Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5392

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 24675 & AWB 10 / 24676
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring, 1 F Vv, artikel 3 EVRM risico, duurzaamheidsvereiste, derde land

In rechte is vast komen te staan dat artikel 1 F Vv van toepassing is. Tevens is aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser verblijft sinds 1998 (12 jaar) in Nederland.

In het bestreden besluit wordt eiser ongewenst verklaard. Niet is gebleken dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te voldoen aan zijn vertrekplicht. Niet is aannemelijk gemaakt dat hij niet kan vertrekken naar Pakistan, alwaar hij na vertrek uit Afghanistan een maand heeft verbleven. Op de dag van de zitting bij de rechtbank wijst verweerder er bij faxbericht op dat eiser op 12 mei 2009 heeft verklaard dat hij één broer in Pakistan heeft.

Eiser dient te worden gevolgd in zijn in beroep ingenomen standpunt dat niet begrijpelijk is dat verweerder hem tegenwerpt dat hij zijn verblijf in Pakistan niet nader met documenten heeft onderbouwd. In de onderhavige zaak heeft eiser reeds in zijn eerste gehoor in 1998 verklaard dat hij ongeveer 27 of 28 dagen heeft verbleven bij zijn broer en zwager in Peshawar met als doel het vinden van een reisagent. Niet gebleken is dat verweerder deze feiten op enig moment in een van de eerdere procedures ongeloofwaardig heeft geacht. Nu uit de brief van de Minister van 27 augustus 2010 volgt dat een land waarin enkel op doorreis wordt verbleven niet wordt aangemerkt als een land waar mogelijk toegang zal worden verleend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang tot Pakistan krijgt.

In de fax van 1 oktober 2010 stelt verweerder zich kennelijk met aanvulling van de motivering van het bestreden besluit op het standpunt dat eiser heeft verklaard één broer in Pakistan te hebben, hetgeen kennelijk een ander aanknopingspunt voor toegang zou kunnen zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank treft de ter zitting hiertegen ingebrachte beroepsgrond, te weten dat deze motivering geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, doel.

De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het wegens motiveringsgebrek te vernietigen besluit in stand te laten op basis van de in de brief van verweerder van 1 oktober 2010 gegeven motivering, nu eiser heeft aangegeven dat zijn broer thans illegaal in Rusland verblijft. Weliswaar is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet aan zijn vertrekplicht -naar landen die daarvoor in aanmerking komen- kan voldoen, echter daarbij dient eiser wel met inachtneming van de goede procesorde in de gelegenheid te worden gesteld om te reageren op tegenwerpingen van de zijde van verweerder en deze reactie nader te onderbouwen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 24675 (beroep)

AWB 10 / 24676 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 25 november 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit,

eiser/verzoeker,

verder te noemen eiser,

gemachtigde: mr. drs. A. Hol, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verweerder heeft eiser bij besluit van 26 oktober 2006 ongewenst verklaard ex artikel 67, eerste lid en onder e van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Eiser heeft tegen het besluit op 30 oktober 2006 bezwaar gemaakt. Verweerder heeft het bezwaar laatstelijk bij besluit van 6 juli 2010 ongegrond verklaard. Eiser heeft tegen dit besluit op 9 juli 2010 beroep ingesteld.

1.2 Eiser heeft op 9 juli 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten totdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Tevens verzoekt hij te bepalen dat de strafrechtelijke rechtsgevolgen van zijn ongewenstverklaring worden geschorst totdat op het beroepschrift is beslist.

1.3 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Aan de orde is het beleid zoals door verweerder uitgewerkt in paragraaf C4/3.11.3.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Hierin staat dat de term duurzaam ten eerste inhoudt dat de vreemdeling zich op het moment dat het besluit wordt genomen reeds gedurende tien jaren zonder verblijfsvergunning in Nederland in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 EVRM niet kan worden uitgezet, te rekenen vanaf datum eerste asielaanvraag. De term duurzaam houdt verder in dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. De vreemdeling dient tot slot aannemelijk te hebben gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen van de vreemdeling om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is.

2.2 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld.

In rechte is komen vast te staan dat artikel 1 (F) Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is.

Op goede gronden is geconcludeerd dat eiser ongewenst kan worden verklaard in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland. Verwezen wordt naar verweerders beleid in A5/2 onder e, van de Vc.

Eerder en ook thans in het bestreden besluit wordt aannemelijk geacht dat eiser bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Eiser kan, onder de huidige omstandigheden, niet worden uitgezet naar het land van herkomst, terwijl hem geen verblijfstitel wordt verleend. Niet is echter gebleken dat eiser voldoende inspanningen heeft verricht om te voldoen aan zijn vertrekplicht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst voor hem niet mogelijk is. Dienaangaande is in het bestreden besluit het volgende overwogen.

“ Betrokkene heeft verklaard dat hij na zijn vertrek uit het land van herkomst op 5 mei 1998 en vóór zijn inreis in Nederland op 2 juni 1998 heeft verbleven in Pakistan. Ten overstaan van de ambtelijke commissie heeft betrokkene op 12 mei 2009 verklaard dat het doel van zijn verblijf in Pakistan is gelegen in het vinden van een reisagent.

Overwogen wordt dat de enkele, niet nader met documenten onderbouwde verklaring van betrokkene dat hij gedurende bijna een maand in Pakistan heeft verbleven, enkel met het doel om verder te reizen, onvoldoende is om aan te nemen dat betrokkene zich niet weer in Pakistan zou kunnen vestigen. Niet is gebleken dat betrokkene enige poging heeft ondernomen om toegelaten te worden tot een derde land.”

Nu hiermee niet aan het duurzaamheidsvereiste is voldaan behoeft de proportionaliteitstoets in beginsel niet plaats te vinden, aldus verweerder.

Subsidiair neem verweerder in het bestreden besluit het standpunt in dat in het kader van de proportionaliteitstoets niet is aangetoond dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning in het geval van eiser disproportioneel is.

Verweerder heeft op de dag van de zitting bij de rechtbank, te weten op 1 oktober 2010, de rechtbank en de gemachtigde van eiser een fax doen toekomen waarbij een afschrift is overgelegd van een brief van de minister van Justitie van 27 augustus 2010 (kenmerk INDUIT10-2707) waarin, aldus verweerder, het standpunt is verwoord met betrekking tot één van de criteria voor het aannemen van duurzame schending van artikel 3 EVRM, namelijk het criterium dat de vreemdeling aannemelijk moet hebben gemaakt dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te voldoen aan zijn vertrekplicht. In dat kader wijst verweerder er op dat eiser op 12 mei 2009 tegenover verweerder heeft verklaard één broer te hebben in Pakistan (zie bladzijde 5 van het verslag van de hoorzitting).

2.3 De rechtbank citeert uit de genoemde brief van 27 augustus 2010 het volgende.

“Eén van de criteria voor het aannemen van een duurzame schending van artikel 3 EVRM is, dat betrokkene aannemelijk moet hebben gemaakt dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te voldoen aan zijn vertrekplicht. Dit houdt in dat van de vreemdeling verwacht mag worden dat hij serieuze pogingen onderneemt te vertrekken naar landen waarnaar gelet op de feiten en omstandigheden mogelijk toegang zal worden verleend. Dit kunnen landen zijn waar de vreemdeling of zijn familie eerder heeft verbleven en waarbij dat verblijf niet enkel doorreis betrof. Daarnaast zijn er ook andere aanknopingspunten die kunnen leiden tot de conclusie dat de betrokken vreemdeling een band heeft met een land welke in redelijkheid de verplichting in het leven roept om hier naartoe te vertrekken. Andere aanknopingspunten kunnen bijvoorbeeld zijn: de aanwezigheid van familie of het hebben van een netwerk in een derde land. Deze unieke aanknopingspunten zijn niet uitputtend bedoeld en worden daarom per individueel geval getoetst. Uitgangspunt blijft daarbij dat omstandigheden waarin in redelijkheid niet zou kunnen worden verlangd naar een derde land te vertrekken door de vreemdeling zelf gesteld en aannemelijk dienen te worden gemaakt. “

2.4 Eiser bestrijdt dat hij zich (weer) in Pakistan kan vestigen en heeft in beroep aangevoerd dat hij zich voorafgaand aan zijn komst naar Nederland op illegale wijze naar Pakistan heeft begeven en aldaar illegaal heeft verbleven totdat hij Pakistan met behulp van een reisagent kon verlaten. Eiser begrijpt niet waarom verweerder hem tegenwerpt dat hij zijn verblijf in Pakistan niet “nader met documenten” heeft onderbouwd. Indien verweerder twijfelt aan eisers eerder verblijf in Pakistan, kan verweerder immers in redelijkheid niet tegenwerpen dat eiser zich weer in Pakistan kan vestigen. Van een vestiging in Pakistan, laat staan een legale vestiging, is geen sprake geweest. Eiser en zijn gezin waren in Pakistan slechts op doorreis, in afwachting van een uitreis naar Nederland. Voorts benadrukt eiser dat Pakistan, naast Afghanistan, bij uitstek het land is waar hij voor vervolging en/of bejegeningen als verboden door artikel 3 EVRM te vrezen heeft. Pakistan is de bakermat van het moslimfundamentalisme in Afghanistan, de Mujaheddin hebben er een sterke machtsbasis. Tevens bestaan er sterke aanwijzingen dat de Pakistaanse geheime dienst de Taliban in haar strijd in Afghanistan steunt. Voorts kent Pakistan een stammencultuur. Eiser, Tadzjiek met een typisch Tadzjiekse naam zou zich nimmer ongemerkt onder kunnen dompelen in de Pakistaanse samenleving. De Pashtun zouden hem spoedig herkennen en/of ontmaskeren als voormalig functionaris van de regering [naam], aldus eiser.

Ter zitting heeft eiser, in reactie op de door verweerder toegestuurde brief van 27 augustus 2010, er op gewezen dat de tegenwerping dat hij een broer in Pakistan zou hebben geen onderdeel uitmaakt van de motivering in het bestreden besluit, en alleen al om die reden niet bij de beoordeling door de rechtbank kan worden betrokken. Overigens stelt eiser dat zijn broer inmiddels illegaal in Rusland verblijft.

2.5 Eiser dient te worden gevolgd in zijn in beroep ingenomen standpunt dat niet begrijpelijk is dat verweerder hem tegenwerpt dat hij zijn verblijf in Pakistan niet nader met documenten heeft onderbouwd. In de onderhavige zaak heeft eiser reeds in zijn eerste gehoor in 1998 verklaard dat hij ongeveer 27 of 28 dagen heeft verbleven bij zijn broer en zwager in Peshawar met als doel het vinden van een reisagent. Niet gebleken is dat verweerder deze feiten op enig moment in een van de eerdere procedures ongeloofwaardig heeft geacht. Nu uit de brief van de Minister van 27 augustus 2010 volgt dat een land waarin enkel op doorreis wordt verbleven niet wordt aangemerkt als een land waar mogelijk toegang zal worden verleend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet zonder nadere motivering in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen toegang tot Pakistan krijgt.

2.6 In de fax van 1 oktober 2010 stelt verweerder zich kennelijk met aanvulling van de motivering van het bestreden besluit op het standpunt dat eiser heeft verklaard één broer in Pakistan te hebben, hetgeen kennelijk een ander aanknopingspunt voor toegang zou kunnen zijn.

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank treft de ter zitting hiertegen ingebrachte beroepsgrond, te weten dat deze motivering geen onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit, doel.

2.8 De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het wegens motiveringsgebrek te vernietigen besluit in stand te laten op basis van de in de brief van verweerder van 1 oktober 2010 gegeven motivering, nu eiser heeft aangegeven dat zijn broer thans illegaal in Rusland verblijft. Weliswaar is het aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat hij niet aan zijn vertrekplicht -naar landen die daarvoor in aanmerking komen- kan voldoen, echter daarbij dient eiser wel met inachtneming van de goede procesorde in de gelegenheid te worden gesteld om te reageren op tegenwerpingen van de zijde van verweerder en deze reactie nader te onderbouwen.

2.9 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit zal vanwege strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden vernietigd. Verweerder zal worden opdragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De overige beroepsgronden behoeven thans geen bespreking.

2.10 Voorts ziet de rechtbank in het onderhavige geval aanleiding ambtshalve, met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, Awb een voorlopige voorziening te treffen en de werking van het besluit tot ongewenstverklaring op te schorten tot vier weken nadat verweerder op het bezwaarschrift heeft beslist. Hierbij zij opgemerkt dat het aan het Openbaar Ministerie en eventueel de strafrechter is om te bepalen welke strafrechtelijke consequenties aan de bestuursrechtelijke schorsing van het besluit tot ongewenstverklaring worden verbonden.

2.11 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die Eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag op grond van artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.12 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:74, eerste lid, Awb verweerder opdragen het betaalde griffierecht te vergoeden.

Verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het beroep

2.13 Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.14 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal dit verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.15 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 437,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

2.16 Met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb gelast de rechtbank dat verweerder het betaalde griffierecht moet vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 6 juli 2010;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift;

3.4 bepaalt ambtshalve bij wijze van voorlopige voorziening dat de werking van het besluit tot ongewenstverklaring wordt geschorst tot vier weken nadat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift heeft beslist;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier in verband met het beroep;

3.6 draagt verweerder op € 150,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het beroep;

De voorzieningenrechter:

3.7 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening connex aan het beroep af;

3.8 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 437,- te betalen aan de griffier in verband met het verzoek;

3.9 draagt verweerder op € 150,- aan eiser te betalen als vergoeding voor het betaalde griffierecht, in verband met het verzoek.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, tevens voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van drs. M.A.J. Arts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 november 2010.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak alsmede de ambtshalve getroffen voorlopige voorziening betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening connex aan het beroep betreft, geen hoger beroep open.