Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5182

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
24-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/6251
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Mvv- vereiste / artikel 8 EVRM / privéleven / familieleven / ontwikkeld na beëindiging rechtmatig verblijf / geen sprake van ‘most exeptional circumstances’ / hardheidsclausule

Volgens de rechtspraak van het EHRM dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot onderhouden en ontwikkelen van privéleven en familie- of gezinsleven op zijn grondgebied, een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de staat. Bij deze afweging komt de desbetreffende staat een zekere beoordelingsruimte toe. Met betrekking tot de factoren die in het kader van deze belangenafweging moeten worden betrokken overweegt het EHRM:

“Factors to be taken into account in this context are the extent to which family life is effectively ruptured, the extent of the ties in the Contracting State, whether there are insurmountable obstacles in the way of the family living in the country of origin of one or more of them, whether there are factors of immigration control (e.g. a history of breaches of immigration law) or considerations of public order weighing in favour of exclusion. Another important consideration will also be whether family life was created at a time when the persons involved were aware that the immigration status of one of them was such that the persistence of that family life within the host state would from the outset be precarious. The Court has previously held that where this is the case it is likely only to be in the most exceptional circumstances that the removal of the non-national family member will constitute a violation of Article 8 (see Rodrigues da Silva and Hoogkamer v. the Netherlands, no. 50435/99, § 39, ECHR 2006-I).”

De rechtbank stelt vast dat het privé- en familieleven waarop eiser zich in het kader van deze procedure op beroept zich heeft ontwikkeld nadat het rechtmatig verblijf van eiser hier te lande was beëindigd. Gelet hierop, betrekt de rechtbank bij haar beoordeling of er zich in dit geval, gelet op zijn specifieke feiten en omstandigheden, onderscheidende factoren (‘most exceptional circumstances’) voordoen. Het feit dat eiser rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad, maar niet heeft kunnen voldoen aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, is daarvoor niet voldoende. Evenmin is daarvoor voldoende het feit dat eiser werkt en zelf in zijn onderhoud voorziet. Volgens het door verweerder gevoerde beleid betekent deze omstandigheid niet dat het economisch belang van Nederland niet in het geding is omdat dit belang zich ook uitstrekt tot, bijvoorbeeld, bescherming van de arbeidsmarkt (prioriteitgenietend aanbod). Ter zitting heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiser gevraagd de stelling dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het uitoefenen van privé- en familieleven buiten Nederland nader te onderbouwen, maar daarin is hij niet geslaagd. Ook overigens ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van onderscheidende factoren als hiervoor bedoeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 10/6251

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [geboortedatum] 1962, van Thaise nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. L. Louwerse, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. F.R. van der Lubbe.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 12 februari 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 25 februari 2009 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser van 6 januari 2009 tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd zonder machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) heeft hij opgevat als een aanvraag onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’ en de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van 12 februari 2010 (hierna: het bestreden besluit) beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2010. Na sluiting van het onderzoek ter zitting is besloten het onderzoek te heropenen en de zaak door te verwijzen naar de meervoudige kamer van de rechtbank.

1.3 Het geding is behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van de rechtbank van 19 oktober 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiser, geboren in Thailand, is naar Nederland gekomen op 22 augustus 2000. Op 14 september 2000 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf bij partner [A]’. Bij beschikking van 14 september 2001 is de gevraagde vergunning verleend, met een geldigheidsduur van 14 september 2000 tot 14 september 2001. Deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 14 september 2006. Bij beschikking van 1 mei 2003 heeft verweerder de vergunning echter ingetrokken met ingang van 1 mei 2003 omdat was gebleken dat de relatie tussen eiser en zijn partner was verbroken. Het bezwaar dat eiser tegen dit besluit heeft gemaakt is ongegrond verklaard en het tegen deze beslissing ingestelde beroep is bij uitspraak van 27 april 2005 van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (AWB 04/43160), ongegrond verklaard.

2.2 Op 22 juni 2006 heeft eiser een aanvraag om een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid in loondienst’ ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 28 augustus 2006 afgewezen vanwege het ontbreken van een mvv alsmede vanwege het ontbreken van omstandigheden op grond waarvan eiser vrijgesteld zou moeten worden van het mvv-vereiste. Het bezwaar dat eiser tegen dit besluit heeft gemaakt is ongegrond verklaard en het tegen deze beslissing ingediende beroep is bij uitspraak van 19 mei 2008 van deze rechtbank (AWB 07/41287 en AWB 07/41289) eveneens ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 oktober 2008 (200804379/1) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

2.3 Op 6 januari 2009 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Uit de toelichting bij zijn aanvraag van 23 december 2008 blijkt dat eiser meent dat hij onder de doelgroep van de Regeling afwikkeling nalatenschap Vreemdelingenwet (oud) (hierna: “Ranov”) valt en verder dat hij meent dat artikel 8 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: het EVRM) zich in zijn geval verzet tegen het stellen van het mvv-vereiste omdat hij al langdurig in Nederland verblijft.

2.4 Aan de afwijzing van deze aanvraag heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet valt onder de doelgroep waarop de Ranov betrekking heeft en dat deze regeling bovendien is opgehouden te bestaan op 1 januari 2009. Verweerder heeft, gelet hierop, de aanvraag opgevat als een aanvraag onder de beperking ‘conform beschikking Staatssecretaris’ en heeft hij deze afgewezen omdat eiser onvoldoende heeft onderbouwd op welke grond hij voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking zou komen.

2.5 In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat hij sinds ongeveer 6 à 7 jaar bij zijn huidige partner, de heer [B], woont. Omdat zijn partner niet voldoet aan het in het kader van de mvv-procedure gestelde middelenvereiste, is terugkeer naar Thailand voor het verkrijgen van een mvv kansloos. Eiser doet een beroep op de hardheidsclausule en hij wijst er in dat verband op dat hij reeds geruime tijd in Nederland verblijft, hier een bestaan heeft opgebouwd, steeds in zijn eigen inkomen en levensonderhoud heeft voorzien en belasting heeft betaald.

2.6 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de door eiser aangevoerde omstandigheden voor hem geen aanleiding vormen eiser op grond van artikel 8 van het EVRM dan wel met toepassing van de hardheidsclausule vrij te stellen van het mvv-vereiste. Volgens verweerder leidt tegenwerpen van het mvv-vereiste evenmin tot een onbillijkheid van overwegende aard.

2.7 Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen en hij heeft aangevoerd dat verweerder zijn aanvraag met welwillendheid had moeten beschouwen omdat zijn langdurig verblijf in Nederland ook heeft geleid tot het ontstaan en ontwikkelen van privéleven. Ten onrechte heeft verweerder dit privéleven, dat wordt beschermd door artikel 8 van het EVRM, niet betrokken in zijn belangenafweging.

2.8 Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat uit de wetsgeschiedenis (TK 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 108-109) blijkt dat de in artikel 3.17, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb) neergelegde bevoegdheid bedoeld is als discretionair van aard en beperkt van omvang. Gevallen waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij en krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw) van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door wet- en regelgever niet zijn voorzien. In een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 19 september 1997 (TK 1997-1998, 24 544, nr. 16, blz. 1) is voorts als beleidsuitgangspunt gekozen dat een beroep op de hardheidsclausule slechts in zeer uitzonderlijke individuele gevallen wordt gehonoreerd. Verweerder heeft alle door eiser aangevoerde omstandigheden, ook het hier te lande ontwikkelde privéleven, in zijn beoordeling betrokken en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een zeer uitzonderlijk geval als hiervoor bedoeld.

2.9 De rechtbank overweegt als volgt.

2.10 Vast staat dat eiser niet beschikt over een geldige mvv. Aan de orde is de vraag of verweerder dit aan eiser in het kader van de beoordeling van zijn aanvraag heeft mogen tegenwerpen.

2.11 Artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw kan worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd. Artikel 16, tweede lid, van de Vw bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld over de toepassing van de gronden, bedoeld in het eerste lid.

2.12 In artikel 17, eerste lid, van de Vw is een aantal categorieën vreemdelingen genoemd waarvan de aanvraag niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv. In artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw wordt de mogelijkheid geopend bij algemene maatregel van bestuur categorieën vreemdelingen aan te wijzen die van het vereiste van het bezit van een mvv zijn vrijgesteld.

2.13 Artikel 3.71, eerste lid, van het Vb bepaalt dat de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, wordt afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv. In artikel 3.71, tweede lid, van het Vb wordt een uitwerking gegeven aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb is van het mvv-vereiste vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn.

2.14 Artikel 3.71, vierde lid, van het Vb bepaalt dat de Minister het eerste lid buiten toepassing kan laten, voor zover toepassing daarvan naar zijn oordeel kan leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hardheidsclausule).

2.15 Met betrekking eisers beroep op artikel 3.71, tweede lid, onder l van het Vb, overweegt de rechtbank als volgt.

2.16 Bij de beoordeling of het ontbreken van een geldige mvv in een concreet geval kan worden tegengeworpen dient uit een op die zaak toegespitste belangenafweging te blijken dat de uitzetting van de vreemdeling verenigbaar is met artikel 8 van het EVRM (zie: uitspraak Afdeling van 27 oktober 2010, 201004896/1/V2, LJN: BO2098).

2.17 Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover thans van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven en zijn familie- en gezinsleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.18 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer uitspraak van 23 maart 2007, nr. 200607511/1, LJN: BA2163) wordt inmenging als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van het EVRM aangenomen indien een verblijfstitel wordt ontnomen die de desbetreffende vreemdeling feitelijk tot uitoefening van zijn privéleven of familie- of gezinsleven in Nederland in staat stelde. Daarvan is in deze zaak geen sprake.

2.19 Volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM voor de Verdragssluitende Partij in een bepaald geval een positieve verplichting met zich brengt een vreemdeling in staat te stellen tot onderhouden en ontwikkelen van privéleven en familie- of gezinsleven op zijn grondgebied, een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van het betrokken individu en anderzijds het betrokken algemeen belang van de staat. Bij deze afweging komt de desbetreffende staat een zekere beoordelingsruimte toe (zie onder meer de beslissing van 18 maart 2003 in de zaak T.I. en W.S. Ebrahim v. Nederland, nr. 59186/00, JV 2003/203, en recenter de beslissing van 14 april 2009 in de zaak Narenji Haghighi v. Nederland, nr. 38165/07).

2.20 Met betrekking tot de factoren die in het kader van deze belangenafweging moeten worden betrokken overweegt het EHRM in (onder meer) de Narenji Haghighi zaak:

“Factors to be taken into account in this context are the extent to which family life is effectively ruptured, the extent of the ties in the Contracting State, whether there are insurmountable obstacles in the way of the family living in the country of origin of one or more of them, whether there are factors of immigration control (e.g. a history of breaches of immigration law) or considerations of public order weighing in favour of exclusion. Another important consideration will also be whether family life was created at a time when the persons involved were aware that the immigration status of one of them was such that the persistence of that family life within the host state would from the outset be precarious. The Court has previously held that where this is the case it is likely only to be in the most exceptional circumstances that the removal of the non-national family member will constitute a violation of Article 8 (see Rodrigues da Silva and Hoogkamer v. the Netherlands, no. 50435/99, § 39, ECHR 2006-I).”

2.21 Verweerder heeft erop gewezen dat eiser weliswaar rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad, maar dat dit sinds 1 mei 2003 is beëindigd. Het familieleven waarop eiser zich in het kader van deze procedure beroept, heeft zich ontwikkeld na deze datum. Ook heeft verweerder in zijn belangenafweging betrokken dat eiser al geruime tijd in Nederland verblijft en hier sociale banden is aangegaan, maar dat hij het merendeel van zijn leven in Thailand heeft gewoond en dat niet is gebleken dat er objectieve belemmeringen bestaan om terug te keren. Verweerder heeft er verder op gewezen dat volgens rechtspraak van het EHRM voor het aannemen van een schending van het privéleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM sprake dient te zijn van een zeer langdurig verblijf. Daarvan is in dit geval geen sprake. Evenmin is gebleken dat er objectieve belemmeringen bestaan om het familieleven tussen eiser en zijn partner buiten Nederland uit te oefenen.

2.22 De rechtbank stelt vast dat het privé- en familieleven waarop eiser zich in het kader van deze procedure op beroept zich heeft ontwikkeld nadat het rechtmatig verblijf van eiser hier te lande was beëindigd. Gelet hierop, betrekt de rechtbank bij haar beoordeling of er zich in dit geval, gelet op zijn specifieke feiten en omstandigheden, onderscheidende factoren (‘most exceptional circumstances’ als bedoeld in de rechtspraak van het EHRM) voordoen. Het feit dat eiser rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad, maar niet heeft kunnen voldoen aan de voorwaarden voor voortgezet verblijf, is daarvoor niet voldoende. Evenmin is daarvoor voldoende het feit dat eiser werkt en zelf in zijn onderhoud voorziet. Volgens het door verweerder gevoerde beleid (hoofdstuk B2/10.2.2) betekent deze omstandigheid niet dat het economisch belang van Nederland niet in het geding is omdat dit belang zich ook uitstrekt tot, bijvoorbeeld, bescherming van de arbeidsmarkt (prioriteitgenietend aanbod). Ter zitting heeft de rechtbank aan de gemachtigde van eiser gevraagd de stelling dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het uitoefenen van privé- en familieleven buiten Nederland nader te onderbouwen, maar daarin is hij niet geslaagd. Ook overigens ziet de rechtbank in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat sprake is van onderscheidende factoren als hiervoor bedoeld.

2.23 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval aan het belang van een restrictief toelatingsbeleid in Nederland meer gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij de uitoefening van zijn privéleven, en zijn familie- en gezinsleven met zijn partner, hier te lande. Het beroep op vrijstelling van het mvv-vereiste vanwege strijd met artikel 8 van het EVRM treft daarom geen doel.

2.24 Met betrekking tot eisers beroep op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank als volgt.

2.25 Naar uit de hiervoor onder 2.8 aangehaalde wetgeschiedenis moet worden afgeleid, komt verweerder ter zake van de toepassing van de hardheidsclausule een ruime beoordelingsmarge toe. De weigering van verweerder om in een bepaald geval toepassing te geven aan die clausule zal de toetsing in rechte slechts dan niet kunnen doorstaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid daartoe heeft kunnen besluiten.

2.26 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het onverkort vasthouden aan artikel 3.71, eerste lid, van het Vb niet tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt zodat hij geen gebruik hoefde te maken van de bevoegdheid ex artikel 3.71, vierde lid, van het Vb. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat – zoals zij reeds eerder heeft overwogen in haar tussen dezelfde partijen gedane uitspraak van 19 mei 2008 (AWB 07/41287 en AWB 07/41289) – de omstandigheid dat eiser eerder rechtmatig Nederland is ingereisd en rechtmatig hier te lande heeft verbleven, dat hij hier te lande is ingeburgerd, dat hij nimmer in aanraking is geweest met politie en justitie, steeds in zijn eigen inkomen en levensonderhoud heeft voorzien alsmede belasting heeft betaald, terwijl hij thans een relatie heeft met een Nederlander die nimmer zal kunnen voldoen aan het middelenvereiste, verweerder er in redelijkheid niet toe heeft hoeven leiden tot toepassing van de hardheidsclausule. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt mogen stellen dat alle door eiser aangevoerde omstandigheden voortvloeien uit zijn keuze om het verblijf (zonder verblijfstitel) in Nederland te continueren, zodat zij niet kunnen worden aangemerkt als uitzonderlijke omstandigheden op grond waarvan eiser dient te worden vrijgesteld van het mvv-vereiste.

2.27 Gelet op het vorengaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste, zodat hij ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vb gehouden was de aanvraag af te wijzen.

2.28 Het beroep is ongegrond.

2.29 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schukking, als voorzitter, en mr. Gorter en mr. K.J. Veenstra, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 24 november 2010.

De griffier: De voorzitter:

V. Liemburg mr. J. Schukking

(verhinderd de uitspraak te ondertekenen)