Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6778

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
357731 / HA ZA 10-323
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staat aansprakelijk voor kosten rechtbijstand in bezwaarfase en Europeesrechtelijke procedure fiscale zaak (aanslagen tot betaling van douanerechten) (buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 50.494 voldoen aan de hier [nog] toepasselijke dubbele redelijkheidstoets).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 357731 / HA ZA 10-323

Vonnis van 10 november 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEEREMA ZWIJNDRECHT B.V.,

gevestigd te Zwijndrecht,

eiseres,

advocaat mr. H.H. Tan te Utrecht,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.S. ter Kuile te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna Heerema en de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding van 18 december 2009;

-de conclusie van antwoord, van 12 mei 2010;

-het tussenvonnis van 26 mei 2010, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen;

-het proces-verbaal van comparitie van 21 oktober 2010.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald. Het wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2.De feiten

2.1.Heerema heeft als bedrijfsactiviteiten het aannemen, uitvoeren en doen uitvoeren van werken, in het bijzonder metaalconstructiewerken, en de handel in en de exploitatie van constructiemateriaal en -materieel en andere bedrijfsmiddelen.

2.2.Sinds 1994 beschikt Heerema over een doorlopende vergunning (die in de plaats was gekomen van een vergunning uit 1991) voor het gebruik van de douaneregeling actieve veredeling met toepassing van het schorsingssysteem (de zogeheten AV/S). Deze regeling houdt in dat goederen die van buiten het douanegebied van de Europese Unie komen een veredelingsproces kunnen ondergaan, waarna zij weer worden uitgevoerd uit dit douanegebied zonder dat deze goederen worden onderworpen aan invoerrechten of aan handelspolitieke maatregelen. Heerema gebruikt deze vergunning voor goederen die nodig zijn voor de bouw van productieplatforms voor de offshore-industrie. Een administratieve controle maakt deel uit van het toezicht op het gebruik van de vergunning.

2.3.Na een dergelijke administratieve controle heeft de douane zich op het standpunt gesteld dat Heerema niet voldeed aan de voorwaarden van de vergunning. Het betrof de voorwaarde dat de veredeling werd verricht volgens instructie en voor rekening van een buiten de Europese Unie gevestigde opdrachtgever. Op grond van dit oordeel heeft de douane op 9 juli 1999 aan Heerema twee "uitnodigingen tot betaling" (UTB's) - zijnde aanslagen tot betaling van douanerechten - uitgereikt. Een van deze UTB's betrof een bedrag van (omgerekend) € 24.977,74, de andere een bedrag van € 329.779,10.

2.4.Heerema heeft niet berust in deze UTB's. Zij heeft zekerheid gesteld voor de voldoening van de UTB's en tevens twee wegen bewandeld om zich tegen de UTB's te verzetten. In de eerste plaats heeft zij bewaar gemaakt en vervolgens beroep ingesteld tegen de desbetreffende beslissingen op bezwaar. In de tweede plaats heeft zij gebruikgemaakt van de mogelijkheid om op grond van artikel 239 van het Communautair Douane Wetboek (hierna: CDW) terugbetaling of kwijtschelding te verkrijgen van haar schulden op grond van de UTB's. Bij het bezwaar en bij haar verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding is zij telkens bijgestaan door het advocatenkantoor Van Mens & Wisselink te Utrecht (hierna: Van Mens & Wisselink), onder meer in de personen van de fiscale advocaten mrs. Ettema (specialist in het douane- en accijnzenrecht) en Steenman.

2.5.De eerste hier bedoelde mogelijkheid heeft geleid tot afwijzing van de bezwaarschriften van Heerema door de inspecteur en vervolgens tot ongegrondverklaring van haar beroep tegen die beslissingen-op-bezwaar door de douanekamer van het gerechtshof Amsterdam. De uitspraken van dit hof dateren van 24 december 2002. De kernoverweging van het hof was telkens dat de douane-expediteur van Heerema weliswaar op eigen naam had gehandeld, maar voor rekening van Heerema. Volgens het hof waren de UTB's terecht aan Heerema uitgereikt. Heerema heeft tegen de uitspraken van het hof cassatieberoep ingesteld bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft bij grotendeels gelijkluidende arresten van 17 februari 2006 de beide beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van het hof en van de inspecteur vernietigd, de UTB's vernietigd en - kort gezegd - de Staat (alsmede de Staatsecretaris van Financiën en de inspecteur, beiden organen van de Staat) veroordeeld in de proceskosten voor het hof en voor de Hoge Raad. De kernoverweging van de Hoge Raad hield in beide zaken in dat de aangiften waren gedaan door en op naam van een derde (Oudkerk Offshore- en Tankerservice BV, zijnde de meerbedoelde douane-expediteur), die daarbij niet heeft gehandeld als vertegenwoordiger van Heerema. Volgens de Hoge Raad moet deze aangever daarom, mede gelet op artikel 5 lid 4 CDW, geacht worden voor eigen rekening te hebben gehandeld. Dit betekent dan dat Heerema niet de schuldenaar kan zijn geworden.

2.6.De tweede onder 2.4 bedoelde mogelijkheid heeft geleid tot verzoeken van Heerema om teruggave van de som van € 354.756,75 (het totaal van de bedragen van de beide UTB's). Zij heeft de verzoeken ingediend bij de inspecteur, die ze heeft doorgeleid naar de Europese Commissie. Bij beschikkingen van 4 november 2003 en van 23 januari 2004 heeft de Europese Commissie de verzoeken nagenoeg geheel toegewezen, op grond van - kort gezegd - de overweging dat jegens Heerema opgewekt vertrouwen bestond ten aanzien van goederen die reeds onder de AV/S-regeling (via de vergunning van 1991) waren geplaatst en dat Heeema niet nalatig was geweest. Aan Heerema zijn de belastingschulden kwijtgescholden. Hierdoor kon de onder 2.4 bedoelde zekerheid worden vrijgegeven.

2.7.Van Mens & Wisselink heeft aan Heerema facturen gezonden voor de kosten van de door dit kantoor verleende rechtsbijstand (i) in de fase van de bezwaarschriften, (ii) in het kader van de verzoeken om terugbetaling of kwijtschelding op grond van artikel 239 CDW en (iii) in het kader van het veiligstellen van de rechten van Heerema jegens de expediteur. Bij dit laatste ging het onder meer om het tijdig en pro forma aanhangig maken van een vordering bij het arbitrale college dat volgens de algemene voorwaarden in de relatie tussen Heerema en deze expediteur bevoegd was voor de beslechting van geschillen tussen deze partijen. Ook de (korte) termijn voor het aanbrengen van de zaak bij arbiters was vastgelegd in die voorwaarden.

Volgens Heerema hebben deze kosten in totaal € 50.494,11 (excl. btw) bedragen. Zij heeft deze bedragen aan Van Mens & Wisselink voldaan.

2.8.De Staat heeft de aansprakelijkheid voor schade ten gevolge van de vernietiging van de UTB's erkend. Met een brief van 12 september 2007 heeft de Staat aan Heerema bericht dat de door haar geleden schade voor vergoeding in aanmerking komt indien aan het zogenaamde dubbele redelijkheidsvereiste wordt voldaan. Volgens de Staat moet het redelijk zijn (i) dat Heerema in dit geval rechtsbijstand door derden heeft ingeschakeld en (ii) dat de kosten die daarmee zijn gemoeid, redelijk en noodzakelijk zijn. De Staat acht in dit geval, nu Heerema blijkens het aan de Staat bekende dossier niet over douanetechnische kennis beschikte, inschakeling van juridische bijstand door een derde op zichzelf redelijk. Namens de Staat is aan Heerema het - door deze verworpen - aanbod gedaan tot betaling van

€ 1.750. De Staat heeft het verzoek van Heerema om vergoeding van de onder 2.7 vermelde kosten ten bedrage van € 50.494,11 afgewezen.

3.Het geschil

3.1.Heerema vordert, samengevat, de veroordeling van de Staat tot betaling van (i) het onder 2.7 vermelde bedrag van € 50.494,11 (excl. btw), vermeerderd met rente, en (ii) een bedrag van € 10.582,84 of een door de rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag, een en ander vermeerderd met de proceskosten.

3.2.Heerema legt hieraan het volgende ten grondslag. Nu de Staat aansprakelijk is voor de schade die zij, Heerema, heeft geleden door de onrechtmatige UTB's, dient de Staat de onder 2.7 bedoelde kosten in volle omvang te dragen. Het betreft kosten die zij in redelijkheid heeft gemaakt en ook naar omvang redelijk zijn. Het tevens gevorderde bedrag van € 10.582,84 betreft de werkelijke kosten van buitengerechtelijke aard die zij heeft gemaakt en ook in redelijkheid heeft moeten maken om buiten rechte voldoening van haar hoofdvordering te verkrijgen.

3.3.De Staat voert verweer. Hij stel dat de hem in rekening gebrachte kosten niet aan de (hier inderdaad toepasselijke) dubbele redelijkheidstoets voldoen.

3.4.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.In deze procedure staat vast dat de UTB's onrechtmatig waren en daarmee ook dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld doordat een van zijn organen de desbetreffende aanslagen heeft opgelegd. De rechtbank dient te oordelen over de vraag of de kosten waarvan Heerema thans vergoeding vordert, werkelijk en in redelijkheid zijn gemaakt, en op deze grondslag voor rekening van de Staat dienen te komen.

4.2.De hoofdvordering van € 50.494,11 betreft kosten voor rechtsbijstand voor drie doeleinden: kosten in de bezwaarfase (zie onder 2.5), kosten voor de verzoeken aan de Europese Commissie (zie onder 2.6) en kosten gemaakt tot behoud van de rechten van Heerema ten opzichte van haar douane-expediteur. De rechtbank bespreekt deze drie typen werkzaamheden hier achtereenvolgens en legt daarbij telkens de dubbele redelijkheidstoets aan.

4.3.Ten aanzien van de kosten in de bezwaarfase kan het verweer van de Staat als volgt kort worden samengevat. Uit de overgelegde facturen van Van Mens & Wisselink blijkt niet welke werkzaamheden nu precies betrekking hebben op deze fase. Afgezien daarvan is het aantal in rekening gebrachte uren ongebruikelijk hoog en buitenproportioneel. Het betreft geen complexe zaak, en bovendien heeft de Hoge Raad de uitspraken van het hof gecasseerd op een grond die niet in de cassatiemiddelen was aangevoerd.

4.4.Tijdens de comparitie is namens Heerema verklaard dat de in rekening gebrachte uren voor werkzaamheden in het derde en het vierde kwartaal van 1999 alleen de werkzaamheden van de genoemde fiscale advocaten betreffen, en daarbij dan alleen de werkzaamheden ten behoeve van de bezwaarfase en het CDW-verzoek. In reactie hierop is namens de Staat verklaard dat deze uitleg de zaak wel enigszins heeft verhelderd. De Staat stelt dat hij niettemin nog steeds geen inzicht heeft in de redelijkheid van het aantal berekende uren. De Staat verwijst hierbij mede naar de omvang van het bezwaarschrift, dat 22 pagina's telde.

4.5.De rechtbank verwerpt dit verweer van de Staat. Zij stelt hierbij voorop dat voor Heerema, gezien de omvang van de UTB's, een groot belang op het spel stond. Gelet hierop heeft Heerema in alle redelijkheid kunnen kiezen voor een breed opgezette verdediging, door raadslieden die op dit terrein deskundig zijn. De complexiteit van een zaak of de breedte en de diepte van het onderzoek naar de mogelijkheden van verweer zijn niet simpelweg af te leiden uit de omvang van het uiteindelijk ingediende processtuk. Er was voor Heerema veel aan gelegen om voor alle denkbare ankers te gaan liggen, hetgeen zij kennelijk ook heeft gedaan. De Staat heeft niet gesteld - laat staan aangetoond - dat Heerema daarbij stellingen en argumenten heeft geponeerd die kennelijk geen hout snijden of (op zijn minst genomen) buiten de bandbreedte van pleitbare, niet kansloze verweren liggen. Het enkele feit dat de UTB's uiteindelijk zijn gesneuveld op grond van een op het oog eenvoudige redenering betekent niet dat de zaak van eenvoudige aard was. Evenmin volgt daaruit dat alle werkzaamheden die niet op dat beslissend gebleken argument waren gericht, niet voldoen aan het criterium dat zij in redelijkheid zijn uitgevoerd (en in dit stadium aan de Staat in rekening kunnen worden gebracht). Hierbij verdient opmerking dat de conclusies van de advocaat-generaal (A-G) in de beide zaken zeer uitvoerig zijn en tot een andere uitkomst leiden dan de slotsom waartoe de Hoge Raad is gekomen, terwijl voorts van belang is dat de A-G een van de middelen, waaraan de Hoge Raad niet is toegekomen, gegrond heeft geacht. Ook afgezien van de omvang van de conclusies van de AG is het dossier overigens kennelijk zeer uitgebreid.

4.6.De rechtbank komt tot de slotsom dat Heerema de door haar gemaakte kosten voor de bezwaarfase in de hier vereiste mate aannemelijk heeft gemaakt. Dit geldt ook voor de kosten van de werkzaamheden in het derde kwartaal van 2000. Heerema heeft aangevoerd dat deze kosten niet zien op de werkzaamheden voor het opstellen van het (toen immers al ingediende) bezwaarschrift, maar op die welke zijn gemaakt voor de voorbereiding en de behandeling op de hoorzitting alsmede op bestudering, bespreking en becommentariëring van het van deze zitting opgemaakte verslag. Deze uitleg komt, gegeven het aantal uren waarover het hier gaat, de rechtbank alleszins aannemelijk voor. Samengevat komt de rechtbank tot de bevinding dat de hier bedoelde kosten aan de dubbele redelijkheidstoets voldoen. Deze toets heeft naar zijn aard overigens een enigszins marginaal karakter, waarin nadere bewijslevering niet nodig is in alle gevallen waarin de betrokken partijen standpunten innemen die niet aanstonds onjuist zijn. De rechtbank tekent hierbij aan dat zij ook rekening houdt met het gegeven dat Heerema deze kosten metterdaad heeft gedragen (ver) voordat zij wist dat zij deze in beginsel op de Staat kon verhalen. Zij heeft zich dus niet - en in elk geval niet in beslissende zin - laten leiden door de gedachte dat zij die wel op een derde kon afwentelen.

4.7.Voor de beoordeling van het geschil betreffende de kosten voor de verzoeken op grond van artikel 239 CDW is het volgende van belang. Een beslissing op een verzoek om terugbetaling of kwijtschelding op de voet van het CDW houdt geen rechtsoordeel in en kan dus ook niet leiden tot vernietiging van een besluit als de UTB's. Artikel 239 CDW leidt, zoals de Staat heeft betoogd, tot een beslissing op gronden van billijkheid. Zo bezien geeft een belanghebbende zoals Heerema geen rechten prijs als hij een verzoek op basis van het CDW achterwege laat en zich beperkt tot de bestuursrechtelijke rechtsgang (bezwaar, beroep op de rechter en eventueel cassatieberoep). Dit betekent echter niet dat de kosten die Heerema hier heeft gemaakt naast die voor het bezwaar tegen de UTB's, als nodeloos gemaakt ("dubbelop", zoals de Staat stelt) dienen te worden beschouwd, of ten minste als kosten die in de thans bedoelde zin niet als in redelijkheid gemaakt kunnen gelden. Ook in dit opzicht is de rechtbank van oordeel dat Heerema in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor het bewandelen van alle wegen die voor hem openstonden, en daarmee in dit geval ook in zoverre een specifiek en reëel voordeel heeft behaald dat al in het begin van 2004, door de beslissingen op de CDW-verzoeken, de zekerheid - voor de aanzienlijke bedragen van de beide UTB's - kon worden vrijgegeven.

4.8.Ook hier gelden overigens de onder 4.6 vermelde overwegingen. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat ten aanzien van de door Heerema opgevoerde kosten verbonden aan de rechtsbijstand wegens haar CDW-verzoeken is voldaan aan de dubbele redelijkheidstoets. Het daartegen gerichte verweer van de Staat slaagt dus niet. Er was, anders dan de Staat stelt, wel degelijk causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de hier bedoelde kosten.

4.9.Bij de kosten gemaakt in de verhouding van Heerema tot haar douane-expediteur gaat het om het volgende. Tot aan de arresten van de Hoge Raad was onzeker of Heerema zelf aansprakelijk was voor de douanerechten in kwestie, of dat de betaling daarvan rechtstreeks voor rekening van de douane-expediteur diende te komen. In het eerste geval kon Heerema proberen verhaal te vinden op de expediteur door deze aansprakelijk te stellen. De Staat heeft dit op zichzelf ook niet tegengesproken. Hij betwist op dit punt slechts de hoogte van de kosten voor de rechtsbijstand aan Heerema, gelet op het feit dat Heerema de expediteur slechts pro forma aansprakelijk heeft gesteld en ook kon stellen, en daarbij kon volstaan met een brief ter stuiting van de verjaring, die pas na vijf jaren zou intreden. De gevolgen van bepalingen van de algemene voorwaarden die zijn overeengekomen in de verhouding van Heerema tot haar expediteur dienen volgens de Staat voor rekening van Heerema te blijven, nu zij niet in een (relevant) causaal verband staan tot de onrechtmatige daad van de Staat waarover het hier gaat. Heerema heeft gesteld dat de in rekening gebrachte kosten in redelijkheid zijn gemaakt, mede doordat er discussie was met de expediteur over de toepasselijkheid van de bedoelde algemene voorwaarden (de FENEX-voorwaarden), hetgeen nadere studie heeft gevergd. Gelet op deze discussie heeft Heerema, zo stelt zij voorts, de zaak voor de zekerheid ook aangebracht bij de gewone rechter.

4.10. Het lag alleszins voor de hand dat op de verhouding tussen Heerema en de douane-expediteur algemene voorwaarden van toepassing zouden kunnen zijn. Dit is niet zo uitzonderlijk dat de extra kosten voor de (achteraf onnodig gebleken) studie over de implicaties hiervan buiten de gevolgen liggen die in redelijkheid kunnen worden toegerekend aan de onrechtmatige daad van de Staat. Dit geldt ook voor de onzekerheden die hierbij kennelijk zijn opgekomen. De Staat heeft niets gesteld dat serieuze twijfel oproept aan de stellingen van Heerema op dit punt. Tegen deze achtergrond komt de rechtbank ook ten aanzien van de hier bedoelde kosten van rechtsbijstand tot de slotsom dat het kosten betreft die de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.

4.11.De hoofdvordering van Heerema zal dus worden toegewezen.

4.12.Heerema heeft in voldoende mate aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke kosten heeft ter voorkoming van deze procedure. Haar komt dus ook voor deze kosten een vergoeding toe. Er is echter geen reden om hierbij af te wijken van het hiervoor gebruikelijke forfaitaire tarief. Dit betekent de desbetreffende nevenvordering in haar subsidiaire vorm wordt toegewezen, en dus tot de som van € 1.788 (excl. btw). Het meerdere is niet toewijsbaar.

4.13.De vorderingen van Heerema worden aldus grotendeels toegewezen. Gelet op deze uitkomst zal de Staat, als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van Heerema. Deze kosten worden tot op heden begroot op € 72,25 (excl. btw) wegens de kosten van de dagvaarding en op € 1.345 wegens griffierecht, en voor het salaris van de advocaat op € 1.788 (twee punten à € 894, volgens tarief IV).

5.De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt de Staat tot betaling van de som van € 52.282,11 (excl. btw), vermeerderd met de wettelijke rente over een gedeelte groot € 50.494,11, telkens berekend over de periode tussen het moment waarop Heerema de desbetreffende declaraties heeft betaald en het tijdstip van de voldoening door de Staat;

veroordeelt de Staat in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Heerema tot dusver begroot op € 1.417,25 wegens verschotten en op € 1.788 wegens salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of andere gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 10 november 2010.