Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5327

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
09/757359-10 en 09/900925-06 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn vriendin met benzine overgoten en in brand gestoken, nadat hij tevoren al had aangekondigd dat hij dit zou gaan doen en de daarvoor benodigde benzine alvast had klaargezet. Gevangenisstraf van 10 jaar + TBS met verpleging van overheidswege. TUL: toegewezen 1 maand gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/757359-10 en 09/900925-06 (TUL)

Datum uitspraak: 29 november 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1962,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden te Zoetermeer.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 31 mei, 23 augustus en 15 november 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. T. Berger en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.A. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 februari 2010 te 's- Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg:

- benzine, althans een brandbare stof over die [slachtoffer] heeft gegoten, althans die [slachtoffer] in aanraking heeft gebracht met een brandbare vloeistof, en/of

- benzine, althans een brandbare stof in aanraking heeft gebracht met een brandende aansteker/sigaret, althans met open vuur,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 februari 2010 te 's-Gravenhage aan [slachtoffer] opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel (te weten: tweede en derde graads brandwonden op hoofd en/of lichaam), heeft toegebracht, door opzettelijk en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg:

- benzine, althans een brandbare stof over die [slachtoffer] te gieten, althans die [slachtoffer] in aanraking te brengen met een brandbare vloeistof, en/of

- benzine, althans een brandbare stof in aanraking te brengen met een brandende aansteker/sigaret, althans met open vuur,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 303 lid 1 Wetboek van Strafrecht

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 22 februari 2010 te 's-Gravenhage roekeloos, althans grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig:

- [slachtoffer] in aanraking heeft gebracht met een benzine, althans een brandbare stof en/of

- benzine, althans een brandbare stof in aanraking heeft gebracht met een brandende aansteker/sigaret, althans open vuur,

waardoor het aan zijn schuld te wijten is geweest dat die [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (te weten: tweede en derde graads brandwonden op hoofd en/of lichaam) heeft bekomen;

art 308 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 22 februari 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een woning ( aan de [adres]), immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine, althans een brandbare stof in aanraking gebracht met een brandende aansteker/sigaret, althans open vuur, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar, althans gevaar voor zwaar lichamelijk letsel, voor [slachtoffer] en/of een of meer bewoner(s) van omliggende woningen en/of gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

art 157 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3. De geldigheid van de dagvaarding

De tenlastelegging onder 1 subsidiair vangt aan met een op art. 302 Sr. toegesneden feitelijke omschrijving waarbij verdachte verweten wordt dat hij [slachtoffer] al dan niet met voorbedachten rade zwaar mishandeld heeft door haar tweede- en derdegraads brandwonden toe te brengen (voltooid delict). De laatste regel van dit gedeelte van de tenlastelegging bezigt echter bewoordingen ('terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid') die zien op een poging tot dit delict. De tenlastelegging onder 1 subsidiair is om die reden innerlijk tegenstrijdig, hetgeen tot nietigheid van de gehele dagvaarding onder 1 subsidiair dient te leiden. Partiële nietigverklaring is in geval van innerlijke tegenstrijdigheid niet mogelijk, nu dit leidt tot grondslagverlating.

4. Het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 22 februari 2010 opzettelijk en met voorbedachten rade benzine over [slachtoffer] heeft gegoten en die benzine vervolgens in brand heeft gestoken, hetgeen volgens de officier van justitie moet worden gekwalificeerd als een poging tot moord (feit 1 primair). Daarnaast verwijt de officier van justitie de verdachte op dezelfde plaats en hetzelfde tijdstip de opzettelijke brandstichting in een woning waardoor hij gevaar heeft teweeggebracht voor [slachtoffer], omwonenden en goederen (feit 2).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft begaan.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat er weliswaar door toedoen van verdachte benzine op [slachtoffer] is terecht gekomen en dat die benzine heeft vlam gevat, maar dat dit het gevolg is van een ongeluk en dat er geen opzet in het spel was.

De verdediging is van mening dat verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot moord dan wel poging tot doodslag (feit 1 primair), van zware mishandeling (al dan niet met voorbedachte raad) (feit 1 subsidiair) en van opzettelijke brandstichting (feit 2) en dat hij alleen kan worden veroordeeld voor het door zijn schuld bij [slachtoffer] ontstaan van tweede- en derdegraads brandwonden (feit 1 meer subsidiair).

4.3 De beoordeling van de tenlastelegging1*

Vaststaande niet betwiste feiten

Vooropgesteld kan worden dat over een aantal feiten in deze zaak geen verschil van mening bestaat tussen openbaar ministerie en verdediging en dat de rechtbank ook ambtshalve geen redenen ziet om daaraan te twijfelen. De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer] op 22 februari 2010 in haar woning aan de [adres] in Den Haag in aanraking is gekomen met een hoeveelheid benzine en dat die benzine vervolgens heeft vlam gevat. Als gevolg daarvan heeft zij tweede- en derdegraads brandwonden opgelopen. De rechtbank stelt bovendien vast dat verdachte bij dit incident aanwezig was en dat hij op de een of andere wijze de veroorzaker is geweest van het ontbranden van de benzine2*.

Opzet of een ongeluk?

De vraag die allereerst voorligt, is of hierbij sprake is geweest van opzet of van een ongeluk.

De belangrijkste aanwijzing die duidt op opzet van verdachte is de eerste verklaring die [slachtoffer] ([slachtoffer]) na het incident in het ziekenhuis tegenover de politie heeft afgelegd3*. Zij verklaart daarin het volgende:

Hij heeft de jerrycan over m'n hoofd, ja op mijn hoofd gegoten. Over m'n hoofd gegoten. Om mij te doden4*. Hij heeft het uh, ja, mijn hoofd in brand gestoken5*. (Vraag: waarmee heeft [verdachte] jou overgoten?) Jerrycan. (Vraag: wat zat er in de jerrycan?) Benzine. Benzine voor uh de scooter. Toen hij uh mij overgoten heeft, uhm, heeft hij het uh toen in daarna in brand gestoken. Met een lighter, met een aansteker. Hij heeft niks gezegd. (Vraag: waar heeft hij de benzine allemaal bij jou overgoten?) Op mijn hoofd. Dus over mijn hoofd. M'n benen, dus m'n benen, m'n handen en m'n gezicht. Ik stond in de keuken, hij kwam aanrennen en hij zei: en nu ga ik je doodmaken6*. Ja en toen heeft ie de jerrycan over m'n hoofd gegoten. Geen ruzie7*.

Tijdens haar tweede verhoor op 23 april 2010, verandert [slachtoffer] echter haar verhaal zodanig dat op basis daarvan niet kan worden uitgegaan van opzet. Zij verklaart dan dat het een ongeluk was. Verdachte heeft met de jerrycan geschud. Toen is er benzine op haar gespat. Toen is er een sigaret op de grond gevallen waardoor zij van beneden naar boven verbrand is. Ook in de verklaringen die zij daarna nog aflegt blijft zij erbij dat het een ongeluk was.

De tweede versie van de verklaringen van [slachtoffer] sluit aan bij de verklaringen van verdachte voor wat betreft de conclusie dat geen sprake is geweest van opzet maar van een ongeluk. Verdachte heeft op 25 februari 2010 verklaard dat hij benzine in de brommer zou gaan doen. Hij schudde de jerrycan om te zien hoeveel er nog in zat. Hij heeft met een sigaret in zijn rechterhand de dop eraf gedraaid. Toen kwam er een vlam uit de jerrycan. Hij gooide de jerrycan tegen de muur en toen pakte het vuur [slachtoffer].

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de eerste verklaring van [slachtoffer] niet kan worden gevolgd.

De rechtbank hecht echter meer geloof aan de eerste verklaring, omdat deze verklaring wordt ondersteund door diverse andere bewijsmiddelen in het dossier.

Om te beginnen zijn er beeld- en geluidsopnames van een gesprek tussen [slachtoffer] en haar dochter, dat heeft plaatsgevonden op 22 maart 2010 8*. In dat gesprek is het volgende gezegd:

Dochter: Mama, wat was er eigenlijk gebeurd mama? Wat heeft hij mama verbrand?

[slachtoffer]: Zegt fluisterend ja.

Dochter: Als ie mama verbrand heeft, knik dan met je gezicht.

[slachtoffer]: Knikt ja met haar hoofd.

Dochter: En heeft hij dat per ongeluk gedaan of expres. Expres?

[slachtoffer]: Knikt ja met haar hoofd en fluistert ja.

Dochter: Benzine?

[slachtoffer]: Knikt ja met haar hoofd.

Dochter: Met sigaret of vuur?

[slachtoffer]: Fluistert vuur.

Dochter: Geen ruzie, gewoon zomaar, gewoon zo?

[slachtoffer]: Fluistert ja.

Daarnaast is er een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut dat is opgemaakt door dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts, naar aanleiding van de letsels van [slachtoffer]. Aan de deskundige zijn drie scenario's voorgelegd:

scenario I, dat uitgaat van de hierboven genoemde verklaring van verdachte (weggeworpen jerrycan);

scenario II, dat uitgaat van de hierboven genoemde eerste verklaring van [slachtoffer] (opzetscenario);

scenario III, dat uitgaat van de hierboven genoemde tweede verklaring van [slachtoffer] (gevallen sigaret).

In het rapport wordt geconcludeerd dat het geheel aan onderzoeksresultaten (beoordeling letsels, medisch dossier en literatuur) goed past bij een vlampatroon door in brand geraakte, met brandversnellende middelen doordrenkte, huid en kleding. De bevindingen passen niet goed bij ontploffing met alcohol- of benzineachtige stoffen nabij het slachtoffer, en evenmin bij andere huidbrandpatronen zoals explosie, immersie en overstroomd raken met een hete vloeistof. Het geheel aan onderzoeksresultaten is waarschijnlijker als scenario II (mishandeling) heeft plaatsgevonden, dan als scenario I (weggeworpen jerrycan) of scenario III (gevallen sigaret) heeft plaatsgevonden9*.

Voorts is er een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut dat is opgemaakt door ir. J.H.L.M. Lelieveld, deskundige brandtechnisch, technisch en materiaalkundig onderzoek. De conclusie van het rapport luidt dat de bevindingen van het onderzoek zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer de benzine door een open vlam (bijvoorbeeld een aansteker) is ontstoken dan door een brandende sigaret10*.

Er zijn, gedurende de periode dat verdachte (uit andere hoofde) gedetineerd zat voorafgaand aan het tenlastegelegde feit, tussen 15 januari 2010 en 12 februari 2010, verscheidene telefoongesprekken opgenomen,waarin hij zijn vriendin bedreigt11*. Verdachte zegt daarin tegen [slachtoffer]: "Als ik vrijkom breek ik jouw smoel voor je"12*. "Ik laat jou niet levend. Ik zeg het nogmaals. Je blijft niet in leven"13*. "Binnenkort kom ik vrij. Ik kom en ik sla je met een hamer en laat je onder het bloed daarbinnen. Hoor je mij? Ik steek je ogen uit"14*. "Ik laat jou ergens uitdrogen totdat je doodgaat"15*. "Je belandt in het ziekenhuis of in een doodskist"16*.

Voorts wordt het opzetscenario ondersteund door het telefoongesprek tussen verdachte en [slachtoffer] dat plaatsvond op 26 januari 2010 en waarin het volgende wordt gezegd: [verdachte] zegt dat als Opsporing Verzocht begint, hij [slachtoffer] zal bellen. Veertig minuten later (als het programma klaarblijkelijk bezig is), belt [verdachte] naar [slachtoffer] en vraagt of zij naar Opsporing Verzocht kijkt. Ruim anderhalf uur later belt [verdachte] weer en vraagt: "Heb je gezien hoe ze de vrouw in brand hebben gestoken?" [slachtoffer] vraagt: "Hoezo, waarom hebben zij haar verbrand?" [verdachte] zegt: "Ze hebben benzine over haar heen gegoten en haar dan in brand gestoken." [slachtoffer] zegt: "Waarom vraag je: zie je zo hebben ze de vrouw in brand gestoken. Hoezo, wil je soms hetzelfde met mij doen? Je wist niet hoe snel je het aan mij moest vertellen, want je denkt dat je nu ervaring hebt opgedaan in zulke dingen? Wil je van hun leren en daarna ga je te werk."17* Naar aanleiding van het telefoongesprek heeft de verbalisant de beelden van de betreffende televisie-uitzending bekeken. Daarin was sprake van een vrouw die werd overgoten met een brandbare vloeistof en in brand gestoken. Nog diezelfde avond overleed zij aan haar verwondingen18*.

De rechtbank concludeert uit dit gesprek dat verdachte al op 26 januari 2010 nadacht over de mogelijkheid om zijn vriendin te doden door haar met benzine te overgieten en in brand te steken.

Dit beeld wordt nog verder versterkt door de verklaring van de getuige [getuige 1]19*. Hij verklaart dat hij [verdachte] heel vaak heeft horen zeggen dat hij [slachtoffer] in brand zou gaan steken20*. "Ik steek je deze keer in brand dat weet ik honderd procent zeker dat [verdachte] dat vaak heeft gezegd tegen [slachtoffer]."21* De getuige kent [verdachte] ongeveer vijftien jaar en noemt hem een goede vriend.22* De rechtbank acht de getuige om die reden betrouwbaar.

Nog twee punten verdienen bespreking in het kader van de vraag of het opzetscenario bewezen kan worden verklaard.

[slachtoffer] heeft tegenover de rechter-commissaris verklaard dat zij in haar eerste verklaring in strijd met de waarheid heeft verklaard omdat zij een beetje duizelig was en dat zij in coma had gelegen en er niet helemaal bij was. De verdediging heeft bovendien gesuggereerd dat de eerste verklaring van [slachtoffer] tot stand is gekomen door beïnvloeding van buitenaf gedurende de dagen dat zij in comateuze toestand was. De behandelende artsen hebben echter vastgesteld dat haar geheugen intact was, zodat de rechtbank deze suggestie verwerpt.

Verder is erover gespeculeerd, onder meer door het slachtoffer in haar latere verklaringen, dat het feit dat haar hoofdhaar niet heeft vlamgevat er op zou duiden dat sprake is geweest van een ongeluk. Deze theorie wordt echter niet gesteund door hetgeen in de deskundigenrapporten naar aanleiding van de verwondingen is gerapporteerd en is ook niet op andere wijze aannemelijk geworden. Het feit dat het haar niet in brand is geraakt staat naar het oordeel van de rechtbank aan een bewezenverklaring van de opzetvariant niet in de weg.

Op basis van de eerste verklaring van [slachtoffer] in samenhang met het hiervoor besproken steunbewijs komt de rechtbank tot het oordeel dat inderdaad sprake is geweest van opzet.

Opzet gericht op de dood

Voor wat betreft de vraag of het opzet van verdachte ook was gericht op een dodelijke afloop, is de rechtbank van oordeel dat uit de aard van zijn handelingen (het gieten van benzine over het lichaam van [slachtoffer] en die benzine vervolgens aansteken) volgt dat - in ieder geval in voorwaardelijke zin - sprake was van opzet op het toebrengen van zodanig letsel dat [slachtoffer] aan haar verwondingen zou overlijden. Dat ook verdachte hiervan op de hoogte was, leidt de rechtbank af uit het door hem met [slachtoffer] besproken programma van Opsporing Verzocht, waarin het overlijden van het slachtoffer ter sprake kwam. Dat gevolg heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval bewust aanvaard.

Poging tot moord

Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of in deze zaak gesproken kan worden van een poging tot moord. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Voor bewezenverklaring van poging tot moord is onder meer vereist dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Daarvan is sprake indien de verdachte tijd had zich te beraden op het te nemen of genomen besluit, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Dat daarvan in dit geval sprake is geweest leidt de rechtbank af uit het telefoongesprek over Opsporing Verzocht, uit de getuigenverklaring van verdachtes vriend [getuige 1] en uit het feit dat verdachte de benodigde benzine van tevoren in de woning heeft klaargezet. Verdachte heeft immers verklaard dat hij de jerrycan boven in een kamer heeft gezet, terwijl die eigenlijk in de kelder hoorde23*.

Opzettelijke brandstichting

Uit de bewezenverklaring van de poging tot moord, de daartoe gebezigde bewijsmiddelen en de overwegingen die de rechtbank hiervoor heeft uiteengezet vloeit logisch voort dat de rechtbank ook de onder 2 tenlastegelegde opzettelijke brandstichting met gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor anderen bewezen acht.

Conclusie

De rechtbank concludeert dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde feiten heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1.

hij op 22 februari 2010 te 's- Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg:

- benzine over die [slachtoffer] heeft gegoten, en

- benzine in aanraking heeft gebracht met een brandende aansteker,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 22 februari 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk brand heeft gesticht in een woning aan de [adres], immers heeft verdachte toen aldaar opzettelijk benzine in aanraking gebracht met een brandende aansteker, ten gevolge waarvan brand is ontstaan, terwijl daarvan levensgevaar voor [slachtoffer] en bewoners van omliggende woningen en gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

5. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een of meer omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

De deskundigen J.A. Westendorp en prof. dr. J.J. Baneke hebben weliswaar geconcludeerd dat verdachte als enigszins verminderd of licht verminderd toerekeningsvatbaar moet worden beschouwd, maar zij baseren zich daarbij uitdrukkelijk uitsluitend op het ten laste gelegde feit 1 subsidiair (het ongevalsscenario), terwijl de rechtbank de verdachte zal veroordelen wegens de ten laste gelegde feiten 1 primair en 2 (het opzetscenario).

7. De straf/maatregel

7.1. De vordering van de officier van justitie

De vordering houdt in dat verdachte ter zake van het hem onder 1 primair en 2 tenlastegelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging wordt opgelegd.

7.2. Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging luidt dat, indien verdachte voor letsel door schuld wordt veroordeeld (feit 1 subsidiair) en behandeling noodzakelijk wordt geoordeeld, aan verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden kan worden opgelegd of een straf met een bijzondere voorwaarde in de vorm van reclasseringstoezicht, zonodig met verplichte opname in een gesloten behandelcentrum, maar in geen geval een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zeer ernstige strafbare feiten. Hij heeft zijn vriendin met benzine overgoten en in brand gestoken, nadat hij tevoren al had aangekondigd dat hij dit zou gaan doen en de daarvoor benodigde benzine alvast had klaargezet. De gevolgen van deze daad voor het slachtoffer zijn aanzienlijk. De tweede- en derdegraads brandwonden die zij heeft opgelopen hebben pijn en verminkingen veroorzaakt aan met name haar gezicht en armen en ook andere lichamelijke beperkingen veroorzaakt. Zo heeft zij tengevolge van de brandwonden suikerziekte ontwikkeld. Het slachtoffer heeft inmiddels al meerdere operaties moeten ondergaan en zij zal naar verwachting gedurende de rest van haar leven dagelijks de gevolgen van de daad van verdachte moeten dragen.

Verdachte heeft daarnaast, door op deze wijze in een woning brand te stichten, de veiligheid van omwonenden en het behoud van andersmans woningen en inboedel op het spel gezet.

Blijkens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 1 maart 2010 werd verdachte reeds meermalen eerder veroordeeld wegens geweldsdelicten, waaronder ook in de sfeer van huiselijk geweld op 20 augustus 2008 en op 1 maart 2007. Bovendien verbleef verdachte vlak voor het gepleegde feit nog in detentie wegens gepleegd geweld tegen ditzelfde slachtoffer.

Bij dergelijke ernstige strafbare feiten acht de rechtbank een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel op haar plaats. De wreedheid van verdachtes handelen roept echter wel de vraag op of er bij verdachte sprake is van problemen waarvoor behandeling nodig is en zo ja in welke vorm, niet in de laatste plaats ter bescherming van verdachtes omgeving, in het bijzonder zijn vriendin die kennelijk ondanks dit afschuwelijke incident toch de relatie met verdachte wil voortzetten.

De rechtbank heeft bij de beoordeling van de vraag welke sanctie(s) aan verdachte moet(en) worden opgelegd in aanmerking genomen de inhoud van de rapportages van de klinisch en forensisch psycholoog prof. dr. J.J. Baneke, opgemaakt op 6 juli 2010 en 29 oktober 2010, alsmede hetgeen deze als deskundige heeft verklaard ter terechtzitting van 15 november 2010.

De rechtbank heeft daarbij voorts in aanmerking genomen de inhoud van de rapportages van de psychiater J.A. Westendorp, opgemaakt op 21 juli 2010 en 18 oktober 2010, alsmede hetgeen deze als deskundige heeft verklaard ter terechtzitting van 15 november 2010.

De officier van justitie en de verdediging zijn het hartgrondig oneens over de vraag of een maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd.

De beide genoemde deskundigen hebben zich om hen moverende redenen, gelegen in hun professionele taakopvatting, niet willen uitlaten over de vraag naar de toerekeningsvatbaarheid van verdachte en over de vraag of aan verdachte een maatregel van terbeschikkingstelling moet worden opgelegd indien de rechtbank de onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten (het opzetscenario) bewezen zou verklaren.

Nu de rechtbank inderdaad het opzetscenario van de feiten 1 primair en 2 heeft bewezen verklaard, zal de rechtbank de vraag of oplegging van een dergelijke maatregel in deze zaak op haar plaats is, beoordelen met behulp van de overige inhoud van de rapportages en de ter terechtzitting afgelegde verklaringen van de beide deskundigen.

Daarbij moet het volgende worden vooropgesteld.

In het kader van de vraag of een last tot terbeschikkingstelling als bedoeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht moet worden gegeven, is het aan de rechter die over de feiten oordeelt om vast te stellen of bij de verdachte ten tijde van het plegen van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. De rechter heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid en is niet gebonden aan de door deskundigen uitgebrachte adviezen. Artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht eist niet meer dan een verband bestaande uit gelijktijdigheid tussen delict en stoornis. Niet vereist is dat de rechter in zijn vonnis vaststelt dat de bewezenverklaarde feiten het gevolg zijn van de geestesgesteldheid van de verdachte (zie HR 22 januari 2008, LJN BC1311).

De psycholoog prof. dr. J.J. Baneke heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van afhankelijkheid van alcohol en misbruik van diverse middelen en dat voorts sprake is van een persoonlijkheidsstoornis NAO met antisociale en afhankelijke trekken. Daarnaast is sprake van een (chronisch) relatieprobleem. Verdachte is door genoemde stoornissen lijdend aan een impulscontrolestoornis, waarbij hij zeker in meer complexe en/of stressvolle situaties niet in staat is adequaat met problemen om te gaan. De verdachte functioneert op zwakbegaafd tot benedengemiddeld niveau.

De psychiater J.A. Westendorp heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van stoornissen in de ontwikkeling in de vorm van zwakbegaafdheid en een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Daarnaast is sprake van alcoholafhankelijkheid in gedwongen remissie, misbruik van diverse middelen in gedwongen remissie en langdurige bestaande ernstige psychosociale stressfactoren. Genoemde stoornissen waren naar het oordeel van de psychiater aanwezig tijdens het ten laste gelegde. Er zijn echter geen aanwijzingen dat verdachte onder invloed was van alcohol en/of drugs

Hoewel er op detailniveau wel verschillen zijn in de conclusies van de beide deskundigen vermelden zij ook uitdrukkelijk in hun beider rapporten dat zij het op hoofdlijnen met elkaars conclusies eens zijn.

Op basis van deze conclusies van de beide deskundigen komt de rechtbank tot het oordeel dat zonder twijfel kan worden vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens op meerdere vlakken. Of deze stoornissen ook allemaal op het moment van het plegen van de delicten bij verdachte aanwezig waren, kan de rechtbank echter niet vaststellen. Zo zijn er geen aanwijzingen dat er op dat moment sprake zou zijn geweest van alcohol- of ander middelengebruik. Wel stelt de rechtbank vast dat op het moment van het plegen van de delicten in ieder geval sprake zal zijn geweest van de bij verdachte geconstateerde zwakbegaafdheid, alsmede van een persoonlijkheidsstoornis, ook al lopen de conclusies van de deskundigen ten aanzien van de kwalificatie van die persoonlijkheidsstoornis niet geheel parallel.

Daarmee concludeert de rechtbank dat is voldaan aan het, voor oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling, vereiste dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond.

Vervolgens komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de vraag of oplegging van een maatregel van terbeschikkingstelling in deze zaak op haar plaats is.

De psycholoog prof. dr. J.J. Baneke heeft, naast hetgeen in het voorgaande al werd besproken, gerapporteerd dat in verdachtes voorgeschiedenis veel geweldincidenten worden vermeld en dat al zijn relaties problematisch zijn geweest, hetgeen op zijn minst wijst op een chronisch relatieprobleem. De frustratietolerantie van verdachte is gering en bij alcoholgebruik reageert hij al snel impulsief en agressief. Het risico op ruzies en geweld in relaties is zeker blijvend aanwezig, vooral bij alcoholmisbruik. Verdachte is een kinderlijke man die relatief snel in zijn zelfgevoel is gekrenkt.

Gebleken is dat verdachte zich op vrijwillige basis moeilijk laat behandelen. Hij heeft zich in het verleden bij herhaling onttrokken aan begeleiding en behandeling en het is niet eenvoudig verdachte goed te bereiken. Voor zijn alcoholproblematiek is hij diverse keren aangemeld voor behandeling, maar doordat hij afspraken niet nakomt blijkt geen enkele behandeling of begeleiding echt van de grond gekomen te zijn. Tegelijk is sprake van een zekere naïviteit en van een onvermogen om complexe situaties voldoende te bevatten en met complexe problemen adequaat om te gaan.

De combinatie van de relatieproblemen, de alcoholverslaving en de daaraan gerelateerde impulscontrolestoornis zijn in het verleden duidelijke risicofactoren gebleken. Verdachtes onvermogen of onwil zich aan voorwaarden te houden is een extra risicofactor. De combinatie van een en ander, tezamen met beperkingen in de sociale omstandigheden, vergroot het risico nog meer.

De psycholoog adviseert een gecombineerde behandeling van de alcohol- en relatieproblematiek. Als de rechtbank bewezen acht dat verdachte met opzet, of zelfs met voorbedachten rade, het slachtoffer op enigerlei wijze in brand heeft gestoken, zou een maatregel met TBS op zijn plaats zijn.

Ter zitting heeft de psycholoog verklaard dat hij bij verdachte zeker uitzicht ziet op de mogelijkheid van behandeling.

De psychiater J.A. Westendorp heeft, naast hetgeen in het voorgaande al werd besproken, gerapporteerd dat verdachte te kampen heeft met ernstige en langdurige sociale problemen. Het risico op herhaald huiselijk geweld of mishandeling van de partner is verhoogd en zal zonder adequate gerichte behandeling verhoogd blijven. Er doen zich herhalende escalaties voor tussen verdachte en zijn vriendin, waarbij meestal sprake is van drank en/of drugsgebruik. Gezien het verleden is het zeer aannemelijk dat dit risico zich niet slechts richt op de huidige partner, maar dat ook bij eventuele nieuwe partnerrelaties het risico voor escaleren van ruzies met uiteindelijk geweld zeer aanwezig is. Er bestaat een duidelijk verhoogd risico voor mishandeling van de partner in de toekomst.

Ondanks herhaalde pogingen is tot op heden geen adequate recidivepreventieve behandeling van de grond gekomen. Daarnaast is verdachte maatschappelijk en sociaal afgegleden naar de onderste regionen: extreem hoge schulden, dakloosheid, langdurige partnerrelatieproblematiek met veelvuldige escalaties thuis, verslaving aan diverse middelen. Hij is door zijn lage intelligentie en persoonlijkheidsstoornis geenszins in staat te achten hier zelf uit te komen.

Gerichte behandeling is naar het oordeel van de psychiater aangewezen. Deze behandeling dient in eerste instantie gericht te zijn op alcoholafhankelijkheid, drugsmisbruik en agressieregulatie. Daarnaast zal een stevige ondersteunende behandeling gericht op het sociale disfunctioneren noodzakelijk zijn. Het leren samenleven met een partner is hierbij essentieel. Behandeling van persoonlijkheidsproblematiek is eveneens nodig.

Vrijwillige behandeling is om twee redenen volstrekt ontoereikend. In de eerste plaats zijn er in het verleden al enkele behandelpogingen gedaan welke niet van de grond gekomen zijn. In de tweede plaats is het ziektebesef en inzicht van verdachte, mede door zijn beperkingen, te gering.

Ter zitting heeft de psychiater verklaard dat de beperkte intelligentie van verdachte een grote rol speelt en dat in algemene zin geldt dat mensen met deze beperkingen het risico lopen dat zij overvraagd worden en te sterk reageren op prikkels.

De rechtbank komt op grond van de bevindingen van de psycholoog en psychiater, in samenhang met de buitengewone ernst van de door verdachte gepleegde feiten, het door de psychiater aangegeven verhoogde risico op gewelddadig gedrag tegen partners en verdachtes zorgwekkende justitiële verleden tot de conclusie dat de problemen van verdachte dusdanig ernstig zijn dat behandeling beslist noodzakelijk is en dat niet kan worden volstaan met vrijwillige behandeling of behandeling in het kader van een bijzondere voorwaarde. De veiligheid van anderen, in het bijzonder die van verdachtes vriendin of toekomstige partner, vereist naar het oordeel van de rechtbank de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege.

De rechtbank zal dan ook aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opleggen, naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van tien jaren.

Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een noodzaak tot spoedige behandeling van verdachte. De rechtbank ziet hierin aanleiding overeenkomstig het bepaalde in artikel 37b lid 2 Sr in dit vonnis het advies op te nemen ertoe strekkende dat het tijdstip waarop de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal aanvangen zal zijn een jaar na het wijzen van dit vonnis.

8. De vordering tenuitvoerlegging

8.1. De vordering van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie luidt dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank op 1 maart 2007 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 maanden moet worden toegewezen.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht termen aanwezig voor gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de officier van justitie van 27 mei 2010 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf, waartoe verdachte werd veroordeeld bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 1 maart 2007, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat deze zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat een gedeelte van 1 maand al eerder werd tenuitvoergelegd zal de rechtbank de vordering slechts toewijzen voor het resterende gedeelte van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf van 1 maand.

9. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 14g, 37a, 37b, 45, 57, 157 en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank,

verklaart de dagvaarding onder 1 subsidiair nietig;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding onder 1 primair en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

poging tot moord;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is

en

opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast tevens de terbeschikkingstelling van verdachte;

beveelt dat de ter beschikking gestelde van overheidswege zal worden verpleegd;

gelast de gedeeltelijk tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van deze rechtbank, op 1 maart 2007 gewezen onder parketnummer 09/900925-06, te weten gevangenisstraf voor de duur van 1 maand.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Rabbie, voorzitter,

Cichowski-van der Kleijn en Van Zeijst-Repelaer van Driel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Kistemaker, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 november 2010.

1* Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt -tenzij anders vermeld- bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's of bijlagen, betreft dit de pagina's of bijlagen van het proces-verbaal met het nummer PL1533 2010040168, van de politie Haaglanden.

2* Proces-verbaal relaas, blz 2; proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer] d.d. 26 maart 2010, blz 225; proces-verbaal verhoor verdachte gerechtelijk vooronderzoek en inbewaringstelling d.d. 2 maart 2010.

3* Proces-verbaal verhoor aangeefster [slachtoffer] d.d. 26 maart 2010, blz 223 e.v.

4* Idem blz 230.

5* Idem blz 231.

6* Idem blz 232.

7* Idem blz 233.

8* Proces-verbaal van bevindingen met uitwerking van de opgenomen gesprekken en beelden, blz 137.

9* Deskundigenrapport forensisch-medisch onderzoek d.d. 11 augustus 2010, blz 18.

10* Deskundigenrapport brand-technisch onderzoek d.d. 17 augustus 2010, blz 7.

11* Proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 mei 2010 betreffende de uitwerking van in de penintentiaire inrichting opgenomen telefoongesprekken, blz 153 e.v.

12* Idem, blz 154.

13* Idem, blz 155.

14* Idem, blz 156.

15* Idem, blz 158.

16* Idem, blz 164.

17* Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 mei 2010 betreffende de uitwerking van opgenomen telefoongesprekken, blz 139-140.

18* Idem, blz 141.

19* Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1]t, blz 173 e.v.

20* Idem, blz 174.

21* Idem, blz 175.

22* Idem, blz 175.

23* Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 25 februari 2010, blz 68-69.