Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO5076

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
09-650040-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel, meermalen gepleegd.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar.

Schadevergoeding € 1.500,00.

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 57 en 273a van het Wetboek van Strafrecht.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel.

Het slachtoffer is een door het leven getekende, afhankelijke kwetsbare jonge vrouw. Verdachte heeft haar door middel van de typerende "loverboy-techniek" van "grooming" weten in te palmen. Verdachte heeft op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer door haar te werven om in de prostitutie te gaan werken en zich te laten prostitueren. Ook moest zij al het door haar verdiende geld aan verdachte afstaan. Door aldus te handelen heeft verdachte ernstig misbruik van haar gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/650040-10

Datum uitspraak: 25 november 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1985 te [plaats],

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 11 november 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.R.B. Mos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. P.J. Hoogendam, advocaat te 's-Gravenhage, en door verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2008 te Den Haag en/of Alkmaar, althans in Nederland,

een persoon genaamd [slachtoffer] door dwang en/of geweld en/of één of meer andere feitelijkheden en/of door dreiging met geweld of één of meer feitelijkheden en/of door afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

heeft/hebben geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest en/of opgenomen,

met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [slachtoffer] (in de prostitutie)

en/of

die [slachtoffer] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft/hebben gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, dan wel enige handeling(en) heeft/hebben ondernomen waarvan hij, verdachte, wist althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (in de prostitutie) en/of seksuele handelingen met of voor

een derde tegen betaling

en/of

opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer]

en/of

die [slachtoffer] (telkens) met één van de voornoemde middelen heeft gedwongen en/of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde

immers heeft verdachte

- een (seksuele) relatie met die [slachtoffer] aangegaan en/of

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij veel schulden had en/of

- die [slachtoffer] voorgesteld en/of op het idee gebracht om (teneinde zijn schulden te kunnen afbetalen en daarna samen een normaal bestaan te kunnen leiden) in de prostitutie te gaan werken en/of

- die [slachtoffer] (telkens) vanuit Den Haag, althans vanuit enige plaats in Nederland, naar een prostitutiekamer (over)gebracht en/of laten overbrengen en/of

- voor die [slachtoffer] een raam (te weten een prostitutiekamer) gehuurd en/of die [slachtoffer] zelf een raam (te weten een prostitutiekamer) laten huren en/of

- die [slachtoffer] als prostituee laten werken in Den Haag en/of Alkmaar, althans in enige plaats in Nederland, en/of

- die [slachtoffer] (voortdurend) onder toezicht en/of controle gehouden en/of

- die [slachtoffer] gedwongen, althans bewogen om vele uren achter elkaar te (blijven) werken en/of tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze (toch) door moest werken (ook als die [slachtoffer] aangaf niet meer te willen werken) en/of

- die [slachtoffer] (meermalen, althans eenmaal) geslagen omdat zij niet meer wilde werken en/of

- die [slachtoffer] gedwongen, althans bewogen, om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af te staan en/of af te dragen;

art 273f lid 1 ahf/sub 1° Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt, kort en feitelijk weergegeven, erop neer dat verdachte zich in de periode van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2008 te Den Haag en/of Alkmaar heeft schuldig gemaakt aan mensenhandel, doordat hij [slachtoffer] met een dwang- of drukmiddel en met het oogmerk van uitbuiting heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest, opgenomen, en/of met voornoemd dwang- of drukmiddel heeft gedwongen of bewogen zich beschikbaar te stellen voor de prostitutie, en/of opzettelijk voordeel heeft getrokken uit deze uitbuiting, en/of die [slachtoffer] heeft gedwongen of bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar prostitutie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan.

De officier van justitie heeft hiertoe verwezen naar de aangifte van [slachtoffer], die op onderdelen steun vindt in de verklaringen van diverse getuigen en in politiemutaties aangaande aangeefster en verdachte.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Hiertoe heeft hij primair aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte überhaupt wist van de werkzaamheden in de prostitutie van aangeefster. Alleen de aangeefster heeft hierover belastend verklaard, maar haar verklaring acht de raadsman niet betrouwbaar. Verklaringen van getuigen spreken de aangifte tegen op cruciale punten. De aangifte mag dan ook niet voor bewijs worden gebruikt. Subsidiair heeft de raadsman hiertoe aangevoerd dat, mocht de rechtbank het wel aannemelijk vinden dat verdachte op de hoogte was van de werkzaamheden van aangeefster, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte jegens aangeefster gebruik heeft gemaakt van (één van) de ten laste gelegde dwang- en/of drukmiddelen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging (1)

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af.

Aangeefster heeft verklaard dat zij uit een gezin komt van drie kinderen. In het gezin was altijd ruzie en ze werden veel geslagen. Haar vader was niet veel thuis en haar moeder reageerde alles op de kinderen af. (2) In het jaar 2000 leerde zij een zekere [X.] kennen. Zij kregen een relatie. Hij gaf haar het gevoel dat hij echt van haar hield. Zij kreeg cadeautjes van hem en ze hadden het erg leuk samen. Vlak voor haar achttiende verjaardag op 25 februari 2001, vroeg hij haar te gaan werken als danseres in een striptease tent. Aangeefster weigerde dit en wilde het uitmaken. Zij heeft verklaard dat [X.] vervolgens aangaf dat zij hem 10.000 euro moest betalen als zij bij hem weg wilde. Op 3 maart 2001 kwam hij 's avonds thuis met allerlei attributen die nodig waren voor prostitutiewerk. [X.] vertelde dat zij voor hem in de prostitutie moest werken en het geld wat hij aan haar uitgegeven had terug moest verdienen. Hij had een kamer voor haar geregeld. (3) Tot april heeft zij vervolgens iedere dag in de prostitutie gewerkt. Daarna heeft [X.] haar aangezet tot het smokkelen van drugs vanuit de Antillen. Nadat zij uit angst zelf een anonieme tip hierover heeft gegeven aan de politie, werd zij vervolgens opgepakt en heeft zij drie maanden vastgezeten. Terug in Nederland is zij weer teruggegaan naar [X.], omdat hij dreigde haar familie wat aan te doen als zij niet bij hem bleef. Nadat [X.] veel geweld tegen haar had gebruikt is zij weer voor hem in de prostitutie gaan werken. (4) Uiteindelijk is zij twee jaar voor hem in de prostitutie blijven werken. Zij werd veel geslagen door [X.] en ze gebruikte drugs en alcohol om het werk te kunnen volhouden. In september 2003 wist zij uiteindelijk te vluchten.

Aangeefster heeft verklaard dat het na een jaar in 2004 weer wat beter met haar ging. Ze gebruikte geen drugs meer en ging weer naar school. Daar heeft zij verdachte ontmoet. Voor haar was het liefde op het eerste gezicht. Op 17 december 2004 kreeg ze haar eerste zoen. Ze was ontzettend verliefd op hem. (5) Twee maanden daarvoor had ze aan verdachte verteld dat ze in de prostitutie had gewerkt. Verdachte troostte haar en was erg lief voor haar geweest. Ze waren veel samen, maar op school ging het slecht. In april/mei 2005 is zij samen met verdachte gestopt met school. Zij kreeg ruzie met haar moeder en is in juni 2005 bij een vriendin ingetrokken. Vervolgens kon zij verdachte drie weken lang niet bereiken en kreeg zij eind juli 2005 weer contact met hem doordat hij contact met haar opnam. Vanaf dat moment gingen ze weer met elkaar om en is zij weer bij haar moeder ingetrokken.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte eind september/begin oktober 2005 over zijn schulden begon te praten. Op een gegeven moment was verdachte heel erg stil en zij vroeg aan hem wat er aan de hand was. Verdachte vertelde toen dat hij veel schulden had. Hij vertelde dat hij was opgepakt voor fraude en dat hij was gaan dealen om van zijn schulden af te komen. Hij vertelde dat hij was opgepakt voor fraude, dat hij op borgtocht was vrijgekomen en mensen moest terug betalen. Hij vertelde dat dit de reden was waardoor hij in de zomervakantie geen contact met haar had opgenomen. Verdachte vertelde dat als het probleem niet opgelost zou worden, hij naar het buitenland zou moeten. Hij vertelde dat hij met haar wilde samenwonen. Aangeefster heeft verklaard dat zij toen heeft gezegd dat zij zou gaan werken en geld zou gaan verdienen om zijn schulden af te betalen. Zij vertelde hem dat zij echt alles voor hem zou doen, zodat hij niet het land uit hoefde. Hierop vroeg verdachte of zij ook het werk in Amsterdam wilde gaan doen. Hij zei dat zij maar drie maanden hoefde te werken en dat hij dan zijn schulden zou kunnen afbetalen. Hij zei dat ze dan overal vanaf zouden zijn. Hij vertelde dat ze allebei een knop moesten omzetten en dat ze een doel voor ogen hadden. Zij heeft verklaard dat achteraf bezien ze dom en naïef is geweest en dat verdachte slim en geslepen was en dat hij haar goed wist te bespelen. Verdachte vrijde nog steeds met haar, hij zoende nog met haar en zij dacht dus dat hij veel van haar hield. (6)

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte in november 2005 opperde dat zij in Alkmaar als prostituee kon werken. Ze zijn toen naar Alkmaar gereden en onderweg bedacht zij zich en vertelde zij aan verdachte dat zij niet meer wilde. Hierop heeft verdachte haar geslagen en zij moest seks met verdachte hebben. Vervolgens heeft verdachte haar naar de Achterwal in Alkmaar gebracht, het prostitutie gebied. Toen ze uitstapten beloofde verdachte haar dat ze zouden gaan trouwen. De eerste dag dat zij in Alkmaar als prostituee ging werken moest zij huilen. Verdachte vertelde tegen haar dat zij het wel kon en dat zij maar aan hem moest denken. Verdachte vertelde haar dat het zij het voor hen deed en dat zij maar aan leuke dingen moest denken. Vervolgens is verdachte weggegaan en zij heeft de knop toen omgezet. Zij dacht dat zij op die manier verdachte zou behouden, dat ze de schulden konden aflossen en daarna weer verder zouden kunnen gaan met hun leven. Uiteindelijk heeft zij daar drie maanden gewerkt, tot in februari 2006. Aangeefster heeft verklaard dat zij en verdachte in die periode veel ruzies hadden, omdat zij nooit wilde gaan werken. Verdachte zei dan dat ze hem zouden komen halen en aangeefster wilde niet dat hij wegging. Zij ging dan maar weer werken. (7) Zij heeft verklaard dat als zij met verdachte over het werk in de prostitutie praatte, hij op haar inpraatte. Hij zei dan tegen haar dat als zij het nog een keer zou doen, hij bij haar zou blijven en met haar zou gaan trouwen. Hij zei ook tegen haar dat niemand anders meer van haar zou kunnen houden dan dat hij deed, vanwege het werk dat zij in de prostitutie had gedaan. Zij geloofde wat verdachte tegen haar zei en zij dacht dat ze samen een toekomst hadden. (8) In februari 2006 is aangeefster gestopt met werken omdat zij zwanger was van verdachte. Begin maart heeft zij een abortus ondergaan. (9) Het geld dat zij met de prostitutie werkzaamheden verdiende gaf zij aan verdachte, of hij pakte het zelf. Hij wist waar het lag. (10)

Aangeefster heeft verklaard dat zij na de abortus in maart 2006 kort bij haar moeder heeft gewoond en dat zij daarna in een opvanghuis voor dakloze jongeren heeft verbleven. Op 16 augustus 2006 kreeg zij de sleutel van haar eigen huis. Zij had helemaal niets in haar eigen huis en zij en verdachte spraken weer over hoe geld te gaan verdienen. Zij besloot nogmaals te gaan werken in de prostitutie en zij heeft vervolgens wederom twee maanden als prostituee in Alkmaar gewerkt. Zij stopte met dit werk, omdat zij zwanger was geraakt van een klant. Eind oktober 2006 onderging zij wederom een abortus. (11) Met oud en nieuw 2006/2007 ontmoette zij een andere jongen, waarmee zij een relatie kreeg. Die eindigde in september 2007. In november van dat jaar heeft zij verdachte een email gestuurd, waarin zij schreef dat zij hem miste. Zij kreeg direct een email van verdachte terug (12) en eind november waren ze weer samen. Aangeefster wilde bij hem zijn, omdat zij niet meer alleen wilde zijn. Verdachte was de enige persoon waar zij nog contact mee had. (13) In april 2008 ging zij vervolgens aan het werk als prostituee in de [a-straat] te Den Haag. Het geld dat zij verdiende droeg zij af aan verdachte. Dit was een gewoonte voor haar geworden, aangezien zij dat, toen zij in Alkmaar werkte, ook al deed. In augustus 2008 is verdachte naar Marokko gegaan. Het contact met verdachte is daarna verwaterd. (14) Aangeefster heeft verklaard dat zij daarna niet meer in de prostitutie heeft gewerkt. (15)

Getuige [A.] heeft verklaard dat hij voor een exploitant heeft gewerkt van de [b-straat] te Alkmaar. Hij woonde daar ook. Aangeefster werkte als prostituee onder zijn huis en zo heeft hij haar leren kennen. Toen aangeefster zich inschreef om een kamer aan de [b-straat] te huren, had hij het idee dat zij dit niet vrijwillig deed. Zij was door iemand gebracht. Volgens [getuige A.] was dit ergens in 2007. Aangeefster heeft vaak tegen hem gezegd dat zij het werk in de prostitutie niet wilde doen. [getuige A.] heeft verklaard dat aangeefster geen geld had en dat zij geld bij hem leende. Hij vertelde haar wel eens dat zij niet al haar geld moest afstaan. Aangeefster ging met niemand om in Alkmaar. Zij zat vaak te piekeren en sprak met niemand. Zij was erg op zichzelf. (16)

Getuige [B.] heeft verklaard dat zij een aantal jaren als prostituee heeft gewerkt in een privé-huis te Rijswijk. In juli 2008 leerde zij aangeefster kennen. [getuige B.] heeft verklaard dat zij twee jaren lang een relatie met verdachte heeft gehad. Zij liet een foto van hem zien aan aangeefster en toen bleek aangeefster al vier jaren verkering met verdachte te hebben. De relatie van [getuige B.] met verdachte was op dat moment drie maanden uit. [getuige B.] heeft verklaard dat zij een relatie met verdachte kreeg toen zij net achttien jaar was. Verdachte vertelde haar al vrij snel daarna dat hij schulden had. Hij vertelde aan haar dat hij Nederland moest verlaten. [getuige B.] wilde niet dat hij Nederland zou verlaten, want zij wilde hem bij zich houden. Zij vertelde aan verdachte dat zij wel geld wilde verdienen, zodat hij in Nederland kon blijven. Verdachte vertelde toen dat hij een vriend had wiens vriendin in de prostitutie werkte en veel geld verdiende. [getuige B.] heeft verklaard dat zij daar even over heeft nagedacht en toen besloot dat maar te proberen. Uiteindelijk is zij in Rijswijk terechtgekomen. Zij was erg verliefd op verdachte en gaf al het geld dat zij in de prostitutie verdiende aan hem af. Als zij geld voor haarzelf wilde houden werd verdachte helemaal gek. (17) Hij schreeuwde dan en ging ruzie maken. Zij gaf het geld aan hem, omdat hij vertelde dat hij rekeningen moest betalen.(18) Zij gaf het geld maar aan verdachte, omdat zij geen confrontatie met hem aan wilde gaan. (19)

Verdachte heeft bevestigd dat hij aangeefster op school heeft leren kennen en dat hij een relatie met haar kreeg. Hij heeft verklaard dat zij beiden de school niet hebben afgemaakt. Hij heeft aangeefster inderdaad beloofd met haar te gaan trouwen. In zijn cultuur moet hij echter met een Marokkaanse trouwen, waar hij inmiddels ook mee getrouwd is. Verdachte heeft tevens bevestigd dat hij een relatie met [getuige B.] heeft gehad toen zij achttien was. Dit was op hetzelfde moment als dat hij een relatie met aangeefster had. Hij wist dat [B.] na haar achttiende jaar in de prostitutie werkte in Rijswijk. [B.] wilde in de prostitutie werken, om zijn schulden af te betalen. Verdachte heeft verklaard dat hij schulden had bij instanties. Hij heeft verklaard dat hij wist van aangeefster haar verleden in de prostitutie. Hij heeft echter ontkend dat hij wist dat aangeefster in de prostitutie werkzaam zou zijn geweest op het moment dat hij een relatie met haar had. (20)

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde het volgende.

De periode van november 2005 tot en met februari 2006

De verklaring van aangeefster over de aanleiding van haar werkzaamheden in de prostitutie te Alkmaar en haar werkzaamheden aldaar in de periode van november 2005 tot en met februari 2006, zoals hiervoor weergegeven, wordt op cruciale onderdelen ondersteund door de verklaringen van de getuigen [getuige B.] en [getuige A.], alsmede door voormelde verklaring van verdachte zelf. De verklaring van verdachte bevestigt op zichzelf op belangrijke onderdelen ook weer de verklaring van getuige [B.]. Voorts stelt de rechtbank vast dat aangeefster bij de politie zeer gedetailleerd over deze periode heeft verklaard en dat zij deze verklaring in een tweetal verhoren bij de rechter-commissaris heeft bevestigd en aldus ook consequent en consistent heeft verklaard. De rechtbank acht de verklaring van aangeefster zoals hiervoor is weergegeven dan ook voldoende betrouwbaar om als bewijsmiddel te gebruiken en de rechtbank gaat van die verklaring uit. Dat de verklaring van aangeefster niet op al haar onderdelen wordt ondersteund doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

De rechtbank gaat er gelet op vorenstaande verklaringen vanuit dat aangeefster en verdachte vanaf december 2004 een relatie met elkaar hebben gehad en dat aangeefster gedurende die relatie op voorstel van verdachte in de periode van november 2005 tot en met februari 2006 in Alkmaar is gaan werken in de prostitutie en dat aangeefster haar met de prostitutie verdiende geld aan verdachte heeft afgestaan. Voorts gaat de rechtbank er op grond van vorenstaande verklaringen vanuit dat de aanleiding voor aangeefster daartoe is geweest het kunnen afbetalen van de schulden van verdachte, zodat hij niet naar het buitenland zou hoeven te vertrekken, hij met haar zou gaan trouwen en zij samen een toekomst zouden hebben.

Aangeefster heeft blijkens haar verklaringen voordat zij verdachte leerde kennen moeilijke perioden in haar leven gekend. Zij heeft geen veilige thuissituatie gehad en was een afhankelijke jonge vrouw die opzoek was naar liefde en geborgenheid. Hier werd reeds misbruik van gemaakt in een eerdere relatie waarin zij zichzelf voor haar toenmalige partner had geprostitueerd. Dat aangeefster hierna nog kwetsbaarder en eenzamer was geworden moge duidelijk zijn. Verdachte wist van aangeefster haar verleden en dat zij vreselijk verliefd op hem was en stelde haar toch voor om ook voor hem in de prostitutie te gaan werken, zodat hij naar zijn zeggen niet vanwege zijn schulden bij haar weg hoefde te gaan en zij later zouden kunnen trouwen. Gedurende de periode dat aangeefster werkzaam was in de prostitutie te Alkmaar bleef verdachte op aangeefster inpraten; dat zij het voor hun toekomst deed. Blijkens verdachte zijn verklaring is het echter nooit de bedoeling geweest om bij aangeefster te blijven.

Door op deze geraffineerde wijze te werk te gaan bij een afhankelijke en kwetsbare jonge vrouw als aangeefster, heeft verdachte misbruik gemaakt van uit de feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte middels dat misbruik aangeefster in de periode van november 2005 tot en met februari 2006 heeft geworven voor de prostitutie en heeft bewogen om in de prostitutie te gaan werken en de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem af te staan. De positie waarin verdachte aangeefster bracht deed ernstig afbreuk aan een vrije keuze daartoe. Door op deze wijze te werven en haar vervolgens in Alkmaar te werk te stellen, ontbrak de vrijwilligheid in hoge mate. Voorts acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft geworven met het oogmerk van uitbuiting en dat zij vervolgens daadwerkelijk in een uitbuitingssituatie terecht kwam. Het was immers zijn bedoeling dat aangeefster het met de prostitutie te verdienen geld aan hem zou afstaan en de rechtbank heeft reeds overwogen dat zij ervan uit gaat dat zij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. Dit betekent dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals weergegeven onder 3.4, heeft begaan.

De rechtbank overweegt nog dat aangeefster heeft verklaard dat verdachte in de periode van november 2005 tot en met februari 2006 geweld tegen haar heeft gebruikt. Nu dit onderdeel van de verklaring onvoldoende door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund, zal de rechtbank verdachte van de onderdelen in de tenlastelegging die op geweldshandelingen zien, vrijspreken.

De perioden van augustus 2006 tot en met oktober 2006 en april 2008 tot en met augustus 2008

De rechtbank is van oordeel dat noch uit de verklaring van aangeefster zelf noch uit de overige in het dossier aanwezige verklaringen blijkt dat de rol van verdachte gedurende de perioden van augustus 2006 tot en met oktober 2006 en april 2008 tot en met augustus 2008 dermate wezenlijk is geweest dat aangeefster daardoor in die perioden wederom haars ondanks voor verdachte prostitutiewerkzaamheden is gaan verrichten en de opbrengst daaruit aan verdachte heeft afgestaan. Niet is gebleken van dusdanige handelingen van verdachte in die perioden die op dat moment voor aangeefster van doorslaggevende betekenis moeten zijn geweest om wederom als prostituee aan het werk te gaan. De rechtbank zal verdachte dan ook van het ten laste gelegde, voor zover dat ziet op die perioden, vrijspreken.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de eerste alternatief/cumulatief, tweede alternatief/cumulatief, derde alternatief/cumulatief en vierde alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen in de periode van 1 september 2005 tot en met 1 maart 2006 te Alkmaar

een persoon genaamd [slachtoffer] door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht heeft geworven, met het oogmerk van uitbuiting van voornoemde [slachtoffer] in de prostitutie

en

die [slachtoffer] telkens met voornoemd middel heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid in de prostitutie en seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer]

en

die [slachtoffer] telkens met voornoemd middel heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde,

immers heeft verdachte

- een seksuele relatie met die [slachtoffer] aangegaan en

- tegen die [slachtoffer] gezegd dat hij veel schulden had en

- die [slachtoffer] voorgesteld om teneinde zijn schulden te kunnen afbetalen en daarna samen een normaal bestaan te kunnen leiden in de prostitutie te gaan werken en

- die [slachtoffer] als prostituee laten werken in Alkmaar en

- die [slachtoffer] bewogen om (een groot deel van) de opbrengst uit de prostitutiewerkzaamheden aan hem, verdachte, af te staan en/of af te dragen;

met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en/of taalfouten, door welke verbetering verdachte niet in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

5. De straf/maatregel

5.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

5.2 Het standpunt van de verdediging

Aangezien de raadsman van verdachte vrijspraak van de ten laste gelegde feiten heeft bepleit, heeft hij zich niet uitgelaten over strafoplegging.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder die zijn begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer]. [slachtoffer] is een door het leven getekende, afhankelijke kwetsbare jonge vrouw. Verdachte heeft haar door middel van de typerende "loverboy-techniek" van "grooming" weten in te palmen. Verdachte heeft op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van [slachtoffer] door haar te werven om in de prostitutie te gaan werken en zich te laten prostitueren. Ook moest [slachtoffer] al het door haar verdiende geld aan verdachte afstaan. Door aldus te handelen heeft verdachte ernstig misbruik van haar gemaakt. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op een Voorlichtingsrapport van de reclassering van 13 augustus 2010. Aangezien verdachte de ten laste gelegde feiten heeft ontkend, onthoudt de reclassering zich van het geven van een strafadvies.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 27 mei 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten.

Gezien de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de overige omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, acht de rechtbank een gevangenisstraf van de hierna te noemen duur passend en geboden. Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, verdachte van een gedeelte van de ten laste gelegde periode zal vrijspreken, is die straf lager dan door de officier van justitie geëist.

6. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel.

6.1 De vordering

[slachtoffer] heeft zich gesteld en vordert aan immateriële schade een bedrag van € 6.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van die schade.

6.2. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, aangezien hij heeft bepleit verdachte van de ten laste gelegde feiten waarop die vordering ziet vrij te spreken.

6.4 Het oordeel van de rechtbank

Ter zake van de gevorderde immateriële schade, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, zal de rechtbank naar billijkheid een bedrag van € 1.500,- toewijzen.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 1 maart 2006.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de ten laste gelegde en bewezenverklaarde strafbare feiten is toegebracht en verdachte voor deze feiten zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2006 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 24c, 36f, 57 en 273a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de eerste alternatief/cumulatief, tweede alternatief/cumulatief, derde alternatief/cumulatief en vierde alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van de eerste alternatief/cumulatief, tweede alternatief/cumulatief, derde alternatief/cumulatief en vierde alternatief/cumulatief ten laste gelegde feiten:

mensenhandel, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) JAAR;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], [adres] te 's-Gravenhage, een bedrag van € 1.500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 maart 2006 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.500,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs E. Timmermans, voorzitter,

O.F. Bouwman en I.J.K. van der Meer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 november 2010.

Mr. Van der Meer is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Waar hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van de processen-verbaal met bijlagen van de politie Haaglanden met de nummers 15J1/2008/3820-30 (bundel I), doorlopend genummerd van p. 1 t/m 99, en 15J1/2008/3820-43 (bundel II), doorlopend genummerd van p. 100 t/m 112.

2 PV van eerste verhoor aangeefster, p. 34.

3 PV van eerste verhoor aangeefster, p. 35.

4 PV van eerste verhoor aangeefster, p. 36 en PV van tweede verhoor aangever, p. 38.

5 PV van tweede verhoor aangeefster, p. 39.

6 PV van tweede verhoor aangeefster, p. 40.

7 PV van tweede verhoor aangeefster, p. 41.

8 Verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris op 9 augustus 2010, onder punt 13.

9 PV van derde verhoor aangeefster, p. 44.

10 PV van vierde verhoor aangeefster, p. 50.

11 PV van derde verhoor aangeefster, p. 44.

12 PV van vierde verhoor aangeefster, p. 49.

13 PV van derde verhoor aangeefster, p. 44.

14 PV van vierde verhoor aangeefster, p. 49-50.

15 Verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris op 18 oktober 2010.

16 PV van verhoor getuige [A.], p. 56-57.

17 PV van verhoor getuige [B.], p. 53-54.

18 PV van verhoor getuige [B.] bij de rechter-commissaris.

19 PV van tweede verhoor getuige [B.], proces-verbaal nummer PL15J1/2008/3820-50. Niet opgenomen in één van de onder voetnoot 1 vermelde bundels.

20 PV van verhoor verdachte, p. 67-69.