Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5645

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
08-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/38403 VRONTN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewaring/ Zicht op uitzetting naar China.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 augustus 2010 (LJN: BN4048), is de rechtbank van oordeel dat thans niet gezegd kan worden dat de Chinese autoriteiten niet bereid zijn een laissez-passer (LP) te verstrekken, indien de vreemdelinge volledige en juiste informatie verstrekt en het te verrichten onderzoek niet frustreert. Het tijdsverloop sinds de afgifte van 17 LP’s in mei 2010, is onvoldoende om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet langer bestaat. Dat geldt temeer gezien navolgende in de brief van verweerder van 19 november 2010 vermelde contacten met de Chinese autoriteiten. In die brief is onder meer het volgende vermeld:

- Op 16 juli 2010 is een bijeenkomst georganiseerd met de Chinese ambassade op hoogambtelijk niveau.

- Op 28 oktober 2010 heeft op hoogambtelijk niveau een ontmoeting plaatsgevonden met de Chinese autoriteiten in China.

- De Chinese ambassade is op 11 november 2010 uitgenodigd voor een gesprek op ambtelijk niveau bij de Dienst Terugkeer en Vertrek.

Er bestaat gezien het voorgaande voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar China, zowel voor (deels) gedocumenteerde als voor ongedocumenteerde vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Regnr.: AWB 10/38403 VRONTN

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht

beroep vrijheidsontnemende maatregel

in het geding tussen

[Vreemdelinge], V-nummer [nummer], thans verblijvende in Detentiecentrum Rotterdam, hierna te noemen de vreemdelinge,

gemachtigde mr. G.J.K. van Andel, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

De vreemdelinge heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1978 en de Chinese nationaliteit te hebben.

Op 4 november 2010 heeft de vreemdelinge een beroepschrift ingediend bij de rechtbank. Het beroep is gericht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring die verweerder bij besluit van 21 augustus 2010 de vreemdelinge heeft opgelegd. In het beroepschrift is tevens verzocht om schadevergoeding.

De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 22 november 2010. De vreemdelinge heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. W.A. Kleingeld.

II OVERWEGINGEN

1 De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring als zodanig reeds is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 10 september 2010.

Derhalve staat thans ter beoordeling of verdere voortzetting van de maatregel van bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.

2 De vreemdelinge heeft aangevoerd dat zij actief medewerking heeft verleend om zo spoedig mogelijk tot vertrek uit Nederland te komen. Zij heeft in overleg met de regievoerder van de Dienst Terugkeer en Vertrek een brief aan de Chinese autoriteiten geschreven met het verzoek om haar vertrek naar China te bespoedigen. De vreemdelinge beschikt niet over een identiteitsdocument of een reisdocument.

Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Dordrecht, van 11 november 2010 (LJN BO3813) heeft de vreemdelinge aangevoerd dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.

3 Verweerder heeft de rechtbank schriftelijk inlichtingen verstrekt inzake zijn handelen strekkend tot uitzetting van de vreemdelinge uit Nederland. Verweerder heeft voorts ter zitting betoogd dat er nog steeds voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

4 Op grond van hetgeen partijen hebben aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de onderwerpelijke vrijheidsontnemende maatregel niet onrechtmatig is.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 augustus 2010 (LJN: BN4048), is de rechtbank van oordeel dat thans niet gezegd kan worden dat de Chinese autoriteiten niet bereid zijn een laissez-passer (LP) te verstrekken, indien de vreemdelinge volledige en juiste informatie verstrekt en het te verrichten onderzoek niet frustreert. Het tijdsverloop sinds de afgifte van 17 LP's in mei 2010, is onvoldoende om te oordelen dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn niet langer bestaat. Dat geldt temeer gezien navolgende in de brief van verweerder van

19 november 2010 vermelde contacten met de Chinese autoriteiten. In die brief is onder meer het volgende vermeld:

- Op 16 juli 2010 is een bijeenkomst georganiseerd met de Chinese ambassade op hoogambtelijk niveau.

- Op 28 oktober 2010 heeft op hoogambtelijk niveau een ontmoeting plaatsgevonden met de Chinese autoriteiten in China.

- De Chinese ambassade is op 11 november 2010 uitgenodigd voor een gesprek op ambtelijk niveau bij de Dienst Terugkeer en Vertrek.

Er bestaat gezien het voorgaande voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar China, zowel voor (deels) gedocumenteerde als voor ongedocumenteerde vreemdelingen. Het feit dat maar een klein deel van de in 2007 tot en met 2010 ingediende LP-verzoeken heeft geleid tot afgifte van een LP leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij neemt de rechtbank nog in aanmerking dat van de vreemdelinge mag worden verwacht dat zij haar volledige en actieve medewerking verleent om documenten te verkrijgen teneinde haar terugkeer naar haar land van herkomst te bewerkstelligen. Van een dergelijke volledige en actieve medewerking is de rechtbank niet gebleken. Het schrijven van een algemene brief waarin enkel medewerking van de Chinese consul wordt gevraagd bij haar vertrek, zonder concrete informatie die kan leiden tot vaststelling van haar identiteit en nationaliteit, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Door de vreemdelinge is niet aannemelijk gemaakt dat in haar geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat zij niet in staat kan worden geacht gegevens als vorenbedoeld te verschaffen.

De vreemdelinge heeft geen, haar persoonlijk betreffende, concrete feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan op voorhand moet worden uitgesloten dat de LP-aanvraag binnen een redelijke termijn zal leiden tot afgifte van een LP door de Chinese autoriteiten.

5 Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdelinge in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.

6 Het beroep is derhalve ongegrond. Er is geen grond voor het toekennen van schadevergoeding.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage

RECHT DOENDE:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter, en mrs. E. Kouwenhoven en M.M.F. Holtrop, leden, en door de voorzitter en drs. F.J.M. van den Berg, griffier, ondertekend.

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.