Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5271

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
AWB 10 / 23779
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inzichtelijk maken standpunt verweerder, voornemenprocedure

Voorgaande passages kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden opgevat dan als een verwijzing naar het standpunt van verweerder zoals hij dat in die eerdere procedure, in en naar aanleiding van het besluit van 17 oktober 2006, heeft ingenomen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet verwezen naar de uitspraak inzake voornoemde voorlopige voorziening, zoals eiser stelt, doch naar zijn standpunt en zijn motivering omtrent de geloofwaardigheid van het relaas in het besluit van 17 oktober 2006 dat aan die uitspraak ten grondslag lag.

De rechtbank stelt voorts vast dat eiser in onderhavig beroepschrift zelf heeft gewezen op het besluit van 17 oktober 2006 en de wijze waarop verweerder in dat geval de geloofwaardigheid van het relaas integraal heeft beoordeeld. Die omstandigheden in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt met welke reden de aanvraag is afgewezen. Er is geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit daar waar het de ongeloofwaardigheid van het relaas betreft onvoldoende door verweerder is gemotiveerd. Derhalve faalt de beroepsgrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 10 / 23779

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 november 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

geboren op [geboortedatum] van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 10 oktober 2006 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 17 oktober 2006 afgewezen. Hierop heeft eiser beroep ingesteld en tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 15 november 2006 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (AWB 06/50664) het verzoek toegewezen. Bij uitspraak van 10 april 2007 van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Almelo (AWB 06/50661) is het beroep kennelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft bij besluit van 25 juli 2007, verzonden op 27 juli 2007, aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw). Bij besluit van 29 juni 2010 heeft verweerder de aan de eiser verleende verblijfsvergunning ingetrokken. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door gemachtigde voornoemd.

2. Overwegingen

2.1 In beroep stelt eiser dat verweerder het besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Ter onderbouwing heeft eiser aangevoerd dat het voor verweerder, voor wat betreft zijn standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas, onvoldoende is om alleen te verwijzen naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 november 2006. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom verweerder is overgegaan tot intrekking van de verleende verblijfsvergunning. Eiser stelt dat verweerder de geloofwaardigheid van het asielrelaas in onderhavig geval integraal dient te beoordelen, zoals hij dat ook gedaan heeft in het besluit van 17 oktober 2006 dat door verweerder om hem moverende redenen is ingetrokken. (De rechtbank merkt volledigheidshalve op dat het besluit van 17 oktober 2006, bij voornoemde uitspraak van 10 april 2007, is vernietigd en niet is ingetrokken).

2.2 Verweerder heeft in zijn voornemen onder meer het volgende overwogen:

“In de al genoemde uitspraak van 15 november 2006 is eveneens geoordeeld dat het relaas ongeloofwaardig geacht kan worden. Derhalve is er evenmin reden nu anders te oordelen hieromtrent.”

2.3 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het relaas van eiser ongeloofwaardig is. Onder verwijzing naar hetgeen reeds in het voornemen is overwogen heeft verweerder daartoe in het bestreden besluit aanvullend het volgende overwogen:

“Voor zover betrokkene stelt dat het intrekken van zijn vergunning, op grond van het niet geloofwaardig achten van zijn relaas onvoldoende is eveneens het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter dat het relaas ongeloofwaardig geacht kan worden ongenoegzaam is, wordt overwogen dat hij hier niet in gevolgd kan worden. Immers de voorzieningenrechter heeft in de uitspraak geoordeeld dat het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, onder F van de Vw mag en het relaas ongeloofwaardig geacht kon worden. Eiser is nadien wederom gehoord, maar er is geen “nieuwe” informatie omtrent zijn relaas, welke zouden rechtvaardigen waarom het relaas nu wel geloofwaardig geacht zal moeten worden. Eiser had dit ook kunnen herleiden uit het feit dat hem een vergunning is verleend op de categoriale bescherming en niet op grond van artikel 29, eerste lid aanhef en onder a, b of c van de Vw.”

2.4 Voorgaande passages kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden opgevat dan als een verwijzing naar het standpunt van verweerder zoals hij dat in die eerdere procedure, in en naar aanleiding van het besluit van 17 oktober 2006, heeft ingenomen. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank derhalve niet verwezen naar de uitspraak inzake voornoemde voorlopige voorziening, zoals eiser stelt, doch naar zijn standpunt en zijn motivering omtrent de geloofwaardigheid van het relaas in het besluit van 17 oktober 2006 dat aan die uitspraak ten grondslag lag.

2.5 De rechtbank stelt voorts vast dat eiser in onderhavig beroepschrift zelf heeft gewezen op het besluit van 17 oktober 2006 en de wijze waarop verweerder in dat geval de geloofwaardigheid van het relaas integraal heeft beoordeeld. Die omstandigheden in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt met welke reden de aanvraag is afgewezen. Er is geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit daar waar het de ongeloofwaardigheid van het relaas betreft onvoldoende door verweerder is gemotiveerd. Derhalve faalt de beroepsgrond.

2.6 Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

2.7 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. C.J.V. van Venrooij, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 november 2010.

Afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.