Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5079

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/39452
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / China / zicht op uitzetting / uitspraak 11 november 2010 (LJN BO3813) / nieuwe informatie inzake overleg met de Chinese autoriteiten / in dit geval geen zicht op uitzetting, met name gelet op de looptijd van de lp-aanvraag

In dit geval geen zicht op uitzetting, met name gelet op de looptijd van de lp-aanvraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 10/39452, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. C.E. Koopmans, advocaat te Oud-Beijerland,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. M.M.E. Disselkamp, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiseres op 11 november 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 12 november 2010 heeft eiseres beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring.

1.3. De zaak is op 25 november 2010 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen B. Farida-Fong, tolk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) kan, indien het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid zulks vordert, met het oog op uitzetting, door Onze Minister in bewaring worden gesteld de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft.

Ingevolge artikel 94, eerste lid, laatste volzin, van de Vw 2000 strekt het beroep tegen een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59 tevens tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Ingevolge het vierde lid van artikel 94 van de Vw 2000 verklaart de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond, indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 of bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.2. In de schriftelijke vastlegging van de maatregel van bewaring is vermeld dat het belang van de openbare orde de inbewaringstelling van eiseres vordert, omdat het gevaar bestaat dat zij zich aan haar uitzetting zal onttrekken. De gronden van de maatregel zijn dat eiseres:

- niet beschikt over een identiteitspapier als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000;

- zich niet heeft gehouden aan haar vertrektermijn;

- geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.

2.3. Eiseres heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Er is geen zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. De aanvraag om een laissez-passer (hierna: lp) is reeds op 23 maart 2009 verzonden naar de Chinese autoriteiten. Tot op heden hebben de Chinese autoriteiten niet gereageerd op deze aanvraag. Eiseres verwijst naar de uitspraak van 11 november 2010 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (LJN BO3813).

2.4. Verweerder heeft, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

De lp-aanvraag is ingediend voordat eiseres in bewaring is gesteld. De duur van dit traject is niet relevant voor de beoordeling van het zicht op uitzetting. Verweerder stelt zich op het standpunt dat wel degelijk sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Sinds mei 2010 is regelmatig met de Chinese autoriteiten gesproken over de afgifte van lp's, namelijk op 16 juli 2010, 1 september 2010, 28 oktober 2010 en 11 november 2010. Eiseres voldoet niet aan haar verplichting om mee te werken aan haar uitzetting.

2.5. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.5.1. In haar uitspraak van 11 november 2010 heeft een meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats onder meer het volgende overwogen.

" 2.4.2. Bij de beoordeling van het zicht op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In haar uitspraak van 11 augustus 2008 (LJN BD9842) heeft de rechtbank vastgesteld dat de Chinese autoriteiten in april 2007 voor het laatst een aanvraag van verweerder om een lp hebben ingewilligd en dat zij sindsdien geen enkele beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op aanvragen van verweerder om een lp, terwijl verweerder in 2007 bijna 680 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten en in 2008 tot begin juni ongeveer 270. Op grond daarvan heeft de rechtbank in haar uitspraak van 11 augustus 2008 geoordeeld dat zicht op uitzetting van de desbetreffende vreemdeling naar China ontbrak.

In twee uitspraken van 5 september 2008 (LJN BE9987 en BE9988) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) geoordeeld dat zicht op uitzetting van de vreemdelingen in kwestie naar China ontbrak. In haar uitspraak van 26 november 2008 (LJN BG5708) kwam de Afdeling tot het oordeel dat de afgifte van twee lp's door de Chinese autoriteiten, één in september 2008 en één in oktober 2008, niet de conclusie wettigt dat anders moet worden geoordeeld over het zicht op uitzetting naar China.

Uit de uitspraak van 9 augustus 2010 van de Afdeling (LJN BN4048) leidt de rechtbank af dat verweerder in 2008 in totaal ongeveer 500 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten en dat het in dat jaar is gebleven bij de afgifte van voormelde twee lp's.

Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij in 2009 ongeveer 120 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten en dat deze autoriteiten in 2009 geen enkele beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op aanvragen van verweerder om afgifte van een lp.

In mei 2010 hebben de Chinese autoriteiten achttien lp's toegezegd aan verweerder, waarvan er in juni 2010 zeventien daadwerkelijk zijn verstrekt. Van deze zeventien lp's is er één aangevraagd in 2007, zeven in 2008, vijf in 2009 en vier in 2010. In haar uitspraak van 9 augustus 2010 heeft de Afdeling geoordeeld dat deze ontwikkeling de conclusie wettigt dat thans weer sprake is van zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn.

Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat de Chinese autoriteiten van januari tot en met oktober 2010 voor het overige geen beslissingen, positief dan wel negatief, hebben genomen op aanvragen van verweerder om lp's en dat verweerder in deze periode ongeveer 195 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten.

2.4.3. De rechtbank stelt vast dat sinds de toezegging van achttien lp's in mei 2010 een half jaar is verstreken zonder dat de Chinese autoriteiten enige beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op lp-aanvragen van verweerder. Ter zitting van 11 november 2010 heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard niet te weten of het thans voorkomt dat de Chinese autoriteiten nadere informatie van verweerder vragen of anderszins reageren op aanvragen die verweerder heeft ingediend. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de Chinese autoriteiten na mei 2010 nog enige aanvraag van verweerder om een lp inhoudelijk hebben beoordeeld.

Bij de beoordeling van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat slechts een beperkt aantal van de zeventien verstrekte lp's is afgegeven binnen een termijn die in geval van een inbewaringstelling als redelijk kan worden aangemerkt. Voorts acht de rechtbank van belang dat de afgifte van zeventien lp's in 2010 op hetzelfde moment heeft plaatsgevonden, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat de Chinese autoriteiten ook andere lp-aanvragen van verweerder inhoudelijk beoordelen of zullen beoordelen.

2.4.4. De rechtbank heeft verweerder bij faxbericht van 10 november 2010 gevraagd of de afgifte van lp's sinds mei 2010 in algemene zin ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten en, zo ja, wanneer en hoe dit is gebeurd en of dit tot concrete afspraken of toezeggingen heeft geleid. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat op diplomatiek niveau doorlopend contact wordt onderhouden met de Chinese autoriteiten, maar een concreet antwoord op de vraag van de rechtbank is uitgebleven. De rechtbank ziet geen reden om desondanks aan te nemen dat sprake is van zodanig intensieve en vruchtbare contacten met de Chinese autoriteiten dat daaraan de redelijke verwachting kan worden ontleend dat deze autoriteiten binnen een redelijke termijn opnieuw zullen overgaan tot het afgeven van één of meer lp's, bijvoorbeeld ten behoeve van eiseres.

2.4.5. De rechtbank komt tot de slotsom dat de toezegging van achttien lp's in mei 2010 en de afgifte van zeventien van deze lp's in juni 2010, gelet op het tijdsverloop sindsdien, de onder 2.4.2. beschreven situatie rond de afgifte van lp's door de Chinese autoriteiten vanaf 2007 en het ontbreken van aanwijzingen dat de Chinese autoriteiten lp-aanvragen van verweerder thans inhoudelijk beoordelen, niet langer de conclusie wettigt dat er zicht is op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn."

2.5.2. De rechtbank houdt vast aan hetgeen zij heeft overwogen in haar uitspraak van 11 november 2010, met dien verstande dat verweerder ter zitting van 25 november 2010, anders dan ter zitting van 11 november 2010, naar voren heeft gebracht dat de afgifte van lp's sinds mei 2010 tot vier keer toe ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten. Over de inhoud van deze gesprekken kon of wilde de gemachtigde van verweerder geen mededelingen doen, zodat niet duidelijk is of de overleggen tot concrete afspraken of toezeggingen hebben geleid. Het regelmatige overleg tussen verweerder en de Chinese autoriteiten sinds mei 2010 is op zichzelf relevant voor de beoordeling van het zicht op uitzetting, maar vormt voor de rechtbank in het geval van eiseres geen reden om zicht op uitzetting aan te nemen. De lp-aanvraag loopt al één jaar en acht maanden, zonder dat er ooit enige reactie van de zijde van de Chinese autoriteiten is gekomen. Verweerder rappelleert regelmatig, maar niet is gebleken van specifieke navraag naar het dossier van eiseres. Gelet hierop en bezien in het licht van hetgeen de rechtbank heeft overwogen in haar uitspraak van 11 november 2010 valt naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs niet te verwachten dat binnen een redelijke termijn alsnog een lp voor eiseres zal worden verstrekt, ongeacht of eiseres zich inspant om haar uitzetting te bespoedigen. De beroepsgrond dat zicht op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn ontbreekt, slaagt dan ook.

2.6. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiseres bevelen.

De bewaring van eiseres is van meet af aan onrechtmatig. Uitgaande van de normbedragen van € 105 per dag detentie in een politiecel en € 80 per dag detentie in een huis van bewaring heeft eiseres, die op 15 november 2010 is overgeplaatst naar een huis van bewaring, recht op een schadevergoeding van € 1.220.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 874 (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat eiseres procedeert op basis van een toevoeging, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.7. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiseres;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan eiseres een schadevergoeding toe van € 1.220 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 874 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en P. van den Berg, griffier, ondertekend.