Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5429

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/2269 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BR5164, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Betreft aanwijzing van de Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam-Voorburg als beschermd dorpsgezicht in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Monumentenwet. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat verweerders redelijkerwijs hebben kunnen besluiten om de bij eiseressen in eigendom zijnde terreinen bij de aanwijzing te betrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/2269 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

de vennootschappen "[A]" en "[B]", beide gevestigd te [plaats], eiseressen,

en

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke ordening en Milieubeheer, verweerders.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 16 november 2007 (hierna: aanwijzingsbesluit) hebben verweerders de Landgoederenzone Wassenaar-Voorschoten-Leidschendam-Voorburg aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Monumentenwet 1988 (hierna: Monw). Hiertegen hebben eisseressen bezwaar gemaakt. Op 18 november 2008 is een hoorzitting gehouden.

Bij besluit van 12 februari 2010, verzonden op 15 februari 2010, hebben verweerders, overeenkomstig het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, het bezwaar ongegrond verklaard en het aanwijzingsbesluit in stand gelaten.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 28 maart 2010, ingekomen bij de rechtbank op 29 maart 2010, beroep ingesteld.

Verweerders hebben de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 oktober 2010 ter zitting behandeld.

Namens eiseressen is verschenen [C].

Verweerders hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. K. El Addouti.

II OVERWEGINGEN

Ontvankelijkheid

Ter zitting is gebleken dat de gronden die binnen het aangewezen gebied liggen in eigendom zijn bij [A] en [B]. De overige in het beroepschrift genoemde bedrijven worden geëxploiteerd door een van deze vennootschappen of bestaan niet meer. Gebleken is dat de indiener van het beroep de namen van deze bedrijven heeft gebruikt omdat deze zijn of waren gevestigd op deze terreinen. In elk geval is geen sprake van andere (rechts-)personen dan eiseressen. Daarom zijn alleen [A] en [B] als eiseressen aan te merken.

Blijkens de bij het aanwijzingsbesluit van 16 november 2007 behorende begrenzingenkaart vallen de gronden van eiseressen binnen het als beschermd dorpsgebied aangewezen gebied. Hiervoor is niet bepalend onder welk(e) bestemmingsplan(nen) die gronden vallen. Zij zijn derhalve belanghebbenden bij het bestreden besluit.

Beroepsgronden

Eiseressen hebben gesteld dat geen sprake is van een zorgvuldige procedure, omdat zij niet in de gelegenheid zijn gesteld een zienswijze tegen de aanwijzing naar voren te brengen, waardoor aanpassingen van de aanwijzing onmogelijk zijn geworden.

Voorts zijn zij van mening dat de aanwijzing geen betrekking heeft op hun gronden, aangezien die niet onder een van de genoemde bestemmingsplannen vallen.

Volgens eiseressen is niet gebleken waarom het terrein zo waardevol en karakteristiek is dat de functie daarvan niet mag veranderen. Een deugdelijk rapport waaruit dat blijkt, ontbreekt. Omdat voorziene uitbreidingen en wijzigingen van de bedrijven in de toekomst ten gevolge van de beschermde status van het gebied moeilijk zijn te realiseren, kunnen eiseressen economische schade leiden.

Daarnaast hebben eiseressen aangevoerd dat zij buiten de aanwijzing hadden moeten blijven, omdat zij bewust buiten de "Duivenvoordecorridor" zijn gelaten.

Relevante regelgeving

Artikel 1, aanhef en onder g, van de Monw verstaat onder beschermde stads- en dorpsgezichten: stads- en dorpsgezichten die door Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer als zodanig ingevolge artikel 35 van deze wet zijn aangewezen, met ingang van de datum van publikatie van die aanwijzing in de Nederlandse Staatscourant.

Artikel 35 van de Monw luidt als volgt:

1. Gehoord de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad voor cultuur (de Raad), kunnen Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer stads- en dorpsgezichten aanwijzen als beschermd stads- of dorpsgezicht en kunnen zij zodanige aanwijzingen intrekken.

2. Onze minister zendt het voorstel tot aanwijzing of intrekking gelijktijdig aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad. De gemeenteraad brengt advies uit via gedeputeerde staten binnen 6 maanden, gedeputeerde staten binnen 9 maanden en de Raad binnen 12 maanden na verzending van het voorstel.

3. Onze minister en Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer beslissen over aanwijzing of intrekking binnen zestien maanden na verzending van het voorstel.

4. De bekendmaking van een besluit tot aanwijzing of tot intrekking daarvan geschiedt door plaatsing in de Staatscourant. Van het besluit wordt mededeling gedaan in de daarvoor in aanmerking komende dag- of nieuwsbladen en aan de gemeenteraad, gedeputeerde staten en de Raad.

Beoordeling

De rechtbank stelt, mede aan de hand van het verhandelde ter zitting, vast dat de publicatie van het voorontwerp van de aanwijzing op de voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden, te weten conform artikel 3:42 van de Awb in het huis-aan-huisblad "Groot Voorschoten". Eiseressen hadden dus, zoals verweerders terecht hebben aangevoerd, op de hoogte kunnen zijn van het voorgenomen besluit tot aanwijzing. Eiseressen hebben overigens ook de gelegenheid gekregen hun zienswijzen kenbaar te maken op een gehouden informatieavond en tot vier weken daarna. De stelling van eiseressen dat zij hiervan geen kennis hebben kunnen nemen omdat zij het bedoelde blad niet ontvangen, komt - gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State; zie bijvoorbeeld haar uitspraak van 21 mei 2008, LJN: BD2076 en gepubliceerd in JB 2008/138 - voor hun risico. Het had op de weg van eiseressen gelegen maatregelen te treffen om van de inhoud van de voor hen mogelijk van belang zijnde publicaties kennis te kunnen nemen.

Blijkens de gedingstukken is het aanwijzingsbesluit voorzien van een uitvoerige toelichting, waarin onder meer een nadere typering van de te beschermen waarden is gegeven.

In die toelichting is vermeld (p. 4) dat aan weerszijden van de Veurseweg, waaraan de gronden van eiseressen zijn gelegen, belangrijke boerderijenplaatsen liggen. Een aanzienlijk deel fungeerde als pachtboerderijen. Voorts is van grote landschappelijke betekenis de zichtlijnen en weidse panorama's die verschillende buitens met elkaar verbinden, zoals onder meer bij Duivenvoorde. Daarnaast is hierin vermeld dat de landgoederenzone een visueel en functioneel samenhangend ensemble van 18de- en 19de-eeuwse landgoederen en buitenplaatsen, parken en tuinen, historische boerderijen en weidegronden, en vroeg 20ste-eeuwse villaparken is, dat een voor ons land zeldzaam warande-achtig karakter draagt, gekenmerkt door een duidelijk herkenbare en goed bewaard gebleven historische en landschappelijke continuïteit. Het gebied is van groot historisch-geografisch, cultuur-historisch, architectuurhistorisch en stedenbouwkundig belang.

Eiseressen hebben de inhoudelijke juistheid van deze toelichting niet bestreden.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders aldus voldoende gemotiveerd waarom het gebied waarin de gronden van eiseressen zijn gelegen, is aangemerkt als een gebied in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Monw en op grond daarvan is aangewezen als beschermd dorpsgebied. Eiseressen hebben niet gewezen op feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen geven tot twijfel of de bij hun in eigendom behorende gronden onvoldoende beschermingswaardig zijn om een aanwijzing ingevolge artikel 35, eerste lid, van de Monw te rechtvaardigen.

De stelling van eiseressen dat zij economische schade zullen leiden door beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van hun gronden en opstallen brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat deze stelling algemeen en niet nader onderbouwd is, de schade staat geenszins vast, en overigens dat eventuele schade slechts een indirect gevolg van het aanwijzingsbesluit is. Eventuele extra kosten wegens specifieke eisen aan verbouwingen vloeien immers slechts voort uit de bepalingen van een bestemmingsplan, ook indien dit plan naar aanleiding van een aanwijzing is gewijzigd.

Ter zitting is gebleken dat het ontwerp-bestemmingsplan in een vergevorderd stadium is. De beroepsgrond van eiseressen dat de bij het aanwijzingsbesluit gestelde termijn van drie jaar voor wijziging van het geldend bestemmingsplan veel te kort is, mist dan ook feitelijke grondslag.

De stellingen van eiseressen over "de Duivenvoordecorridor" - als verbinding van nationaal landschap Het Groene Hart met het strandwallenlandschap rond Wassenaar- houden geen verband met de waarden van het gebied. De omstandigheid dat de gronden van eiseressen buiten deze corridor vallen, mist daarom betekenis voor de toetsing van het bestreden besluit.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de conclusie dat verweerders redelijkerwijs hebben kunnen besluiten om de bij eiseressen in eigendom zijnde terreinen bij de aanwijzing te betrekken.

De klacht van eiseressen dat het nemen van het bestreden besluit te lang heeft geduurd is gegrond , maar maakt het besluit niet onrechtmatig. Eiseressen hadden op basis van artikel 6:2, aanhef en onder b van de Awb, beroep kunnen instellen tegen het uitblijven van de beslissing op bezwaar, hetgeen zij hebben nagelaten.

Het beroep is ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.P.M. Meskers, mr. J.L. Verbeek en mr.dr. L.M. Koenraad, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar op 24 november 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.