Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4701

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/9894
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

: ten onrechte toegangsweigering Schengengebied, rechtmatig verblijf in Nederland, zelf voorzien

Wetsartikelen: 5 lid 4 Schengengrenscode

Het is juist dat eiser het verblijfsrecht in Nederland heeft ontleend aan het gemeenschapsrecht op grond van zijn Britse paspoort en het is eveneens juist, zoals verweerder heeft gesteld, dat het aan eiser hier te lande verstrekte verblijfsdocument slechts van declaratoire aard is. Anders dan verweerder heeft betoogd, vervalt dit verblijfsrecht echter niet van rechtswege. Dat volgt niet uit het systeem van de Vw en evenmin uit het door verweerder gevoerde beleid: een vreemdeling die verblijfsrecht heeft ontleend aan het gemeenschapsrecht wordt geacht als gemeenschapsonderdaan rechtmatig hier te lande te verblijven in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw, zolang en indien onderzoek niet heeft uitgewezen dat zulks niet het geval is. Een dergelijk onderzoek is uitsluitend toegestaan indien er redelijke twijfel bestaat of aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. In het geval dat op basis van dat onderzoek is vastgesteld dat niet langer aan de relevante voorwaarden voor verblijf is voldaan, kan het verblijf van de vreemdeling per beschikking worden beëindigd. Van een automatisch beëindiging van het verblijf kan daarbij geen sprake zijn.

Omdat bij een nieuw te nemen beslissing op het administratief beroep van eiser, waarbij de rechtmatigheid van diens toegangsweigering – beoordeling of ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost de juiste beslissing is genomen – rechtens nog slechts één beslissing mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te voorzien. Nu het verblijfsrecht van eiser in Nederland ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost niet was vervallen en eiser ten tijde van die controle aan de grensdoorlaatpost evenmin op de nationale signaleringslijst stond vermeld, had de ambtenaar belast met de grensbewaking, gelet op het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode, eiser de toegang tot Nederland niet mogen weigeren. Het administratief beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het besluit van de ambtenaar belast met de grensbewaking en bepaalt dat eiser alsnog toegang wordt verleend tot Nederland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 10/9894

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1972], van gestelde Britse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. H.K. Jap-A-Joe, advocaat te Utrecht,

en

de Minister van Justitie, thans de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

gemachtigde: mr. W. Vrooman.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 18 februari 2010 heeft verweerder het administratief beroep van eiser tegen het besluit van de ambtenaar belast met de grensbewaking van 18 september 2009 kennelijk ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit is eiser op grond van artikel 13 juncto artikel 5 van de Verordening (EG) nr. 562/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot vaststelling van een communautaire code betreffende de overschrijding van de grenzen door personen (hierna: “de Schengengrenscode”) de toegang tot Nederland geweigerd. Eiser heeft tegen het besluit van 18 februari 2010 (hierna: “het bestreden besluit”) beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 16 september 2010, waar eiser niet in persoon is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Aan eiser is op basis van zijn Britse paspoort met ingang van 27 augustus 2008 een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’ verleend. Zijn echtgenote en zoon beschikken eveneens over een document ‘duurzaam verblijf burgers van de Unie’.

2.2 Op 16 september 2009 is eiser via Schiphol naar Londen gereisd. Bij aankomst op Heathrow Airport is hem de toegang tot het Verenigd Koninkrijk geweigerd omdat de Britse autoriteiten constateerden dat zijn Britse paspoort op frauduleuze wijze was verkregen en dat er reden was aan te nemen dat eiser geen Brits staatsburger is. De Britse autoriteiten hebben dit paspoort ingenomen en eiser teruggestuurd naar Nederland. Op 17 september 2009 is eiser op de luchthaven Schiphol gearriveerd zonder in het bezit te zijn van enig geldig reisdocument, dan wel documenten die recht geven op grensoverschrijding. Eiser is bij aankomst op Schiphol de toegang tot het Schengengebied geweigerd op grond van artikel 13 juncto artikel 5 van de Schengengrenscode en aan hem is een vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 6 van de Vw opgelegd.

2.3 Uit het door de ambtenaar belast met de grenscontrole op 18 september 2009 ambtsedig opgemaakte proces-verbaal blijkt dat, na raadpleging, is geconstateerd dat eiser niet voorkwam in het opsporingsregister en het Nationaal Schengen Informatie Systeem.

2.4 Bij uitspraak van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 9 oktober 2009 (AWB 09/34522) heeft de voorzieningenrechter het verzoek van eiser in zoverre toegewezen dat verweerder hem gedurende de behandeling van het administratief beroep toegang tot Nederland verschaft. De voorzieningenrechter stelt vast dat in de toegangsweigering van de Home Office UK Border Agency van 17 september 2009 is vermeld dat het Britse paspoort van eiser frauduleus is verkregen en dat er reden is om aan te nemen dat eiser geen Brits staatsburger is. Gelet op dit document gaat de voorzieningenrechter er voor de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening vanuit dat eiser niet meer beschikt over de Britse nationaliteit. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is echter het rechtmatig verblijf van eiser hier te lande op het moment van binnenkomst op 17 september 2009 (nog) niet vervallen omdat de verblijfsvergunning nog niet is ingetrokken. Daarbij overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder niet heeft onderbouwd dat het rechtmatig verblijf in een dergelijke situatie van rechtswege vervalt en dat dit naar zijn oordeel ook niet volgt uit het systeem van de Vw. De voorzieningenrechter is van oordeel dat eiser niet de toegang kon worden geweigerd wegens het ontbreken van een geldig reisdocument. Daarvoor vindt hij steun in artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode waarin is bepaald dat de onderdaan van een derde land, ondanks het ontbreken van een geldig reisdocument, toegang moet worden verleend teneinde door te kunnen reizen naar het grondgebied van de lidstaat die hem de verblijfstitel heeft verstrekt. Indien eiser via de buitengrens van een ander Schengengrensland wel toegang tot het Schengengebied en vervolgens Nederland had kunnen verkrijgen, vermag de voorlopige voorzieningenrechter niet in te zien dat eiser zulks niet ook rechtstreeks zou kunnen bewerkstelligen.

2.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het volgende standpunt gesteld. Eiser is terecht de toegang geweigerd omdat hij bij binnenkomst niet beschikte over enig grensoverschrijdend document. Nu is komen vast te staan dat eiser op frauduleuze wijze zijn Britse nationaliteit heeft verkregen en eiser bij de aanvraag van zijn verblijfsvergunning met zijn Britse paspoort zijn nationaliteit heeft aangetoond, moet worden geconcludeerd dat eiser op frauduleuze gronden zijn verblijfsrecht in Nederland heeft verkregen. Volgens verweerder kan worden gesteld dat eiser nimmer de Britse nationaliteit heeft gehad en als gevolg daarvan evenmin rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van de Vw. Bij besluit van 31 december 2009 is het document van eiser waaruit rechtmatig verblijfsrecht blijkt dan ook met terugwerkende kracht ingetrokken. Volgens verweerder heeft de voorzieningenrechter miskent dat het hier gaat om een declaratoir verblijfsrecht van eiser. Volgens verweerder is artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode daarom niet op eiser van toepassing. Ook de uitleg die de voorzieningenrechter aan deze bepaling geeft, bestrijdt verweerder.

2.6 Eiser heeft aangevoerd dat hem ten onrechte de toegang tot Nederland is geweigerd omdat hij verblijfsrecht had in Nederland. Dit verblijfsrecht is pas nadien, bij besluit van 31 december 2009, ingetrokken. Eiser betwist verder dat hij zijn Britse nationaliteit op frauduleuze wijze zou hebben verkregen en stelt dat hij niet beter weet dan dat hij Brits onderdaan is. Verder acht eiser het weigeren van toegang na een jarenlang verblijf in Nederland, samen met zijn gezin, niet redelijk en niet zorgvuldig en in strijd met artikel 8 van het EVRM. Ten slotte heeft eiser aangevoerd dat hij ten onrechte niet op zijn adminstratief beroep is gehoord en het bestreden besluit om die reden onzorgvuldig tot stand is gekomen.

2.7 De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 In gevolge artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode gelden, voor zover hier van belang, voor onderdanen van derde landen de volgende toegangsvoorwaarden voor een verblijf van ten hoogste drie maanden per periode van zes maanden:

a) in het bezit zijn van één of meer geldige reisdocumenten of documenten die recht geven op grensoverschrijding;

[…].

2.9 Ingevolge artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de Schengengrenscode, voor zover hier van belang, wordt in afwijking van het eerste lid onderdanen van derde landen die niet aan alle in lid 1 bedoelde voorwaarden voor binnenkomst voldoen maar houder zijn van een door een lidstaat afgegeven verblijfstitel of terugkeervisum, dan wel, indien dit vereist is, van deze beide documenten, toegang met het oog op doorreis tot het grondgebied van de overige lidstaten verleend, zodat zij het grondgebied van de lidstaat kunnen bereiken die hun de verblijfstitel of het terugkeervisum heeft verstrekt, tenzij zij op de nationale signaleringslijst staan van de lidstaat waarvan zij de buitengrenzen willen overschrijden, met vermelding van de te nemen maatregelen die de binnenkomst of doorreis verhinderen.

2.10 Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode wordt, voor zover hier van belang, indien een onderdaan van een derde land niet aan alle in artikel 5, eerste lid, vermelde toegangsvoorwaarden voldoet, en niet tot de in artikel 5, vierde lid, genoemde categorieën personen behoort, hem de toegang tot het grondgebied van de lidstaten geweigerd. Dit laat de toepassing van de bijzondere bepalingen inzake asielrecht en internationale bescherming of inzake afgifte van een visum voor een verblijf van langere duur onverlet. In het derde lid van artikel 13 van Schengengrenscode hebben personen die de toegang wordt geweigerd het recht daartegen beroep in te stellen. Het beroep wordt ingesteld overeenkomstig de nationale wetgeving. De onderdaan van en derde land ontvangt tevens schriftelijke informatie over contacpunten die informatie kunnen verschaffen over wettelijke vertegenwoordigers die namens de betrokkene in overeenstemming met de nationale wetgeving kunnen optreden. Het instellen van beroep schort de beslissing tot weigering van de toegang niet op. Indien de beroepsprocedure tot de conclusie leidt dat de beslissing tot weigering van toegang ongegrond was, heeft de betrokken onderdaan van een derde land, onverminderd een eventuele naar nationaal recht toegekende schadeloosstelling, recht op herstel van de geannuleerde inreisstempel, en op schrapping van andere annuleringen of toevoegingen, door de lidstaat die de toegang heeft geweigerd.

2.11 Artikel 8, aanhef en onder b, van de Vw bepaalt dat de vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf heeft op grond een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vw.

2.12 Ingevolge artikel 77, eerste lid, van de Vw kan tegen een ter uitvoering van deze wet genomen beschikking die niet door of namens onze minister is genomen, met uitzondering van een beschikking als bedoeld in artikel 72, tweede lid, van de Vw, bij onze minister administratief beroep worden ingesteld. Artikel 10:3, tweede lid, onder c, van de Awb is niet van toepassing.

2.13 De Schengengrenscode is verbindend in al haar onderdelen en rechtstreeks van toepassing in alle EU-lidstaten die het Schengengebied behoren, alsmede IJsland en Noorwegen. Zoals blijkt uit de hoofdstukken I en II van de Schengengrenscode moet de controle bij overschrijding van de buitengrenzen zo worden ingericht dat een vreemdeling bij een grensdoorlaatpost tegenover een grenswachter met de nodige bewijsmiddelen moet aantonen dat hij voldoet aan alle voorwaarden voor toegang tot het grondgebied van de lidstaten. Indien hij op dat moment niet kan aantonen dat aan alle toegangsvoorwaarden is voldaan, dient ingevolge van artikel 13, eerste lid, van de Schengengrenscode de toegang te worden geweigerd, tenzij sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 5, vierde lid, van deze code. De aard van de aldus ingerichte controle bij overschrijding van de buitengrenzen brengt met zich dat in administratief beroep ter beoordeling staat of ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost, in het licht de bepalingen van de Schengengrenscode, de juiste beslissing is genomen (zie ook: uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 december 2009, LJN: BK8648).

2.14 De rechtbank stelt vast dat in de toegangsweigering van de Home Office UK Border Agency van 17 september 2009, nummer TN4/2897694, is vermeld dat het Britse paspoort van eiser op frauduleuze wijze is verkregen en dat er reden is om aan te nemen dat eiser geen Brits staatsburger is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ambtenaar belast met de grensbewaking, gelet op dit document dat eiser bij aankomst op Schiphol op 17 september 2009 heeft getoond, ervan uit mogen gaan dat eiser ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost niet meer beschikte over de Britse nationaliteit. Dat eiser in het Verenigd Koninkrijk een procedure is gestart tegen de intrekking van zijn Britse nationaliteit is voor de beoordeling van het thans aanhangige geschil niet relevant. Het gaat hier immers om de vraag of eiser op grond van de documenten waarover hij bij binnenkomst de op 17 september 2009 beschikte al dan niet terecht de toegang tot Nederland is geweigerd. De uitkomst van de procedure in het Verenigd Koninkrijk kan wel betekenis hebben voor de beoordeling van de vraag of verweerder bij besluit van 31 december 2009 het document van eiser waaruit rechtmatig verblijfsrecht in Nederland blijkt terecht met terugwerkende kracht heeft ingetrokken, maar het beroep dat eiser tegen het besluit van 31 december 2009 heeft ingesteld valt buiten de beoordeling van het thans aanhangige geschil. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de ambtenaar belast met de grensbewaking eiser, gelet op het vorenstaande, terecht aangemerkt als onderdaan van een derde land als bedoeld in de Schengengrenscode.

2.15 Omdat de Britse autoriteiten het paspoort van eiser op 16 september 2009 hadden ingenomen, voldeed eiser ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost niet aan de in artikel 5, eerste lid, van de Schengengrenscode gestelde toegangsvoorwaarde dat de onderdaan van een derde land in het bezit moet zijn van een geldig reisdocument. Wel kon eiser aantonen dat hem lang verblijf in Nederland was toegestaan.

2.16 Het geschil spitst zich in de eerste plaats toe op de vraag of eiser ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost beschikte over verblijfsrecht in Nederland. Het standpunt van verweerder dat dit verblijfsrecht op dat moment reeds was vervallen, deelt de rechtbank niet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

2.17 Het is juist dat eiser het verblijfsrecht in Nederland heeft ontleend aan het gemeenschapsrecht op grond van zijn Britse paspoort en het is eveneens juist, zoals verweerder heeft gesteld, dat het aan eiser hier te lande verstrekte verblijfsdocument slechts van declaratoire aard is. Anders dan verweerder heeft betoogd, vervalt dit verblijfsrecht echter niet van rechtswege. Dat volgt niet uit het systeem van de Vw en evenmin uit het door verweerder gevoerde beleid. Ingevolge dit beleid, neergelegd in Hoofdstuk B10/1.7 van de Vreemdelingencirculaire (hierna: “Vc”) wordt immers een vreemdeling die verblijfsrecht heeft ontleend aan het gemeenschapsrecht geacht als gemeenschapsonderdaan rechtmatig hier te lande te verblijven in de zin van artikel 8, aanhef en onder e, van de Vw, zolang en indien onderzoek niet heeft uitgewezen dat zulks niet het geval is. Een dergelijk onderzoek is uitsluitend toegestaan indien er redelijke twijfel bestaat of aan de voorwaarden voor verblijf is voldaan. In het geval dat op basis van dat onderzoek is vastgesteld dat niet langer aan de relevante voorwaarden voor verblijf is voldaan, kan het verblijf van de vreemdeling per beschikking worden beëindigd. Van een automatisch beëindiging van het verblijf kan daarbij, zo blijkt uit de Vc, geen sprake zijn. Hieruit volgt dat het rechtmatig verblijf van eiser hier te lande niet was vervallen ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost op 17 september 2009.

2.18 Het geschil spitst zich vervolgens toe op de vraag of de ambtenaar belast met de grensbewaking eiser, die kon aantonen dat hij over verblijfsrecht in Nederland beschikte, terecht de toegang heeft geweigerd.

2.19 De rechtbank is, gelijk de voorzieningenrechter, van oordeel dat uit doel en strekking van de Schengengrenscode niet volgt dat in de situatie dat een onderdaan uit een derde land beschikt over verblijfsrecht in een lidstaat, de toegang moet worden geweigerd indien deze onderdaan bij het passeren van de grens niet beschikt over een reisdocument. Voor deze uitleg is steun te vinden in artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode. Hierin is immers bepaald dat de onderdaan van een derde land, ondanks het ontbreken van een geldig reisdocument, toegang moet worden verleend teneinde door te kunnen reizen nar het grondgebied van de lidstaat die hem de verblijfstitel heeft verstrekt. Indien eiser aldus via de buitengrens van een ander Schengengrensland wel toegang tot het Schengengebied en vervolgens tot Nederland had kunnen verkrijgen, vermag de rechtbank niet in te zien dat eiser zulks niet ook rechtstreeks zou kunnen verkrijgen. De stelling van verweerder dat dit een onjuiste uitleg is van artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode, is niet onderbouwd.

2.20 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ambtenaar belast met de grensbewaking eiser op 17 september 2009 ten onrechte de toegang tot Nederland heeft geweigerd vanwege het ontbreken van een geldig reisdocument. De toegangsweigering was onrechtmatig omdat deze is genomen in strijd met artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode. Het bestreden besluit, waarbij de toegangsweigering door verweerder als rechtens juist is beoordeeld komt, gelet hierop, voor vernietiging in aanmerking. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

2.21 Omdat bij een nieuw te nemen beslissing op het administratief beroep van eiser, waarbij de rechtmatigheid van diens toegangsweigering gelet op het toetsingskader zoals dat is uiteen gezet in 2.13 van deze uitspraak – beoordeling of ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost de juiste beslissing is genomen – rechtens nog slechts één beslissing mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding zelf in de zaak te zien.

2.22 Nu het verblijfsrecht van eiser in Nederland ten tijde van de controle aan de grensdoorlaatpost niet was vervallen (zie 2.17) en eiser ten tijde van die controle aan de grensdoorlaatpost evenmin op de nationale signaleringslijst stond vermeld (zie 2.3), had de ambtenaar belast met de grensbewaking, gelet op het bepaalde in artikel 5, vierde lid, van de Schengengrenscode, eiser de toegang tot Nederland niet mogen weigeren.

2.23 Gelet hierop, verklaart de rechtbank het administratief beroep van eiser gegrond, vernietigt de rechtbank het besluit van de ambtenaar belast met de grensbewaking van 18 september 2009 en bepaalt de rechtbank dat eiser alsnog toegang wordt verleend tot Nederland.

2.24 Het geschil is hiermee finaal beslist. Daarmee staat er geen adminstratief beroep meer open waarop nog te beslissen valt.

2.25 De rechtbank ziet aanleiding te bepalen dat verweerder aan eiser het betaalde griffierecht vergoedt.

2.26 De rechtbank ziet verder aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874- (1 punt voor het beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-). Omdat eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand, moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten aan de griffier van de rechtbank betalen.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van verweerder van 18 februari 2010;

vernietigt het besluit van de ambtenaar belast met de grensbewaking van 18 september 2009;

bepaalt dat eiser alsnog toegang wordt verleend tot Nederland;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 februari 2010;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 150,- vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 874,-, te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schukking, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2010.

De griffier: De rechter:

mr. R.D.A van Veghel mr. J. Schukking

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.