Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO6114

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
380820 / KG ZA 10-1453
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eisers vorderen te bepalen dat de immuniteit van een voormalig minister van buitenlandse zaken van Indonesië, die gedurende de behandeling van dit geschil in Nederland en aansluitend in België verblijft, buiten toepassing dient te worden gelaten en voorts de Staat te bevelen de voormalig minister gedurende zijn verblijf in Nederland aan te houden en te vervolgen wegens het plegen van misdrijven tegen de mensheid zoals strafbaar gesteld in de WIM (Wet Internatonale Misdrijven). Vooropgesteld wordt dat staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken alhier onverkort volledige strafrechtelijke immuniteit genieten, zolang zij in functie zijn. In de Parlementaire geschiedenis van de WIM staat dat vervolging van voormalige ministers van buitenlandse zaken voor een vreemde rechter is toegestaan met betrekking tot daden verricht voorafgaand of na afloop van hun ministerschap dan wel met betrekking tot daden die zij "in a private capacity" hebben verricht tijdens hun ministerschap. In literatuur en jurisprudentie onduidelijkheid over de invulling en de reikwijdte van het begrip “in a private capacity” in verband met het doen en laten van gewezen ministers van buitenlandse zaken. Die onduidelijkheid kan in onderhavige zaak verder buiten beschouwing worden gelaten, omdat het vervolgingsmonopolie rust bij het openbaar ministerie. Het openbaar ministerie komt een ruime beleidsvrijheid toe bij de vraag of een strafvervolging moet worden ingesteld of achterwege dient te blijven. De voorzieningenrechter kan een beslissing daarover slechts marginaal toetsen. Daarnaast is van belang dat de vorderingen van eisers mede betrekking hebben op het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Dat betekent op grond van vaste jurisprudentie dat een grote mate van terughoudendheid van de burgerlijke rechter geboden is bij de beoordeling daarvan, zeker indien het gaat om een kort geding. Het is immers niet aan de burgerlijke rechter om voor de voor een toewijzing van de vordering vereiste politieke afwegingen te maken. Gelet op het zeer terughoudende karakter van de rechterlijke toets is voor rechterlijk ingrijpen in dit kort geding geen plaats. Nadere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om de voormalig minister niet te vervolgen, zijn gesteld noch gebleken. Vorderingen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 380820 / KG ZA 10-1453

Vonnis in kort geding van 24 november 2010

in de zaak van

1. de Regering in ballingschap van de Republiek der Zuid-Molukken (RMS),

gevestigd te Amsterdam,

2. [eiser sub 2],

verblijvende in [verblijfplaats],

3. [eiseres sub 3],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. E. Tahitu te Amsterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Algemene Zaken en Ministerie van Buitenlandse Zaken),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W.I. Wisman te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de RMS cs’ en ‘de Staat’.

1. Het procesverloop

De zaak is op 22 november 2010 ter zitting behandeld. Op die datum hebben de RMS cs een wrakingsverzoek ingediend, waarna de behandeling is geschorst. Op 23 november 2010 is het wrakingsverzoek afgewezen en is de behandeling voortgezet. Spoedshalve is op 24 november 2010 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 en 23 november 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. De huidige republiek Indonesië was tot en met de eerste helft van de 20ste eeuw een Nederlandse kolonie. Tot die kolonie behoorde de eilandengroep de Molukken.

2.2. Na de totstandkoming van de zogenaamde ‘Ronde Tafel Akkoorden’ in 1949, heeft Nederland op 27 december 1949 de soevereiniteit overgedragen aan de Verenigde Staten van de Republiek Indonesië.

2.3. Op 25 april 1950 is te Ambon de ‘Republik Maluku Selatan’ (hierna: ‘de RMS’) geproclameerd.

2.4. In de eerste helft van de 50-er jaren van de 20ste eeuw is een groep Zuid-Molukkers (ongeveer 4.000 oud-KNIL-militairen met hun gezinsleden) op grond van een dienstbevel van de Staat naar Nederland overgebracht. Tot op heden verblijft die Molukse gemeenschap in Nederland.

2.5. Tot ongeveer 1964 heeft de RMS op de Molukken gewapend verzet gevoerd tegen de Indonesische regering. In 1964 is de toenmalige president van de RMS door een militair tribunaal ter dood veroordeeld, waarna hij op 12 april 1966 is geëxecuteerd.

2.6. In 1966 is de RMS-regering in ballingschap in Nederland tot stand gekomen. Vanaf 17 april 2010 wordt de RMS door mr. J.G. Wattilete (hierna: ‘Wattilete’) als president geleid.

2.7. Op 15 september 2010 is – tijdens zijn verblijf in een gevangenis in Indonesië – RMS-aanhanger Jusuf Sapakoly overleden. Eiseres sub 3 is zijn weduwe.

2.8. Dr. H. Wirajuda (hierna: ‘Wirajuda’) maakte in de periode 2001 tot 2009 als minister van buitenlandse zaken deel uit van de Indonesische regering. Gedurende de behandeling van dit geschil, tot en met 24 november 2010, verblijft hij in Nederland en aansluitend in België.

2.9. Wattilete, heeft op 11 november 2010 een brief verzonden aan de minister-president van Nederland, waarin onder meer staat vermeld:

“Mede namens de RMS-gevangenen, die op bijgaande namenlijst staan genoteerd, alsmede de weduwe van de vermoorde RMS-gevangene Jusuf Sapakoly, verzoekt de RMS-regering, u ons te laten weten of de Nederlandse Regering van opvatting is dat de vroegere Minister van Buitenlandse Zaken van Indonesië, dr.Hassan Wirajuda, bij zijn aankomst in Nederland, dan wel tijdens zijn verblijf alhier, kan worden aangehouden, vervolgd en berecht wegens het plegen van misdrijven tegen de menselijkheid, zoals strafbaar gesteld in de WIM.

Graag vernemen wij uiterlijk dinsdag 16 november 2010 uw standpunt.”

Op 18 november 2010 heeft Wattilete voornoemde vraag aan de Staat herhaald.

2.10. Tot op heden is van de zijde van de Staat niet (schriftelijk) gereageerd op de brieven van 11 en 18 november 2010.

3. Het geschil

3.1. De RMS cs vorderen, zakelijk weergegeven:

I. te bepalen dat de immuniteit van Wirajuda buiten toepassing dient te worden gelaten;

II. de Staat op straffe van een dwangsom te bevelen Wirajuda binnen één uur na het wijzen van dit vonnis gedurende zijn verblijf in Nederland aan te houden en te vervolgen wegens het plegen van misdrijven tegen de mensheid zoals strafbaar gesteld in de WIM;

III. bij toewijzing van de vorderingen onder I en II de Staat op straffe van een dwangsom te bevelen om bij verblijf van Wirajuda in België een verzoek tot uitlevering in te dienen bij de bevoegde Belgische autoriteiten.

3.2. Daartoe voeren de RMS cs het volgende aan. Het dekolonisatieproces, zoals vastgelegd in de ‘Ronde Tafel Akkoorden’ is tot op heden niet voltooid. Op de Nederlandse regering, als voormalig kolonisator en partij bij de ‘Ronde Tafel Akkoorden’ rust de morele en juridische verplichting om dat proces behoorlijk af te ronden en daarmee het zelfbeschikkingsrecht van het Zuid-Molukse volk alsnog te verwezenlijken. De Nederlandse regering weigert daaraan te voldoen.

In de Zuid-Molukken worden sinds de soevereiniteitsoverdracht en de proclamatie van de RMS in 1950 tot op heden aanhangers van de RMS vervolgd, gemarteld en tot onmenselijk hoge gevangenisstraffen veroordeeld wegens het enkele feit dat zij op vreedzame wijze uiting hebben gegeven aan hun gerechtvaardigd verlangen in vrijheid te willen leven. Verantwoordelijk voor de schendingen van de mensenrechten in de Zuid-Molukken zijn de opeenvolgende Indonesische regeringen.

In de periode dat Wirajuda minister van Buitenlandse Zaken was, zijn door de Indonesische politie, het leger en de antiterreureenheid Detachment Khusus 88 misdrijven tegen de mensheid, en specifiek tegen RMS-gevangenen, gepleegd. Wirajuda heeft op geen enkele wijze getracht deze misdaden te voorkomen dan wel de plegers van deze misdaden op te sporen en te vervolgen, hoewel hij van deze misdaden wist of had behoren te weten en hij daar als minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk voor was. De misdaden die door de Indonesische regering, waar Wirajuda deel van uitmaakte, zijn gepleegd, in het bijzonder marteling en foltering, zijn strafbaar gesteld in de Wet Internationale Misdrijven (WIM). Ingevolge artikel 2b van de WIM is de Nederlandse strafwet van toepassing op Wirajuda.

De minister-president van Nederland heeft geweigerd aan het verzoek van de RMS-regering gehoor te geven om Wirajuda bij aankomst en verblijf in Nederland aan te houden op grond van de WIM. Daarmee handelt de Staat onrechtmatig jegens de RMS cs.

3.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De RMS cs leggen aan hun vorderingen ten grondslag dat de Staat jegens hen onrechtmatig handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit (spoedeisende) geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven. De RMS cs zijn in hun vorderingen ook ontvankelijk, nu hun voor hetgeen zij willen bereiken thans geen andere mogelijkheden ten dienste staan. Alvorens inhoudelijk op het geschil tussen partijen in te gaan, merkt de voorzieningenrechter voor de goede orde op dat vraagtekens geplaatst zouden kunnen worden bij de ontvankelijkheid van de RMS, eiser sub 1, als procespartij en dat de RMS cs niet, althans onvoldoende, hebben aangevoerd op grond van welke rechtsverhouding eisers sub 2 en 3 de Staat in rechte hebben betrokken. Gelet op hetgeen hierna wordt overwogen en beslist kunnen de eventuele consequenties daarvan echter verder buiten beschouwing blijven.

4.2. Vooropgesteld wordt dat buiten twijfel staat dat staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken alhier onverkort volledige strafrechtelijke immuniteit genieten. Dat volgt uit artikel 8 Wetboek van Strafrecht, dat verwijst naar in het volkenrecht erkende uitzonderingen op de toepasselijkheid van de Nederlandse strafwet. Deze immuniteit volgt, in het verlengde daarvan, ook uit artikel 16 WIM, waarin strafvervolging voor de in deze wet omgeschreven misdrijven is uitgesloten ten aanzien van buitenlandse staatshoofden, regeringsleiders en ministers van buitenlandse zaken, zolang zij als zodanig in functie zijn, alsmede ten aanzien van andere personen voor zover hun immuniteit door het volkenrechtelijke gewoonterecht wordt erkend. Dit is recent door de voorzieningenrechter van deze rechtbank voor staatshoofden in functie bevestigd (zie voorzieningenrechter rechtbank 's Gravenhage 6 oktober 2010, LJN BO0384). Hetzelfde gold voor Wirajuda toen hij nog in functie was.

4.3. In onderhavige zaak staat de strafrechtelijke immuniteit van een voormalige minister van buitenlandse zaken ter discussie. In de parlementaire geschiedenis van de WIM (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001-2002, 28 337, nr. 3, pagina 20) staat daarover onder meer vermeld:

“Daarnaast is vervolging van voormalige ministers van buitenlandse zaken voor een vreemde nationale rechter toegestaan met betrekking tot daden verricht voorafgaand of na afloop van hun ministerschap dan wel met betrekking tot daden die zij «in a private capacity» hebben verricht tijdens hun ministerschap.

(…)

Van speciaal belang is de vaststelling door het Internationaal Gerechtshof dat voormalige ministers van buitenlandse zaken geen beroep op immuniteit kunnen doen met betrekking tot daden die zij «in a private capacity» hebben verricht tijdens hun ministerschap. Het Hof geeft niet nader aan om welke handelingen het daarbij gaat. De regering is van mening dat een ruime interpretatie moet worden gegeven aan het hier bedoelde begrip «daden die «in a private capacity» zijn verricht». Het hier besproken internationale immuniteitsrecht is immers in beweging. De afgelopen jaren heeft in toenemende mate de gedachte postgevat dat onder bepaalde omstandigheden het beroep op immuniteit door hoge voormalige vertegenwoordigers van staten voor de rechter van een vreemde staat dient te falen. Tegelijk is door het Internationaal Gerechtshof thans duidelijk vastgesteld dat er grenzen zijn aan deze ontwikkeling en heeft het Hof door de woorden «acts committed […] in a private capacity» te kiezen (in plaats van bijvoorbeeld «non-official acts») gekozen voor een beperkte invulling van de daden waarvoor geen immuniteit geldt ten overstaan van de vreemde nationale rechter. In het licht van deze situatie is de regering van oordeel dat enerzijds de uitspraak van het Hof als uitgangspunt dient te worden genomen, en tegelijkertijd anderzijds, binnen de door het Hof gekozen, beperkte invalshoek, ruimte open moet worden gehouden voor verdere rechtsontwikkeling op dit punt.”

4.4. De in literatuur en jurisprudentie bestaande onduidelijkheid over de invulling en de reikwijdte van het begrip “in a private capacity” in verband met het doen en laten van gewezen ministers van buitenlandse zaken kan in onderhavige zaak evenwel verder buiten beschouwing worden gelaten. Immers, zelfs indien veronderstellenderwijs ervan wordt uitgegaan dat Wirajuda zich niet op strafrechtelijke immuniteit kan beroepen en de Staat dientengevolge volledige rechtsmacht toekomt om de door de RMS cs gewenste strafvervolging voor de door hen veronderstelde internationale misdrijven in te stellen, dan nog kan de voorzieningenrechter er niet aan voorbij gaan dat bij het openbaar ministerie het vervolgingsmonopolie rust. Voor het openbaar ministerie bestaat in beginsel geen verplichting om tot vervolging over te gaan, ook niet op verzoek van burgers en/of benadeelden. Daaruit vloeit voort dat het openbaar ministerie een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de vraag of een strafvervolging moet worden ingesteld of achterwege dient te blijven en dat de voorzieningenrechter in kort geding een beslissing daarover slechts marginaal kan toetsen.

4.5. Daarnaast is van belang dat de vorderingen van de RMS cs mede betrekking hebben op het beleid van de Staat op het gebied van buitenlandse politiek, welk beleid in sterke mate zal afhangen van politieke afwegingen in verband met de omstandigheden van het geval. Dat betekent op grond van vaste jurisprudentie dat een grote mate van terughoudendheid van de burgerlijke rechter geboden is bij de beoordeling daarvan, zeker indien het gaat om een kort geding. Het is immers niet aan de burgerlijke rechter om voor de voor een toewijzing van de vordering vereiste politieke afwegingen te maken.

4.6. Gelet op het hiervoor geschetste zeer terughoudende karakter van de rechterlijke toets is voor rechterlijk ingrijpen in dit kort geding geen plaats. Nadere omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat het openbaar ministerie in redelijkheid niet heeft kunnen komen tot de beslissing om Wirajuda niet te vervolgen, zijn gesteld noch gebleken. Op grond van het voorgaande zullen de vorderingen onder I en II worden afgewezen.

4.7. De vordering genoemd onder III behoeft, nu vorderingen I en II zullen worden afgewezen, geen verdere bespreking. De RMS cs zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de RMS cs hoofdelijk in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht;

- verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.

hvd