Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5508

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/5327 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BT8554, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inzage van minuut ten onrechte geweigerd, nu (a) de juridische analyse is aan te merken als persoonsgegeven in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp en derhalve valt onder het bereik van de Wbp en (b) niet valt in te zien waarom de opsteller van de minuut, zijn of haar resumptor dan wel andere bij of voor verweerder werkzame ambtenaren zich belemmerd voelen in de vrijheid om in een minuut argumenten en overwegingen naar voren te brengen, indien het document na afronding van de besluitvorming voor inzage vatbaar is. Verweerder kan zich derhalve evenmin beroepen op artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. Beroep gegrond. De rechtbank voorziet zelf in de zaak. Verweerder moet de minuut, na weglakking van strikt persoonlijke gegevens van de ambtenaren, aan eiser ter inzage aanbieden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/5327 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[Eiser], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. W. de Vilder, advocaat te Beek,

en

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 15 maart 2010 heeft verweerder het verzoek van eiser om toezending van de minuut behorend bij zijn besluit van 17 januari 2008 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend, dat verweerder bij besluit van

10 mei 2010 ongegrond heeft verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser op 14 juni 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Naar aanleiding van verweerders verzoek om toepassing van artikel 8:29 van de Awb ten aanzien van de gevraagde minuut heeft de rechtbank (in een andere samenstelling) geoordeeld dat beperking van de kennisneming, zoals door verweerder verzocht, gerechtvaardigd is te achten.

Eiser heeft desgevraagd, de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming verleend, waarna de rechtbank kennis heeft genomen van de geweigerde minuut.

Het beroep is op 26 oktober 2010 ter zitting behandeld.

Eiser en zijn gemachtigde zijn - met bericht van verhindering- niet verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.A. Kleingeld, ambtenaar ten departemente.

II OVERWEGINGEN

1 Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) wordt onder persoonsgegevens verstaan: elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder d, van de Wbp wordt, voor zover hier van belang, onder 'verantwoordelijke' verstaan: het bestuursorgaan dat het doel en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

Ingevolge artikel 35, tweede lid, van de Wbp bevat de mededeling als bedoeld in het eerste lid, indien zodanige gegevens worden verwerkt, een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm, een omschrijving van het doel of de doeleinden van verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft en de ontvangers of categorieën van ontvangers, alsmede de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Ingevolge artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, kan de verantwoordelijke, voor zover hier van belang, artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

2 Eiser heeft bij brieven van 29 december 2009 en 23 februari 2010 op basis van de Wbp verzocht om toezending van de minuut, die ten grondslag ligt aan verweerders besluit van 17 januari 2008. Bij dit besluit heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op de d-grond.

3 Naar aanleiding van dit verzoek heeft verweerder in het besluit van 15 maart 2010 een overzicht gegeven van de gegevens die in de minuut bij het besluit van 17 januari 2008 zijn opgenomen, de herkomst van deze gegevens alsook de instanties waaraan de gegevens voor zover noodzakelijk zijn verstrekt geduid. Inzage van de minuut heeft verweerder geweigerd. Verweerder heeft daartoe primair overwogen dat de minuut, naast de reeds bij eiser bekend zijnde persoonsgegevens, een juridische analyse van de zaak bevat. Deze analyse valt, aldus verweerder, niet onder de definitie van persoonsgegevens en derhalve is de Wbp hierop niet van toepassing.

Subsidiair heeft verweerder zich beroepen op artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp, omdat de rechten van anderen in het geding zijn. De opsteller van de minuut kan zich volgens verweerder belemmerd voelen in de vrijheid om argumenten en overwegingen naar voren te brengen, die bij de besluitvorming van belang kunnen zijn, als het document na afronding van de besluitvorming voor inzage vatbaar is. Dit zou kunnen leiden tot het niet vermelden van dergelijke overwegingen en daarmee de besluitvorming (kunnen) raken.

In bezwaar heeft verweerder dit besluit gehandhaafd.

4 Eiser handhaaft daarentegen in beroep zijn stelling dat de juridische analyse, die is neergelegd in de minuut, wel degelijk is aan te merken als een persoonsgegeven in de zin van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp en derhalve valt onder het bereik van de Wbp.

5 De rechtbank volgt eiser hierin. Zij overweegt daartoe dat blijkens de Memorie van Toelichting bij de Wbp (Tweede Kamer 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 46 en 47) de wetgever een ruime uitleg van het begrip persoonsgegevens heeft voorgestaan. Alle gegevens die informatie kunnen verschaffen over een identificeerbare natuurlijke persoon moeten als persoonsgegevens worden beschouwd. Gegevens die een neerslag vormen van een over een bepaalde persoon genomen beslissing, kunnen worden beschouwd als een deze persoon betreffend persoonsgegeven. Nu de juridische analyse van de feiten en omstandigheden in het dossier van eiser heeft geleid tot een beslissing op eisers asielaanvraag, zijn de gegevens die bij deze analyse zijn betrokken naar het oordeel van de rechtbank aan te merken als persoonsgegevens en vallen derhalve onder het bereik van de Wbp. Verweerders primaire standpunt faalt gelet op het vorenstaande.

6 Ten aanzien van het subsidiaire standpunt van verweerder heeft eiser vervolgens gemotiveerd betoogd dat de uitzonderingsgrond van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp ten onrechte door verweerder is ingeroepen.

7 De rechtbank ziet zich derhalve voor de vraag gesteld of verweerder de inzage van de juridische analyse, die is neergelegd in de geweigerde minuut, met een beroep op artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp in redelijkheid heeft kunnen weigeren. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend.

Hoewel verweerder in het bestreden besluit met juistheid heeft gesteld dat onder de term 'anderen' in artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp ook de verantwoordelijke moet worden begrepen, valt niet in te zien waarom de opsteller van de minuut, zijn of haar resumptor dan wel andere bij of voor verweerder werkzame ambtenaren zich belemmerd voelen in de vrijheid om in een minuut argumenten en overwegingen naar voren te brengen, indien het document na afronding van de besluitvorming voor inzage vatbaar is.

Verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt om welke reden de door hem beoogde bescherming niet zou kunnen worden bewerkstelligd door middel van het weglakken van gegevens die tot de desbetreffende ambtenaren herleidbaar zijn. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting weliswaar gesteld dat, omdat de opsteller van de minuut doorgaans ook de beslissing neemt en diens naam derhalve onder de beslissing staat vermeld, op deze wijze de persoonlijke gegevens van de opsteller van de minuut achterhaald kunnen worden, doch dit probleem zou verweerder kunnen ondervangen door een andere werkwijze te hanteren ten aanzien van het ondertekenen van zijn besluiten. Gesteld noch gebleken is dat dit niet mogelijk is. Het vorenstaande betekent dat ook verweerders subsidiaire standpunt niet wordt gevolgd.

8 De stelling van verweerder dat eiser bij schrijven van 23 april 2010 op de hoogte is gesteld van het voornemen van verweerder om de aan hem op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingwet 2000 (Vw) verleende asielvergunning in te trekken alsmede om hem een verblijfsvergunning op (een van) de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a,b en c, van de Vw te onthouden, zodat eiser bekend is met de redenen waarom hem geen asielstatus wordt verleend, laat ten slotte onverlet dat eiser op grond van de Wbp recht heeft op inzage van alle documenten waarin hem betreffende persoonsgegevens zijn opgenomen.

9 Gelet op het voorgaande is het bestreden besluit in strijd met de Wbp genomen.

Het beroep is gegrond. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd behoeft geen bespreking.

Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb uit het oogpunt van finaliteit zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 15 maart 2010 te herroepen.

Het vorenstaande betekent dat verweerder de minuut, na weglakking van strikt persoonlijke gegevens van de ambtenaren, aan eiser ter inzage moet aanbieden. Het betekent overigens niet dat verweerder eiser een kopie van de minuut dient te verstrekken. Zo ver gaat het inzagerecht van de Wbp immers niet.

10 Aangezien het beroep gegrond is ziet de rechtbank aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, en artikel 7:15, tweede lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling het bezwaar en beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,-- (1 punt voor het bezwaarschrift en

1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

1verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 10 mei 2010;

3 herroept het besluit van 15 maart 2010;

4 bepaalt dat de minuut na weglakking van gegevens van anderen aan eiser ter inzage wordt aangeboden;

5 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

6 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 874,-;

7 bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-, vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M.M.F. Holtrop, in tegenwoordigheid van de griffier

mr. A. Erkan.

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.