Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5138

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
378563 / KG ZA 10-1321
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser is in eerste aanleg veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en TBS. Hij gaat daarvan in hoger beroep. De appelzaak duurt zolang dat eiser zich al ruim drie jaar in voorlopige hechtenis bevindt. Hij vordert - in kort geding - primair dat op zeer korte termijn een tijdstip voor de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak wordt bepaald. Deze vordering wordt afgewezen omdat de lange tijdsduur van de appelprocedure uitsluitend noch in overwegende mate aan de Staat kan worden toegerekend. Het was met name eiser die steeds met nieuwe onderzoekswensen kwam. Bovendien is een zittingsdatum op korte termijn voorgesteld, maar die is door (de advocaat van) eiser van de hand wegwezen. De subsidiaire vordering tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen omdat daarvoor in het strafrecht een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 378563 / KG ZA 10-1321

Vonnis in kort geding van 25 november 2010

in de zaak van

[eiser],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting te [vestigingsplaats],

eiser,

advocaat mr. M.A.W. Nillesen te 's-Hertogenbosch,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(ministerie van veiligheid en justitie),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als "[eiser]" en "de Staat".

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 17 november 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij vonnis van de rechtbank Middelburg van 19 november 2008 is [eiser] - die zich vanaf 13 november 2007 in voorlopige hechtenis bevond - wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving, belaging, feitelijke aanranding van de eerbaarheid en schennis van de eerbaarheid veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast is de terbeschikkingstelling van [eiser], met verpleging van overheidswege ("TBS") gelast.

1.2. [eiser] heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te

's-Gravenhage. De appelprocedure loopt nog steeds. Weliswaar hebben op 8 januari 2009, 7 mei 2009, 9 juli 2009, 24 september 2009, 17 december 2009, 4 maart 2010, 17 mei 2010, 5 augustus 2010 en 21 oktober 2010 zittingen plaatsgevonden, maar het onderzoek is daarop steeds voor onbepaalde tijd geschorst, waarbij de schorsingstermijn telkens werd gesteld op meer dan één maand maar korter dan drie maanden. Behoudens op 9 juli 2009 en 17 mei 2010 was sprake van een zogenaamde "pro formazitting".

1.3. Op de zittingen van 17 mei 2010 en 21 oktober 2010 zijn verzoeken van [eiser] tot opheffing dan wel schorsing van zijn voorlopige hechtenis behandeld en op de zitting van 5 augustus 2010 een verzoek zijnerzijds (enkel) strekkende tot schorsing van de voorlopige hechtenis. Al die verzoeken zijn afgewezen.

1.4. Op 6 september 2010 heeft het openbaar ministerie voorgesteld de inhoudelijke behandeling van de strafzaak te laten plaatsvinden op 6 december 2010, welk voorstel door de raadsman van [eiser] is afgewezen, wegens verhindering. De (voortzetting) van de inhoudelijke behandeling door het hof staat nu gepland op 17 en 28 februari 2011; het doorgaan ervan is nog afhankelijk van de beschikbaarheid van de te horen getuige-deskundigen.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert de Staat - onder verbeurte van een dwangsom - te bevelen:

primair:

een inhoudelijke zittingsdatum in te plannen binnen nu, 22 oktober 2010 en één maand, opdat het hof veertien dagen nadien eindarrest kan wijzen;

subsidiair:

zijn voorlopige hechtenis per ommegaande te schorsen in afwachting van een inhoudelijke zittingsdatum.

2.2. [eiser] voert daartoe - verkort weergegeven - het volgende aan.

Met haar vonnis van 19 november 2008 beoogde de rechtbank Middelburg dat de behandeling van [eiser] in het kader van de TBS zou ingaan op 13 juli 2008. De hem opgelegde gevangenisstraf heeft hij - rekening houdend met de regeling betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling - in ieder geval al "ruim" uitgezeten. Desondanks bevindt [eiser] zich nog steeds - en dus al meer dan drie jaar - in voorlopige hechtenis. Op de zitting van 17 mei 2010 heeft de voorzitter van de meervoudige strafkamer van het hof aangegeven dat het tijdsverloop onwenselijk is en dat het de bedoeling is dat de zaak op de eerstvolgende zitting inhoudelijk zal worden behandeld. Sindsdien hebben echter al weer twee pro formazittingen plaatsgevonden, waarop de behandeling is geschorst voor onbepaalde tijd omdat het zittingsrooster van het gerechtshof een eerdere behandeling niet toelaat. Dat er nog steeds geen (echte) inhoudelijke behandeling van de strafzaak bij het Hof heeft plaatsgevonden wordt veroorzaakt door enerzijds inadequaat optreden van het openbaar ministerie waardoor enorme vertragingen zijn ontstaan en anderzijds de kennelijke overbelasting van het rechterlijke apparaat. Op grond van door H. de Jong, R.A.R. Bullens en K. Foeken uitgebrachte rapportages over [eiser] moet worden aangenomen dat de TBS geen stand zal houden in hoger beroep. Het komt er dus op neer dat [eiser] onnodig en onterecht nog steeds voorlopig is gehecht. Daar komt bij dat de tot nu toe door [eiser] gedane verzoeken tot opheffing/schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet serieus zijn beoordeeld door het hof omdat daarvoor geen ruimte is op een pro formazitting. De voorlopige hechtenis heeft catastrofale gevolgen voor [eiser]; hij bouwt nu enorme schulden op die hij niet kan aflossen, terwijl zijn sociale leven tot nul is gereduceerd. Al met al is [eiser] de dupe van een falend systeem. Op grond van een en ander handelt de Staat onrechtmatig jegens hem.

Op de zitting heeft [eiser] zijn vorderingen genuanceerd in die zin dat hij heeft aangevoerd de onderhavige procedure te zijn gestart om vaart in de procedure te krijgen en dat de vorderingen niet moeten worden gezien als een extra middel tegen de afwijzingen van zijn verzoeken tot opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis. Verder heeft hij aangegeven dat - nu de in het petitum genoemde datum van 22 oktober 2010 inmiddels in het verleden ligt - zijn primaire vordering aldus mag worden gelezen dat een inhoudelijke zittingsdatum moet worden ingepland binnen één week na het te wijzen vonnis.

2.3. De Staat heeft de vorderingen van [eiser] gemotiveerd bestreden. Voor zover nodig zal zijn verweer hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

Met betrekking tot de primaire vordering

3.1. Zoals hiervoor onder 2.2. vermeld, heeft [eiser] aangegeven zijn vorderingen te hebben ingesteld om te bewerkstelligen dat het hoger beroep van zijn strafzaak (vanaf nu) voortvarend wordt afgehandeld. Met [eiser] is de voorzieningenrechter van oordeel dat de voorlopige hechtenis van [eiser], waarin hij zich al ruim drie jaar bevindt, lang duurt, zeker wanneer het tijdsverloop ervan wordt afgezet tegen de hem in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf van twee jaar. De primaire oorzaak daarvan is gelegen in het door [eiser] ingestelde hoger beroep en de omstandigheid dat daarin nog geen eindarrest is gewezen, zo moet in het kader van deze procedure tot uitgangspunt worden genomen. Voor de hier aan de orde zijnde beslissing is van belang of deze (laatste) omstandigheid verwijtbaar is aan de Staat, zodanig dat sprake is van onrechtmatig handelen. De Staat heeft dat gemotiveerd weersproken.

3.2. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan de oorzaak van de lange tijdsduur van de appelprocedure uitsluitend noch in overwegende mate aan de Staat worden toegerekend. Daarvoor is allereerst van belang dat het met name [eiser] is geweest die op verschillende momenten met (nieuwe) onderzoekswensen kwam. Zo kreeg de zitting van 9 juli 2009, die was bedoeld voor de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, min of meer de functie van een "regiezitting" als gevolg van diverse verzoeken van de zijde van [eiser], waaronder het horen van een zevental getuigen in verband waarmee het hof de zaak verwees naar de rechter-commissaris. Nadien - waaronder op de zitting van 17 mei 2010, waarop de zaak inhoudelijk zou worden behandeld - heeft [eiser] onder meer verzocht de hiervoor (onder 2.2.) genoemde De Jong, Bullens en Foeken op te roepen teneinde te worden gehoord als getuige-deskundigen, welk verzoek is toegewezen. Daar komt bij - en zeker niet in de laatste plaats - dat het openbaar ministerie heeft voorgesteld de inhoudelijke behandeling, waarop genoemde getuige-deskundigen ook zouden worden gehoord, te laten plaatsvinden op 6 december 2010, waarmee min of meer zou zijn tegemoet gekomen aan de wens van [eiser] zoals neergelegd in de primaire vordering en genuanceerd op de zitting. Van de zijde van [eiser] is die mogelijkheid van de hand gewezen.

3.3. Op grond van het voorgaande kan niet worden aangenomen dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] in voormelde zin. Overigens is de inhoudelijke behandeling van de strafzaak nu gepland in februari 2011, zodat ervan moet worden uitgegaan dat daarin binnen afzienbare tijd een eindarrest zal worden gewezen. De primaire vordering zal dan ook worden afgewezen, waarbij nog buiten beschouwing wordt gelaten de vraag of de agenda van het hof de uitvoering van een toewijzend vonnis zou hebben toegelaten.

Met betrekking tot de subsidiaire vordering

3.4. De subsidiaire vordering tot schorsing van de voorlopige hechtenis is reeds niet toewijsbaar omdat daarvoor in het strafrecht een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bestaat. Onder die omstandigheid is voor de voorzieningenrechter dienaangaande geen taak weggelegd. Overigens volgt uit de betreffende processen-verbaal niet de juistheid van de stelling van [eiser] dat zijn verzoeken tot opheffing/schorsing van zijn voorlopige hechtenis niet serieus zijn beoordeeld door het hof. Te minder waar het hof het onderzoek steeds heeft geschorst voor beraadslaging vóórdat de beslissingen werden genomen. Voorts is één van de verzoeken behandeld op de zitting van 17 mei 2010. Dit betrof geen pro formazitting, zoals ook kan worden afgeleid uit het betreffende proces-verbaal. Aangenomen moet worden dat in ieder geval op die zitting het verzoek van [eiser] grondig is beoordeeld. Desondanks wees het hof het verzoek af.

Afronding

3.5. De vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen, met veroordeling van hem - als de in het ongelijk gestelde partij - in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.Th. Nijhuis en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2010.

jvl