheid in geschrifte, het delict waarvoor hij is veroordeeld. De rechtbank gaat dan ook hiervan uit. Hieruit volgt naar haar oordeel niet dat zich het geval voordoet dat achteraf is gebleken dat de verdenking op grond waarvan de inbewaringstelling is gelast, ten onrechte heeft bestaan. De omstandigheid dat geen straf is opgelegd doet hieraan, anders dan [eiser] stelt, niet af, omdat het er niet om gaat of (en zo ja, welke) straf is opgelegd maar of uit het strafdossier of anderszins blijkt dat [eiser] onschuldig is, dat wil zeggen: ten onrechte van het strafbare feit is verdacht. Ook gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van [eiser] dat de omstandigheid dat hij van meerdere misdrijven was verdacht, maar voor slechts één is veroordeeld, eigenlijk tot de conclusie moet leiden dat hij onschuldig is. Om aan het onschuldcriterium te voldoen dient [eiser] te bewijzen dat hij onschuldig is geweest ten aanzien van alle verwijten die aan de inbewaringstelling ten grondslag lagen. Alleen al gezien zijn veroordeling voor het plegen van valsheid in geschrifte, een delict dat mede aan de inbewaringstelling ten grondslag heeft gelegen, is dat niet het geval. Ook afgezien hiervan volgt uit de afloop van de strafzaak niet de onschuld van [eiser].

4.14.Voorts is de rechtbank van oordeel dat het dwangmiddel evenmin is toegepast in strijd met de wet of met veronachtzaming van fundamentele vereisten. De rechter-commissaris heeft immers geoordeeld dat de inverzekeringstelling niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat de rechter-commissaris een redelijk vermoeden van schuld aanwezig heeft geoordeeld. [eiser] heeft geen omstandigheden gesteld die de rechtbank tot een ander oordeel nopen. [eiser] stelt nog dat al in 1992 voor het OM en daarmee voor de Staat duidelijk had moeten zijn dat de persoon met wie hij, naar het OM aannam, had samengewerkt in verband met de tenlastegelegde feiten, geen gelden had die afkomstig konden zijn van een misdrijf, waardoor het OM tevens had moeten weten dat hij geen van een misdrijf afkomstige gelden voor die persoon had kunnen witwassen. Aan deze stelling gaat de rechtbank voorbij, nu (i) [eiser] schuldig is bevonden aan een misdrijf, waardoor vaststaat dat een redelijke verdenking heeft bestaan, en (ii) de rechtbank, zonder nadere toelichting, die [eiser] echter niet geeft, niet vermag in te zien waarom deze constatering uit 1992, voor zover daaraan al de door [eiser] gestelde betekenis kan worden gegeven, het OM op voorhand belet om [eiser] in 2000 in verzekerde bewaring te doen nemen. Met deze constatering staat immers niet vast dat de persoon in kwestie niet op andere wijze criminele gelden heeft of kan hebben gekregen. De conclusie van de advocaat-generaal waaruit, naar [eiser] stelt, dit wel kan worden afgeleid, is door [eiser] niet overgelegd, zodat de rechtbank reeds hierom aan deze stelling moet voorbijgaan. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat dit gedeelte van de vordering tot betaling van schadevergoeding op basis van de inverzekeringstelling zou dienen te worden afgewezen, ook indien het niet was verjaard.

Schade als gevolg van inbeslagneming dossiers

4.15.Ook ten aanzien van de vordering tot schadevergoeding in verband met de in beslag genomen dossiers, beroept de Staat zich op verjaring. [eiser] baseert deze vordering op de omstandigheid dat de Staat niet alle in beslag genomen dossiers aan hem heeft teruggegeven en dat hij, [eiser], hierdoor schade heeft geleden en nog schade lijdt. Bij voortdurende onrechtmatige daden ontstaat de verbintenis tot het vergoeden van schade deel voor deel, zodat ook de verjaringstermijn deel voor deel gaat lopen. Dit betekent dat van deze vordering wellicht een deel is verjaard, maar een deel nog niet. Dit laatste kan het geval zijn indien de onrechtmatige daad, zoals [eiser] stelt, nog voortduurt. De rechtbank zal dan ook eerst de vordering zelf beoordelen, waarbij zij vooropstelt dat [eiser] dient te stellen en zo nodig dient te bewijzen dat de dossiers niet allemaal zijn teruggegeven.

4.16.De Staat verweert zich tegen deze vordering van [eiser] en beroept zich daarbij op de onder 2.4 aangehaalde verklaring van [eiser] van 8 augustus 2001, waarin deze zonder enig voorbehoud schrijft dat de Staat alle dossiers heeft teruggegeven. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] tegenover deze, gedocumenteerde, stelling van de Staat zijn stelling dat dit niet het geval is, onvoldoende heeft toegelicht. Zijn verklaringen op dit punt zijn tegenstrijdig, nu hij enerzijds stelt dat de Staat nog originele stukken heeft die zich bevinden in witte mappen die nooit zijn teruggegeven en anderzijds stelt dat het gaat om originele digitale files waarvan inmiddels duidelijk is dat deze zijn gewist. [eiser] stelt voorts dat hij kan bewijzen welke stukken in beslag zijn genomen door middel van de in zijn bezit zijnde lijsten van beslagen. Deze lijsten heeft hij echter in de procedure niet overgelegd. Ook heeft hij niet gesteld welke stukken van deze lijst wel zijn teruggegeven en welke stukken nog ontbreken. Ook heeft hij geen vordering ingesteld tot teruggave van de stukken. Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eiser] tot vergoeding van schade in verband met de niet teruggave van stukken, als onvoldoende toegelicht dient te worden afgewezen. Om dezelfde reden gaat de rechtbank ook voorbij aan het bewijsaanbod van [eiser] op dit punt.

4.17. Nu de rechtbank van oordeel is dat dit gedeelte van de vordering dient te worden afgewezen, behoeft het verweer van de Staat dat ook hier de rechtsvordering is verjaard, geen bespreking meer. Dit geldt eveneens voor het verweer van de Staat dat niet duidelijk is geworden van wie de dossiers zijn geweest die in beslag zijn genomen, van TWM of van Dutchman.

Schade als gevolg van doorspelen van informatie

4.18.Ook ten aanzien van dit gedeelte van de vordering beroept de Staat zich op verjaring. De Staat heeft, niet weersproken door [eiser], gesteld dat [eiser] kort na de informatieverstrekking aan België en Duitsland, maar in ieder geval vóór 24 augustus 2004, bekend was met de door de informatieverstrekking geleden schade. Dit staat dus vast tussen partijen. De Staat stelt voorts dat dit gedeelte van de vordering pas is gestuit bij de op 24 augustus 2009 uitgebrachte dagvaarding. [eiser] heeft hem niet eerder, aldus de Staat, hiervoor aansprakelijk gesteld; niet in de brief van zijn advocaat van 19 augustus 2008 en ook niet in eerdere brieven.

4.19.[eiser] beroept zich onder meer op de brieven van 25 en 27 januari 2002, van 30 augustus 2006, van 8 september 2006 en van 19 augustus 2008, waarin de verjaring, naar hij stelt, is gestuit. Deze brieven zijn verstuurd namens [eiser] en TWM. Dutchman wordt voor het eerst genoemd in de op 24 augustus 2009 uitgebrachte dagvaarding. Het beroep op verjaring slaagt dan ook in ieder geval voor zover de verstrekte informatie afkomstig is uit dossiers die toebehoren aan Dutchman.

4.20.Voor zover de informatie afkomstig is uit dossiers die toebehoren aan TWM geldt het volgende. Ten aanzien van de brieven van 25 en 27 januari 2002 heeft de rechtbank in 4.11 al vastgesteld dat deze de verjaring niet hebben gestuit. De brieven van 30 september 2006, 8 september 2006 en 19 augustus 2008 zijn gericht aan het landelijk parket en niet aan de belastingdienst en refereren slechts in het algemeen aan de schade die [eiser] ten gevolge van de "ondoordachte" actie van het parket heeft geleden (brieven van 30 augustus 2006 en van 8 september 2006) of zijn meer specifiek maar verwijzen daarbij niet naar de schade verband houdend met het doorspelen van informatie (brief van 19 augustus 2008). Met de Staat is de rechtbank van oordeel dat in deze brieven geen stuitingshandeling ten aanzien van de vorderingen verband houdende met het doorspelen van gegevens kan worden gelezen, nu deze brieven niet voldoen aan de vereisten die aan een stuitingshandeling worden gesteld (zie ook 4.9). Zo kan op basis van deze brieven aan het landelijk parket, de belastingdienst niet weten dat hij de dossiers ten aanzien van dit onderwerp dient te bewaren in verband met een mogelijk nog in te stellen schadeclaim. Hieraan doet niet af dat [eiser] een juridisch niet geschoold persoon is, zoals hij zelf stelt. De rechtbank mag er overigens van uitgaan dat hij, gezien het verloop van de tegen hem ingestelde procedure, in deze periode werd bijgestaan door een advocaat die hem ter zake had kunnen adviseren. Dit een en ander betekent dat alleen schade geleden na 24 augustus 2004 eventueel voor vergoeding in aanmerking komt. [eiser] heeft niet gesteld dat hij na 24 augustus 2004 nog schade heeft geleden als gevolg van het doorspelen van informatie. Daarom is ook dit gedeelte van de vordering verjaard voor zover de informatie afkomstig is van dossiers die toebehoren aan TWM.

4.21.Ook hier stelt de rechtbank geheel ten overvloede vast dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld om aannemelijk te maken dat is voldaan aan de vereisten voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad. [eiser] baseert zijn vordering op de omstandigheid dat geen sprake was van het witwassen van gelden en dat de invallen en inbeslagnemingen derhalve onrechtmatig waren, waardoor ook het verschaffen van de aldus verkregen inlichtingen onrechtmatig was. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen dat de inbeslagnemingen onrechtmatig waren, waardoor de stelling van [eiser] voldoende feitelijke grondslag mist. Nu ook overigens niets is gesteld of gebleken op basis waarvan de rechtbank tot het oordeel kan komen dat het verschaffen van de gegevens onrechtmatig is geweest, zou ook dit gedeelte van de vordering, indien niet verjaard, worden afgewezen.

Schade als gevolg van publicaties

4.22.[eiser] heeft niet gesteld voor welke publicaties en op welke grondslag de Staat verantwoordelijk kan worden gehouden. Hij heeft slechts in het algemeen gesteld dat er publiciteit is geweest rondom de strafvorderlijke handelingen in het najaar van 2000. [eiser] heeft niet gesteld om welke publicaties het specifiek gaat. Hij heeft op dit punt derhalve onvoldoende gesteld om te kunnen beoordelen wanneer de verjaringstermijn is aangevangen, laat staan dat de rechtbank de onrechtmatigheid van publicaties kan beoordelen. De rechtbank zal dan ook dit gedeelte van de vordering, als onvoldoende toegelicht, afwijzen. Tijdens de comparitie heeft [eiser] nog zonder nadere toelichting aangevoerd dat hij de Staat verwijt dat deze nooit iets heeft ondernomen om de publiciteit te corrigeren. Ook aan dit verwijt gaat de rechtbank voorbij, nu het onvoldoende is toegelicht.

Disproportionaliteit

4.23.[eiser] verwijt de Staat ook nog dat, gezien de omstandigheid dat hem slechts valsheid in geschrifte kan worden verweten, de door de Staat gebruikte dwangmiddelen disproportioneel waren. De rechtbank begrijpt dit verwijt aldus dat [eiser] stelt dat de Staat het fundamentele vereiste van proportionaliteit heeft geschonden door meerdere dwangmiddelen in te zetten terwijl [eiser] slechts een gering feit ten laste kon worden gelegd. Tussen partijen staat vast dat [eiser] in verzekerde bewaring is gesteld, dat dossiers in beslag zijn genomen en dat informatie aan de bevoegde autoriteiten in België en Duitsland is verstrekt. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen tot het betalen van schadevergoeding in verband met de inverzekeringstelling en het verstrekken van inlichtingen zijn verjaard. Hieruit volgt dat het onderhavige verwijt slechts kan worden beoordeeld in verband met het dwangmiddel van inbeslagneming. Nu in het kader van deze procedure van de toepassing van slechts één dwangmiddel dient te worden uitgegaan en [eiser] stelt dat de disproportionaliteit juist is gelegen in de inzet van meerdere dwangmiddelen, kan de rechtbank niet concluderen dat van een disproportioneel gebruik van dwangmiddelen sprake is geweest. De rechtbank gaat dan ook aan dit verwijt van [eiser] voorbij.

Proceskosten

4.24.[eiser] dient, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 262 voor griffierecht en op € 904 (twee punten à € 452, volgens tarief II) wegens salaris van de advocaat.

5.De beslissing

De rechtbank:

5.1.wijst de vordering af;

5.2.veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 262 wegens griffierecht en op € 904 wegens salaris van de advocaat;

5.3.verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.