Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6769

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
09-12-2010
Zaaknummer
356555 / HA ZA 10-116
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staat niet aansprakelijk voor strafrechtelijk optreden (beschikbaarstelling strafdossier aan gemeente als werkgever van eiser, daarna ontslag van eiser als ambtenaar).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 356555 / HA ZA 10-116

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. A.H.J. Strak te Rotterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. drs. R.W. Veldhuis te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna [eiser] en de Staat genoemd.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

-de dagvaarding van 30 december 2009;

-de conclusie van antwoord, van 24 februari 2010;

-het tussenvonnis van 10 maart 2010, waarbij de rechtbank een comparitie van partijen heeft bevolen;

-de brief van 17 september 2010 van de griffier, waarbij aan elk van partijen is gevraagd om een of meer aanvullende schriftelijke stukken en aan [eiser] tevens om een schriftelijke reactie op enkele stellingen uit de conclusie van antwoord;

-de brieven van 12 oktober 2010 en van 21 oktober 2010 (met vijf producties) van de advocaat van [eiser], en de brief van 30 september 2010 (met één productie) van de advocaat van de Staat;

-het proces-verbaal van comparitie van 4 november 2010.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald. Het wordt heden bij vervroeging uitgesproken.

2.De feiten

2.1.Op 20 juni 1997 heeft de officier van justitie te Rotterdam, orgaan van de Staat, gevorderd dat de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Rotterdam zal overgaan tot een gerechtelijk vooronderzoek (gvo) naar aanleiding van de verdenking dat [eiser] zich had schuldig gemaakt aan (kort gezegd) oplichting. De rechter-commissaris heeft de vordering toegewezen. Op 21 juni 1999 is [eiser] aangehouden als verdachte. Hij is toen in verzekering gesteld. Op 23 juni 1999 is hij in vrijheid gesteld. Op 16 maart 2000 is het gvo uitgebreid met (een onderzoek naar) de verdenking wegens opzetheling.

2.2. [eiser] was sinds 1982 werkzaam bij de gemeente Spijkenisse, vanaf 1994 als financieel medewerker bij de afdeling centrale financiële administratie. In de jaren 1998 en 1999 is hij tijdens werktijd bezocht door personen die hem wensten te spreken over privéaangelegenheden. Het betrof schuldeisers van [eiser] en/of zijn echtgenote, die zich op dreigende wijze hebben gepresenteerd. Collega's en het hoofd van de genoemde afdeling hebben [eiser] daarop bij herhaling aangesproken. Deze acties hebben geen succes gehad.

2.3.Op 12 november 1999 heeft [eiser], na een escalatie op de werkvloer, zich ziek gemeld. Tegen de tijd van zijn hersteldverklaring hebben burgemeester en wethouders (hierna: B&W) van de gemeente, op 31 januari 2000, aan [eiser] met onmiddellijke ingang de toegang tot zijn werkplek ontzegd. B&W achtten het volgens dit besluit niet langer verantwoord dat [eiser]'s collega's bij het uitvoeren van hun werk worden geconfronteerd met "bedreigende omstandigheden" die "voortkomen uit [zijn] privé-bezigheden en omstandigheden". Hierbij hebben B&W tevens rekening gehouden met de werkzaamheden van [eiser], waarvan financiële handelingen en kennisneming van vertrouwelijke informatie deel uitmaakten. [eiser] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Op 19 september 2000 is hij op dit bezwaar gehoord door de Algemene bezwaar- en beroepscommissie van de gemeente, een adviesinstantie van B&W. Op 17 oktober 2000 hebben B&W, bij hun beslissing-op-bezwaar, het bezwaar van [eiser] tegen het besluit van 31 januari 2000 afgewezen. [eiser] heeft tegen de beslissing-op-bezwaar van 17 oktober 2000 beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam (sector bestuursrecht). Bij uitspraak van 13 augustus 2001 heeft die rechtbank het beroep gegrond verklaard, maar de gevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten.

2.4.Omstreeks diezelfde datum hebben B&W aan het externe bedrijf Hoffmann Bedrijfsrecherche Bureau BV (hierna: Hoffmann) opdracht gegeven tot een nader onderzoek naar de gedragingen van [eiser] en naar de daaruit voortvloeiende risico's voor de gemeentelijke dienst. Hoffmann heeft haar rapport aan B&W uitgebracht op 28 april 2000. In dit rapport is een aantal gebeurtenissen betreffende [eiser] vermeld. In dit verband is ook melding gemaakt van een huiszoeking in zijn woning en van de aanhouding van hem (en van zijn echtgenote en dochter) op verdenking van oplichting. Naar aanleiding van dit rapport hebben B&W aan het openbaar ministerie (OM) gevraagd om inzage in het strafdossier betreffende [eiser]. Aan dit verzoek heeft het OM op 10 oktober 2000 voldaan.

2.5.Bij besluit van 15 maart 2001 hebben B&W aan [eiser] de straf van ontslag (per 19 maart 2001) opgelegd wegens - kort gezegd - plichtsverzuim. Zij hebben hiertoe onder meer overwogen dat [eiser] door zijn gedrag het aanzien van de gemeentedienst ernstig heeft geschaad. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit. De genoemde Algemene bezwaar- en beroepscommissie heeft op 6 september 2001 een advies aan B&W uitgebracht over dit bezwaar. De commissie heeft in het bestreden besluit drie feitencomplexen onderkend, te weten (i) de bedreigende voorvallen of geweldsincidenten op [eiser]'s werkplek, (ii) het verwijt dat [eiser] meermalen medewerkers van de gemeentelijke sociale dienst heeft benaderd om inlichtingen te verkrijgen over derden zonder dat hij op grond van zijn functie over deze gegevens diende te beschikken, en (iii) betrokkenheid van [eiser] bij de vermeend malafide investeringspraktijken van zijn vrouw en dochter. In haar advies aan B&W heeft de commissie ten aanzien van één van deze feitencomplexen (te weten betrokkenheid bij ongeoorloofde zaken van zijn echtgenote en zijn dochter) geadviseerd tot gegrondverklaring van het bezwaar. Zij adviseert tot ongegrondverklaring ten aanzien van de verwijten wegens plichtsverzuim in de beide andere opzichten. B&W hebben bij hun beslissing-op-bezwaar van 5 februari 2002 dit advies gevolgd. Bij deze beslissing hebben zij hun besluit van 15 maart 2001 ingetrokken en aan [eiser] eervol ontslag verleend per 19 maart 2001 op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Dit besluit is onherroepelijk geworden. Het ontslag van [eiser] was hiermee definitief.

2.6.De strafvervolging heeft ertoe geleid dat [eiser] op 21 november 2002 is gedagvaard om op 10 december 2002 te verschijnen voor de meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op verdenking van opzetheling. Bij vonnis van 10 december 2002 heeft die rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de strafvervolging op grond van het feit dat het gvo nog niet was gesloten. Op 8 september 2005 is een nieuwe dagvaarding uitgebracht. Deze dagvaarding heeft geleid tot een vonnis van 11 november 2005 van dezelfde rechtbank, waarbij de officier opnieuw niet-ontvankelijk is verklaard; ditmaal wegens overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een vervolging moet plaatsvinden. Dit vonnis is onherroepelijk geworden.

3.Het geschil

3.1.[eiser] vordert, kort gezegd, de veroordeling van de Staat tot betaling van

€ 187.996,04, vermeerderd met rente en kosten. Hij legt hieraan ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de beschikbaarstelling, op 10 oktober 2000, van het strafdossier aan zijn werkgever, de gemeente, en dat hij daardoor aanzienlijke schade heeft geleden. Deze schade is van materiële aard (verlies aan inkomen en aan pensioenopbouw) en van immateriële aard (zwaar psychisch letsel).

3.2.De Staat voert verweer. Hij beroept zich op verjaring van de rechtsvordering van [eiser] en betwist diens vordering ook overigens.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Het meest verstrekkende verweer van de Staat houdt in dat de eventuele vordering van [eiser] is tenietgegaan door verjaring. De Staat stelt dat de hem verweten onrechtmatige gedraging dateert van 10 oktober 2000 en dat [eiser] in elk geval door het besluit van 15 maart 2001 van B&W tot het disciplinaire strafontslag, weet had van het feit dat het OM aan B&W een kopie van het strafdossier ter beschikking had gesteld. Die (gestelde) onrechtmatige gedraging was hem toen dus bekend. Een daarop gebaseerde rechtsvordering was vijf jaren daarna verjaard, nu de verjaring in de tussentijd niet is gestuit. Volgens de Staat kan niet worden gezegd dat de termijn pas later - bijvoorbeeld na het einde van de strafvervolging (door de onherroepelijk geworden niet-ontvankelijkverklaring van het OM in 2005) - is aangevangen.

4.2.[eiser] heeft verklaard dat hij, ondanks navraag daartoe, nog niet beschikt over de dossiers van de bestuursrechtelijke procedures, waarin hij is bijgestaan door een andere raadsman. Hij stelt dat hij daardoor nog niet in staat is adequaat te reageren op het beroep op verjaring, bijvoorbeeld door overlegging van stuitingsbrieven die zich mogelijk in de bestuursrechtelijke dossiers bevinden.

4.3.Bij de beoordeling van het beroep op verjaring stelt de rechtbank voorop dat de aan de Staat verweten onrechtmatige gedraging uitsluitend wordt gevormd door de beschikbaarstelling van het strafdossier aan B&W, op 10 oktober 2000. Uit niets blijkt dat [eiser] direct weet heeft gehad van deze beschikbaarstelling. Uit het (primaire) besluit van 15 maart 2001 van B&W tot het strafontslag blijkt dat het mede is gebaseerd op gegevens die afkomstig zijn uit het strafdossier. [eiser] heeft uit dit - een hem wel bekende - besluit dus kunnen opmaken dat het OM het strafdossier aan B&W had verstrekt. De rechtbank onderschrijft de stelling van de Staat dat de verjaringstermijn betreffende de vordering die is gebouwd op de stelling dat deze verstrekking onrechtmatig was tegenover [eiser], op zijn laatst op dat tijdstip, dus in maart 2001, is aangevangen. Zij verwerpt het betoog van [eiser] voor zover dit inhoudt dat de verjaringstermijn later is begonnen. [eiser] was op of kort na 15 maart 2001 bekend zowel met de door hem gestelde schade (te weten de nadelige gevolgen voor zijn rechtspositie binnen de gemeente als gevolg van de bekendheid van B&W met het strafdossier) als met de daarvoor aansprakelijke persoon (het OM en dus de Staat). Het is begrijpelijk dat hij zich eerst en vooral met zijn positie als ambtenaar en als verdachte heeft beziggehouden, maar er is geen grond voor het oordeel dat verjaring van zijn - daarvan te onderscheiden - civielrechtelijke vordering pas is aangevangen nadat op die andere gebieden duidelijkheid was verkregen. Ten overvloede stelt de rechtbank hierbij vast (i) dat in de eigen visie van [eiser] de gegevens over de volgens hem kansloze strafzaak een prominente rol hebben gespeeld in zijn ontslag, (ii) dat hij in die tijd werd bijgestaan door een advocaat en (iii) dat een eenvoudige stuitingsbrief zou hebben volstaan om de verjaring tegen te houden.

4.4.Het staat vast dat [eiser] pas geruime tijd na afloop van de periode van vijf jaren vanaf 15 maart 2001 is overgegaan tot dagvaarding van de Staat naar aanleiding van deze civielrechtelijke vordering. De dagvaarding dateert immers van 30 december 2009. In deze dagvaarding heeft hij niets gesteld over een eerdere aansprakelijkstelling. Uit een en ander volgt dat de door hem gepretendeerde vordering is verjaard, tenzij de verjaring op een eerder, relevant, tijdstip is gestuit. Ook daarover is niets concreets gesteld of gebleken. Het is spijtig dat zijn advocaat tot dusver niet beschikt over de bestuursrechtelijke dossiers, maar de rechtbank ziet geen reden tot aanhouding van de behandeling teneinde hem de gelegenheid te geven daarvan alsnog kennis te nemen om te bezien of zich daarin een stuitingsbrief bevindt. Zij overweegt in dit verband het volgende. In de eerste plaats had de vraag naar een eventuele verjaring al kunnen opkomen bij het redigeren van de dagvaarding. In de tweede plaats wist [eiser] in elk geval na kennisneming van de conclusie van antwoord, die op 24 februari 2010 is genomen, dat de Staat zich op verjaring beroept. In de derde plaats heeft de rechtbank bij de onder 1.1 aangehaalde brief van 17 september 2010 van de griffier, dus ongeveer zes weken vóór de comparitie, ambtshalve aan [eiser] gevraagd om een reactie op het verjaringsverweer. Daarop is geen inhoudelijke reactie ingezonden, en in elk geval geen reactie die specifiek op dat verweer betrekking had. Ook tijdens de comparitie beschikte [eiser] niet over enige concrete informatie op dit punt. Zijn advocaat had daarover niet persoonlijk gesproken met zijn toenmalige raadsman en kon ook geen schriftelijke verzoeken aan die raadsman tonen.

4.5.Dit leidt tot de slotsom dat de rechtsvordering van [eiser] is verjaard.

4.6.Geheel ten overvloede voegt de rechtbank hieraan toe dat de vordering ook inhoudelijk niet zou hebben kunnen slagen. De centrale stelling van [eiser] is dat de Staat de schade moet vergoeden die hij, [eiser], heeft geleden als gevolg van zijn ontslag, dat berust op gegevens uit zijn (onrechtmatig beschikbaar gestelde) strafdossier. De rechtbank kan echter niet vaststellen dat het ontslag - in een mate van betekenis - is gebaseerd op enig gegeven uit het strafdossier, terwijl [eiser] ook niets concreets heeft gesteld dat tot een dergelijke conclusie zou kunnen leiden. B&W hebben, in overeenstemming met het advies van de genoemde commissie, hun uiteindelijke ontslagbesluit klaarblijkelijk doen steunen op ándere gegevens, die hun bekend waren geworden langs andere weg, te weten uit de eigen organisatie en uit het rapport van Hoffmann. De hier vermelde centrale stelling slaagt dus niet, zodat de vordering van [eiser] ook daarop afstuit.

4.7.[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van de Staat worden begroot op € 4.135 wegens griffierecht en op € 2.842 (twee punten à € 1.421, volgens tarief V) wegens salaris van de advocaat, in totaal dus € 6.977.

5.De beslissing

De rechtbank:

5.1.wijst de vordering af;

5.2.veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 6.977;

5.3.verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.