Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5107

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
26-11-2010
Zaaknummer
380315 - KG ZA 10-1417
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding van diverse personen (vijf individuele eisers en de Stichting Landelijk Beraad Marokkanen) tegen de Staat der Nederlanden over het optreden van het openbaar ministerie (OM) in de strafzaak tegen Geert Wilders. Eisers vorderen ten eerste de vervanging van de officieren van justitie, ten tweede dat de dagvaarding in de strafzaak wordt aangevuld met diverse passages uit de beschikking van het hof en ten derde dat het OM wordt bevolen in het requisitoir van de officieren in de strafzaak beter aan te sluiten bij de beschikking van het hof. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen. Ten aanzien van het eerste onderdeel heeft hij overwogen dat het OM “een en ondeelbaar” is. Een officier draagt niet zijn of haar persoonlijke standpunt uit, maar het standpunt van het OM. Overigens is het niet aan de rechter om te bepalen wie binnen het OM met bepaalde taken wordt belast. Het tweede onderdeel van de vordering wordt afgewezen omdat het niet tot de taak van de civiele rechter behoort om een opdracht aan het OM tot het formuleren van de dagvaarding in een strafzaak te geven. Alleen een gerechtshof is, na een beklag op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, bevoegd tot het bevelen van de vervolging. Aan het in deze zaak gegeven bevel heeft het OM in strikte zin voldaan. Een bevel zoals de eisers wensen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter overigens ook niet nodig om te bewerkstelligen wat zij willen, namelijk dat de strafrechter rekening houdt met alle gronden waarop het hof het vervolgingsbevel heeft gebaseerd. Dat kan de strafrechter immers doen ook als het OM op de zitting tot een andere afweging komt. De strafrechter is niet aan de zienswijze van het OM gebonden.

Om deze zelfde reden slaagt ook het derde onderdeel van de vordering niet.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafvordering
Wetboek van Strafvordering 12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2011/21
NBSTRAF 2010/376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 380315 / KG ZA 10-1417

Vonnis in kort geding van 26 november 2010

in de zaak van

1. [eiseres sub 1],

wonende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. de stichting

STICHTING LANDELIJK BERAAD MAROKKANEN,

gevestigd te Rotterdam,

4. [eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

5. [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],

6. [eiseres sub 6],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat van de eisers sub 1 en 2: mr. H.A. Sarolea te Amsterdam,

advocaat van de eisers sub 3 tot en met 6: mr. E. Prakken te Amsterdam,

tegen:

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, meer in het bijzonder het Openbaar Ministerie te Amsterdam),

zetelend te ’s-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. C.M. Bitter te ’s-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als "de eisers" en als "de Staat".

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 november 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. In de periode gelegen tussen medio februari 2007 en medio april 2008 zijn verschillende aangiften gedaan tegen G. Wilders (hierna "Wilders") wegens - onder meer - groepsbelediging en het aanzetten tot haat en discriminatie door het doen van bepaalde uitspraken in media en het uitbrengen van de film "Fitna".

1.2. Het openbaar ministerie (hierna "OM") heeft besloten om Wilders naar aanleiding van die aangiften niet strafrechtelijk te vervolgen, omdat volgens het OM geen sprake is van strafbare feiten. De sepotbeslissingen zijn op 30 juni 2008 medegedeeld aan de aangevers.

1.3. Acht aangevers - onder wie eiseres sub 1 - hebben daarover beklag gedaan bij het gerechtshof te Amsterdam (hierna "het hof") op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering ("Sv").

1.4. Bij beschikking van 21 januari 2009 heeft het hof de officier van justitie te Amsterdam bevolen Wilders te dagvaarden ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137d van het Wetboek van Strafrecht ["Sr"]) en ter zake van groepsbelediging voor zover het betreft diens vergelijkingen met het nazisme (artikel 137c Sr).

1.5. Het OM heeft Wilders vervolgens gedagvaard om op 20 januari 2010 als verdachte te verschijnen voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam. Aan Wilders werd tenlastegelegd, kort gezegd, dat hij een groep mensen heeft beledigd en dat hij heeft aangezet tot haat en discriminatie. In die procedure hebben zich benadeelde partijen - onder wie eisers - gevoegd met een vordering tot schadevergoeding, op grond van artikel 51a Sv.

1.6. Op 12 en 15 oktober 2010 hebben de officieren van justitie in de strafzaak gerequireerd tot vrijspraak van Wilders op alle onderdelen van de tenlastelegging, omdat volgens hen geen sprake is van strafbare feiten. Het OM heeft voorts geconcludeerd dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen.

1.7. Na de pleidooien van de zijde van de verdediging heeft Wilders op 22 oktober 2010 alle leden van de meervoudige strafkamer gewraakt, waardoor de strafzaak werd geschorst. De meervoudige wrakingskamer van de rechtbank te Amsterdam heeft dit wrakingsverzoek op diezelfde dag toegewezen.

1.8. De rechtbank te Amsterdam heeft inmiddels een nieuwe (meervoudige) strafkamer samengesteld, die voornemens is de behandeling van de strafzaak tegen Wilders binnen afzienbare tijd te hervatten.

1.9. Het OM is van plan zich na de hervatting van de zaak te laten vertegenwoordigen door dezelfde twee officieren van justitie als vóór de schorsing.

1.10. Op grond van artikel 130 lid 4 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft het College van procureurs-generaal de "Aanwijzing Discriminatie (2007A010)" gegeven, met het oog op de bescherming van de samenleving tegen discriminatie. Daarin is - onder meer - vastgelegd dat het OM bij die bescherming een belangrijke rol heeft te vervullen, omdat het strafrecht bij uitstek de mogelijkheid biedt om mensen publiekelijk ter verantwoording te roepen en te straffen. Voor het vervolgen geeft de Aanwijzing als hoofdregel dat bij overtreding van discriminatiebepalingen, indien de zaak bewijsbaar en de verdachte strafbaar is, altijd een strafrechtelijke reactie volgt. Daarbij geldt - behoudens bij lichtere zaken - dagvaarding als uitgangspunt.

2. Het geschil

2.1. De eisers vorderen, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te veroordelen om in de geschorste strafzaak tegen Wilders over te gaan tot vervanging van de tot nu toe met de vervolging belaste officieren van justitie;

II. de Staat te gelasten de dagvaarding in de strafzaak tegen Wilders in overeenstemming te brengen met de beschikking van het hof van 21 januari 2009, in die zin dat de tenlastelegging meer wordt geconcretiseerd aan de hand van (een aantal van) de in die beschikking onder 12.1.2 vermelde elementen;

III. de Staat te gelasten uitvoering te geven aan het bij de beschikking van 21 januari 2009 van het hof gegeven bevel om Wilders te dagvaarden ter zake van het aanzetten tot haat en discriminatie, en wel zodanig dat de door het hof als strafbaar aangemerkte uitlatingen, zonder gebleken nieuwe feiten of omstandigheden, ook door de officieren van justitie als zodanig zullen worden gekwalificeerd in hun requisitoir.

2.2. De Staat heeft de vorderingen van de eisers gemotiveerd bestreden.

2.3. Voor zover nodig zullen de stellingen van partijen hierna worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De vordering is in alle onderdelen gebaseerd op de stelling dat (het OM als orgaan van) de Staat onrechtmatig handelt jegens de eisers. Hiermee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter, in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding, gegeven. Voor de eisers staat geen andere rechtsgang open om te bewerkstelligen wat zij met hun vordering beogen. Daarom zijn zij in zoverre ook ontvankelijk in de vordering. Nu de rechtbank Amsterdam het voornemen heeft de strafzaak tegen Wilders in de nieuwe samenstelling binnen afzienbare tijd te behandelen, hebben de eisers een spoedeisend belang bij hun vordering. Ook in dat opzicht is de vordering dus geschikt voor nadere beoordeling in dit kort geding. Hieraan doet niet af dat de eisers het verwijt dat ten grondslag ligt aan het tweede deel van hun vordering ook al veel eerder - namelijk na kennisneming van de tenlastelegging - hadden kunnen formuleren. Zij hebben immers bepleit dat de drie onderdelen van de vordering afzonderlijk maar ook tezamen moeten worden bezien. Zolang zij niet wisten welk standpunt het OM in de strafzaak zou innemen, waren de beide andere onderdelen van de vordering nog niet aan de orde.

3.2. De vordering berust in de kern op de beschikking van het hof. De eisers verwijten het OM dat het niet in voldoende mate en niet op behoorlijke wijze uitvoering heeft gegeven aan die beschikking. Namens het OM is (als een van de twee officieren die tijdens de strafzitting het OM hebben vertegenwoordigd) de officier opgetreden die destijds al bij de afhandeling van de aangiften was betrokken en het besluit tot niet vervolgen van Wilders had genomen. Het is volgens de eisers te veel gevraagd om van deze officier te verlangen dat hij een geheel ander standpunt uitdraagt. Nu de officier dit ook inderdaad niet heeft gedaan, heeft het OM, zo stellen zij, jegens hen onrechtmatig gehandeld door na de beschikking van het hof deze zelfde officier met de vervolging te belasten. Het eerste onderdeel van de vordering strekt aldus tot de vervanging van de twee officieren van justitie die binnen het OM tot dusver zijn belast met de vervolging van Wilders, althans - zo is namens de eisers hieraan tijdens de zitting toegevoegd - tot de vervanging van de officier die van de aanvang af bij deze zaak betrokken is geweest. Het tweede onderdeel strekt ertoe dat de tenlastelegging in de strafzaak wordt aangevuld. Volgens de eisers is de tenlastelegging niet in overeenstemming met de beschikking van het hof. Zij verwijten het OM dat het de beschikking van het hof heeft "uitgekleed". Door de gevorderde wijziging moet de tenlastelegging alsnog nauwkeuriger aansluiten op het bevel van het hof. Het derde onderdeel strekt tot een bevel aan het OM om, kort gezegd, het (alsnog te houden) requisitoir beter te doen aansluiten op de inhoud van de beschikking van het hof en op de onder 1.10 bedoelde Aanwijzing. Volgens de eisers moet het requisitoir tot uitdrukking brengen dat - afgezien van de mogelijkheid dat tijdens de strafzitting nieuwe feiten aan het licht komen - de uitingen van Wilders die door het hof als strafbaar zijn aangemerkt, ook als strafbaar worden gekwalificeerd. Deze drie onderdelen komen hier achtereenvolgens aan de orde, eerst afzonderlijk en vervolgens, voor zover nodig, gezamenlijk.

3.3. Het eerste onderdeel, waarin de vervanging van de officieren wordt gevraagd, is niet toewijsbaar. Het miskent dat het OM, zoals het in de gebruikelijke terminologie heet, "een en ondeelbaar" is. Dit betekent dat het rechtens er niet toe doet welke officier een bepaalde zaak behandelt. In alle gevallen draagt de behandelende officier niet zijn of haar persoonlijke standpunt uit, maar het standpunt van het staatsorgaan OM. In een zaak als deze ligt het ook voor de hand dat de hoofdlijnen van het requisitoir niet louter door de betrokken officier(en) zijn bepaald. Bij vervanging van de behandelende officieren hebben de eisers zo bezien dus geen belang. Overigens is het niet aan de (burgerlijke) rechter om te bepalen wie binnen het OM met bepaalde taken wordt belast. In zeer bijzondere gevallen kan dit wellicht anders liggen, maar een dergelijk geval doet zich hier niet voor.

3.4. Het tweede onderdeel stelt in wezen de vraag aan de orde of een klager wiens beklag door een gerechtshof op basis van artikel 12 Sv is gehonoreerd, rechtsmiddelen heeft - en zo ja, welke - als hij meent dat het OM niet, of niet volledig, gevolg geeft aan het bevel tot vervolging. Voor zover bekend, is deze vraag niet eerder in de rechtspraak aan de orde gekomen. De eisers stellen dat het zojuist genoemde geval zich hier voordoet en dat zij daarom toegang behoren te hebben tot de burgerlijke rechter, in dit geval die in kort geding. Het staat vast dat zij tot dusver tevergeefs hebben geprobeerd het verwijt dat zij aan het OM maken, aan de orde te stellen in het strafproces.

3.5. Bij de beoordeling van dit onderdeel is het volgende van belang. Een gerechtshof heeft, als de rechter die is aangewezen om te oordelen over een beklag op grond van artikel 12 Sv, een bijzondere taak. Het hof biedt op basis van deze bijzondere rechtsgang rechtsbescherming aan belanghebbenden die nadeel ondervonden van een beslissing (in dit geval tot niet-vervolging) van het overheidsorgaan dat bij uitsluiting beslist over strafvervolging. Het hof beoordeelt de daartoe gemaakte afweging van het OM volledig, dus met inbegrip van de aspecten die zien op de opportuniteit van de vervolging. Het treedt in zekere zin dus op als bestuursorgaan, maar ook en uiteraard als rechter (zij het niet als strafrechter), en dit alles zonder de mogelijkheid van hoger beroep of cassatieberoep.

3.6. Uitgangspunt moet zijn dat het OM verplicht is een bevel tot vervolging naar de letter en naar de geest, en dus loyaal, uit te voeren. Als het OM een bevel op essentiële punten naast zich neerlegt - en, om een voorbeeld te noemen dat is toegespitst op deze zaak, in de dagvaarding van Wilders wel overtreding van artikel 137c Sr zou hebben opgenomen maar niet overtreding van artikel 137d Sr - lijkt een vordering voor de burgerlijke rechter alleszins mogelijk. Er moet dan immers een rechtsgang zijn om het OM te dwingen tot nakoming van een aan dit staatsorgaan opgelegd rechterlijk bevel. Een andere rechtsgang hiervoor kent ons recht niet. Als het handelen van de Staat, zoals in dit fictieve voorbeeld, onrechtmatig is, dient er, met een daarop gebaseerde vordering, toegang te zijn tot de burgerlijke rechter. Deze rechter zou dan niet nogmaals doen wat het hof al heeft gedaan, maar zou het vervolgingsbevel kunnen voorzien van sancties voor het geval dat het OM het zou blijven negeren. Op deze wijze zou de burgerlijke rechter dus kunnen bijdragen aan de effectuering van het bevel van het hof.

3.7. Dit geval doet zich hier echter niet voor. Het hof heeft in (het dictum van) zijn beschikking de officier van justitie te Amsterdam bevolen Wilders te dagvaarden voor de strafrechter ter zake van "het aanzetten tot haat en discriminatie (artikel 137d Sr) alsmede ter zake van groepsbelediging voorzover het betreft diens vergelijkingen met het nazisme (artikel 137c Sr)". Op zichzelf bezien heeft het OM aan dit bevel geheel voldaan. De dagvaarding in de strafzaak bevat immers verwijten die zien op gedragingen in strijd met deze beide wetsartikelen. De eisers stellen ook niet dat de dagvaarding in deze opzichten tekortschiet in de beschrijving van de feitelijke gedragingen van Wilders die de kwalificaties van de artikelen 137d Sr en 137c Sr zouden kunnen rechtvaardigen. Volgens de eisers ontbreken in die dagvaarding echter wel diverse belangrijke elementen die het hof in onderdeel 12.1.2 van zijn beschikking heeft opgesomd. De eisers noemen vijf van deze elementen. Eén daarvan betreft het oordeel van het hof dat de inhoud van de aan Wilders verweten meningsuitingen en zijn wijze van presenteren - vaak in een gebiedende en militante stijl - naar hun uiterlijke verschijningsvorm kennelijk erop gericht zijn om bij de Nederlandse bevolking conflictueuze tweespalt te veroorzaken ten opzichte van de islamitische bevolkingsgroep, en om de Nederlandse bevolking jegens die groep gelovigen te bewegen tot discriminatie, intolerantie, minachting en vijandschap en om angst voor hen aan te jagen.

3.8. Het is niet aan de burgerlijke rechter om een dergelijke (nadere, meer toegespitste) opdracht aan het OM te geven voor de inrichting van de tenlastelegging in de strafzaak tegen Wilders. Als de eisers van mening zijn dat het OM het bevel van het hof niet naar de strekking uitvoert, kunnen zij wellicht opnieuw beklag doen bij het hof, dat immers bij uitstek met een dergelijke bijzondere taak is belast. Er is - wat hiervan verder ook zij, nu het uitsluitend aan het hof is om hierover te oordelen - geen plaats voor een alternatieve rechtsgang bij de burgerlijke rechter. Het beroep van de eisers op de voorzieningenrechter is dus niet mogelijk. Ten overvloede kan hieraan worden toegevoegd dat een dergelijk beroep op de civiele voorzieningenrechter ook niet nodig lijkt te zijn. De passages uit de beschikking van het hof die de eisers opgenomen willen zien in de dagvaarding in de strafzaak, zijn onderdelen van de motivering van de beschikking van het hof. Deze beschikking bevindt zich in het strafdossier. De strafrechter kan, indien hij daarvoor reden heeft, deze motivering overnemen in het strafvonnis. Hij is voor een dergelijke redengeving niet gebonden aan de tekst van de tenlastelegging, noch aan het requisitoir van het OM. Dit betekent ook dat de eisers niet worden gevolgd in hun stellingen die erop neerkomen dat zij in hun belangen zijn geschaad door het ontbreken van voldoende tegenspraak in het strafproces.

3.9. Ook het tweede onderdeel van de vordering van de eisers slaagt dus niet.

3.10. Het derde onderdeel betreft de inhoud van het requisitoir. Ook dit onderdeel is niet toewijsbaar. De strafrechter dient zelfstandig, op basis van het onderzoek op de zitting en het daar besproken strafdossier, en met inachtneming van het toepasselijke recht, te beoordelen of de aan de verdachte verweten, in de tenlastelegging vermelde, gedragingen bewezen zijn en of het om strafbare feiten gaat waarvoor de verdachte straf verdient. De strafrechter is hierbij niet gebonden aan het requisitoir van het OM. Gelet op dit een en ander is er geen plaats voor een veroordeling van het OM door de (burgerlijke) rechter tot wijziging van het requisitoir in deze zaak. In de gegeven omstandigheden hebben de eisers daarbij om de hier vermelde redenen immers geen voldoende belang. Reeds hieruit volgt dat in het midden kan blijven of de vordering van het OM tot vrijspraak in dit geval is te zien als een loyale uitvoering van de beschikking van het hof.

3.11. Voor zover de eisers zich hebben beroepen op de Aanwijzing als een zelfstandige grond voor enig onderdeel van hun vordering, slaagt hun betoog evenmin. De Aanwijzing - wat daarvan verder ook zij - verplicht de officier niet om, gelet op de behandeling van een concrete zaak op de zitting van de strafrechter, te concluderen tot bewezenverklaring, strafbaarheid van de bewezen feiten en/of strafbaarheid van de verdachte.

3.12. Als de strafrechter, overeenkomstig de vordering van het OM, Wilders vrijspreekt, zullen de eisers, als de benadeelde partijen in het strafproces, niet ontvankelijk worden verklaard in hun civiele vorderingen. Dan staat voor hen de weg naar de burgerlijke rechter open. Ook hierom kan niet worden gezegd dat zij door de opstelling van het OM in de strafzaak geen effectieve toegang tot de rechter hebben.

3.13. Op grond van het voorgaande schieten alle onderdelen van de vordering tekort, zowel afzonderlijk als tezamen. Dit leidt tot afwijzing van de vordering. Onbesproken kan blijven of de vordering in één of meer onderdelen niet ook had behoren te worden afgewezen op de grond dat toewijzing niet mogelijk is nu de verdachte in kwestie, Wilders, niet in dit kort geding is betrokken.

3.14. Bij deze uitkomst past de veroordeling van de eisers in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt de eisers in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesproken op

26 november 2010.

jvl