Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4695

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
23-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/30900
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek vergoeding materiële en immateriële schade ivm duur asielprocedure / afwijzing verzoek / niet voldaan aan relativiteitsvereiste / geen overschrijding redelijke termijn

Het recht op inkomen, waaronder voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen ontstaat volgens de Afdeling pas na een beoordeling op grond van de wetten en overige regels waarin is bepaald wie en onder welke voorwaarden – waaronder rechtmatig verblijf – daarop aanspraak kan maken. Deze lijn is inmiddels vaste jurisprudentie Ondanks de duur van de asielprocedure en de omstandigheid dat hij in vreemdelingenbewaring heeft verkeerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich, wat betreft eisers verzoek om materiële schadevergoeding, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan.

Een geschil in een zaak als deze ontstaat als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld, omdat eerst dan sprake is van een in een besluit vastgelegd standpunt waartegen de vreemdeling kan opkomen. De rechtbank wijst er in dit verband nog op het systeem van rechtsbescherming zodanig is ingericht dat de vreemdeling na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn de mogelijkheid heeft om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag en daarmee een handvat heeft om het moment van aanvang van de redelijke termijn te bespoedigen. Dit betekent dat in asielzaken de redelijke termijn aanvangt op het moment waarop door de vreemdeling beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag. Een behandelingsduur van ten hoogste vier jaar, waarvan twee jaar voor de behandeling van het beroep wordt in beginsel redelijk geacht.

In de onderhavige zaak heeft eiser op 24 september 2004 beroep ingesteld, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Dit beroep, zo blijkt uit de aanvullende gronden bij het beroepschrift van 31 januari 2005, moet geacht worden mede te zijn gericht tegen het (reële) besluit van verweerder van 30 december 2004. Het geschil is beëindigd met inwilliging van eisers asielaanvraag op 10 april 2006. Tussen deze tijdstippen is een periode van 1 jaar, 6 maanden en 17 dagen verstreken. De rechtbank stelt vast dat in dit geval geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 09/30900

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1976], eiser,

gemachtigde: mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht,

en

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

gemachtigde: mr. F.S. van der Lubbe.

Inleiding

1.1 Bij besluit van 22 juli 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen zijn besluit van 26 maart 2009 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit heeft verweerder het verzoek van eiser van 30 januari 2008 om schadevergoeding afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit van 22 juli 2009 (hierna: “het bestreden besluit”) beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 19 oktober 2010, waar eiser is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Aan de orde is de vraag of verweerder het verzoek van eiser tot vergoeding van materiële en immateriële schade, welke schade eiser stelt te hebben geleden als gevolg van de duur van zijn asielprocedure, terecht heeft afgewezen.

2.2 Bij de beoordeling hiervan gaat de rechtbank uit van de volgende, door partijen niet betwiste, feiten. Eiser, afkomstig uit Turkije, heeft op 15 januari 2002 een aanvraag ingediend voor het verlenen van een vergunning tot verblijf asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft op 24 september 2004 beroep ingesteld bij deze rechtbank tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Op 8 oktober 2004 heeft verweerder zijn voornemen afwijzend op de aanvraag te beslissen aan eiser kenbaar gemaakt. Op 5 november 2004 heeft eiser een zienswijze ingediend. Bij besluit van 30 december 2004 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen. Eiser heeft op 21 januari 2005 aanvullende gronden ingediend bij zijn beroep van 24 september 2004 en hij heeft de rechtbank bericht dat, nu verweerder blijkens het besluit van 30 december 2004 niet aan zijn aanvraag tegemoet is gekomen, het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht moet worden mede te zijn gericht tegen de beslissing op de aanvraag van 30 december 2004. Bij brief van 4 februari 2005, gericht aan de rechtbank, heeft eiser deze procedurele gang van zaken bevestigd en hij heeft het per abuis opnieuw ingestelde beroep tegen het besluit van 30 december 2004 ingetrokken. Bij uitspraak van 1 december 2005 van deze rechtbank is het beroep van eiser gegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 maart 2006 van deze rechtbank is het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit op de aanvraag, gegrond verklaard. Bij beschikking van 10 april 2006 is de aanvraag van eiser alsnog door verweerder ingewilligd. Aan eiser is een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (hierna: “Vw”) verleend, met een geldigheidsduur van 15 januari 2002 tot 15 januari 2005. Tevens is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, geldig vanaf 15 januari 2005.

Op 30 januari 2008 heeft eiser het onderhavige verzoek tot schadevergoeding ingediend.

2.3 Verweerder heeft aan de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding het volgende ten grondslag gelegd. Eiser komt niet in aanmerking voor vergoeding van materiële schade omdat niet is voldaan aan het zogenoemde ‘relativiteitsvereiste’. In dat verband heeft verweerder aangevoerd dat de regels van de Vw tot doel hebben om vreemdelingen in bepaalde gevallen bestendig verblijf in Nederland te verlenen, maar er niet toe strekken hun vermogensrechtelijke positie te beschermen. Verweerder heeft ter ondersteuning van zijn standpunt verwezen naar rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: “de Afdeling”). Het verzoek om vergoeding van immateriële schade heeft verweerder afgewezen omdat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. In dat verband heeft verweerder erop gewezen dat er tussen het instellen van beroep, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op eisers aanvraag en de inwilliging van die aanvraag een periode van 1 jaar en zeven maanden is verstreken, hetgeen minder is dan de twee jaren die, zoals blijkt uit rechtspraak van de Afdeling, redelijk wordt geacht.

2.4 Eiser heeft aangevoerd dat verweerder de wettelijke en daarmee de redelijke termijn heeft overschreden en dat hij als gevolg hiervan materiële- en immateriële schade heeft geleden. Eiser heeft erop gewezen dat hij ruim vijf maanden in vreemdelingbewaring heeft gezeten en dat verweerder hem aanvankelijk 1F van het Vluchtelingenverdrag wilde tegen werpen. Dat is uiteindelijk niet doorgegaan, na vier en een half jaar is de verblijfsvergunning uiteindelijk toch verleend. Eiser stelt zich op het standpunt dat indien de vergunning eerder was verleend, hij eerder had kunnen gaan werken en dat hem veel psychisch leed bespaard was gebleven. Ter ondersteuning van zijn standpunt dat de redelijke termijn is overschreden heeft eiser gewezen op rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: “het EHRM”) ter zake overschrijding van de redelijke termijn. De materiële schade bestaat uit gederfde inkomsten, pensioenschade, compensatie voor het niet in aanmerking komen voor eigen woning, compensatie voor geleden ongemakken tijdens verblijf in AZC, en kosten rechtsbijstand. Verder claimt eiser € 6.000 voor geleden immateriële schade.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de materiële schade:

2.6 Voor de beantwoording van de vraag of verweerder gehouden is tot schadevergoeding in verband met het gestelde onrechtmatig handelen dient aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke aansprakelijkheids- en schadevergoedingsrecht. Voor aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is vereist dat een daad van de overheid te kwalificeren is als onrechtmatig en deze de overheid is toe te rekenen. Voorts moet er sprake zijn van schade en moet er (voldoende) causaal verband bestaan tussen de schadeveroorzakende gebeurtenis en de geleden schade. Tot slot dient de geschonden norm ertoe te strekken het belang van de benadeelde te beschermen (relativiteitsvereiste).

2.7 In haar uitspraak van 20 juni 2007 (LJN: BA7572) heeft de Afdeling in een procedure tot verlening van een verblijfsvergunning overwogen dat de regels uit de Vw op grond waarvan recht bestond op een verblijfsvergunning, die uiteindelijk ook is verleend, tot doel hebben een recht op bestendig verblijf in Nederland te verlenen en niet strekken tot bescherming van vermogensrechtelijke belangen. De Afdeling heeft voorts overwogen dat als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, de aanvrager toegang tot de rechter heeft om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van vermogensrechtelijke schade. De Afdeling heeft hiermee het arrest van de Hoge Raad van 13 april 2007 (LJN: AZ8751) gevolgd. Het recht op inkomen, waaronder voorzieningen, verstrekkingen en uitkeringen ontstaat volgens de Afdeling pas na een beoordeling op grond van de wetten en overige regels waarin is bepaald wie en onder welke voorwaarden – waaronder de voorwaarde van rechtmatig verblijf – daarop aanspraak kan maken. Deze lijn is inmiddels vaste jurisprudentie geworden (zie onder meer recent de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2010, LJN: BM0213).

2.8 De rechtbank realiseert zich terdege dat eiser de asielprocedure, gelet op de duur daarvan en de omstandigheid dat hij in vreemdelingenbewaring heeft verkeerd, als bijzonder zwaar heeft ervaren. Ook toont de rechtbank begrip voor het gevoel van eiser dat hem mogelijkheden, waaronder werk vanaf een eerdere datum, zijn ontnomen. Desalniettemin is de rechtbank, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat verweerder zich, wat betreft eisers verzoek om materiële schadevergoeding, op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet aan het relativiteitsvereiste is voldaan en dat eisers verzoek om materiële schadevergoeding reeds hierom niet voor inwilliging in aanmerking komt.

2.9 Het bestreden besluit kan in zoverre de rechterlijke toets doorstaan.

Ten aanzien van de immateriële schade:

2.10 Met betrekking tot de vraag of verweerder het verzoek van eiser tot vergoeding van immateriële schade, welke schade eiser stelt te hebben geleden als gevolg van de duur van zijn asielprocedure, terecht heeft afgewezen, overweegt de rechtbank als volgt.

2.11 Uit vaste rechtspraak van het EHRM – onder meer de beslissing van 5 oktober 2000, Maaouia v. Frankrijk, appl. nr. 39652/98, (LJN: AD4680) – volgt dat procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen buiten het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: “het EVRM”) vallen. Aangezien het onderhavige geschil betrekking heeft op een verzoek om schadevergoeding in verband met een verblijfsrechtelijke procedure, kan het verzoek tot vergoeding van immateriële schade niet (rechtstreeks) op deze verdragsbepaling worden gebaseerd.

2.12 De rechtszekerheid als algemeen aanvaard rechtsbeginsel dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, geldt echter, zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling – onder meer uitspraak van 3 december 2008 (LJN: BG5913) – evenzeer binnen de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling en deze noopt ertoe dat een aanvraag om een verblijfsvergunning en het daaruit voortvloeiende geschil binnen een redelijke termijn, in voorkomend geval na behandeling door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht, tot finale vaststelling leidt.

2.13 Omdat het redelijke termijn vereiste als neergelegd in artikel 6 van het EVRM mede op het rechtszekerheidsbeginsel berust, wordt voor de invulling daarvan aansluiting gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM over de uitleg van deze verdragsbepaling.

2.14 Uit deze jurisprudentie – onder meer de uitspraak van 29 maart 2006, Pizzati v. Italië, appl. nr. 62361/00, (LJN: AX7382) – volgt dat bij overschrijding van de redelijke termijn, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade wordt verondersteld. Uit deze jurisprudentie van het EHRM volgt verder dat de vraag of de redelijke termijn is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eiser gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eiser.

2.15 De Afdeling heeft zoals blijkt uit haar rechtspraak gekozen voor een benadering met in beginsel gefixeerde termijnen. De Afdeling heeft overwogen dat, in zaken die bestaan uit een bezwaarschriftprocedure en twee rechterlijke instanties, in beginsel een totale lengte van de procedure van ten hoogste vijf jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste één jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, waarbij de in voorgaande rechtsoverweging vermelde criteria uit de jurisprudentie van het EHRM onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze termijnen gerechtvaardigd te achten. Deze termijn en de daarbinnen gehanteerde verdeling, is ook van toepassing geacht in procedures over een reguliere verblijfsvergunning, zoals blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 5 augustus 2009 (LJN: BJ4607).

2.16 Omdat in asielzaken de bezwaarschriftenprocedure, ingevolge artikel 80 van de Vw, is uitgesloten kunnen, zoals ook de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 7 april 2010, LJN: BM0214, de hiervoor vermelde, in de rechtspraak ontwikkelde termijnen, niet één op één worden overgenomen. Ter vervanging van de bezwaarschriftprocedure is in asielzaken een voornemenprocedure gekomen. Verweerder dient alvorens een aanvraag af te wijzen, de vreemdeling van het voornemen daartoe en de gronden daarvoor op de hoogte te stellen, zodat deze daarop kan reageren met een zienswijze. Het voornemen heeft geen rechtsgevolg en is derhalve niet aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb, maar vormt een onderdeel van de procedure die voorafgaat aan de totstandkoming van het besluit op de aanvraag. Een geschil in een zaak als deze ontstaat als afwijzend op een aanvraag wordt beslist en daartegen beroep wordt ingesteld, omdat eerst dan sprake is van een in een besluit vastgelegd standpunt waartegen de vreemdeling kan opkomen. De rechtbank wijst er in dit verband nog op het systeem van rechtsbescherming zodanig is ingericht dat de vreemdeling na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn de mogelijkheid heeft om beroep in te stellen tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag en daarmee een handvat heeft om het moment van aanvang van de redelijke termijn te bespoedigen.

2.17 Het vorenstaande betekent dat in asielzaken de redelijke termijn aanvangt op het moment waarop door de vreemdeling beroep is ingesteld tegen de afwijzing van de aanvraag. Een behandelingsduur van ten hoogste vier jaar wordt in beginsel redelijk geacht. Daarbij mag de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar en de behandeling van het hoger beroep eveneens ten hoogste twee jaar duren (LJN: BM0214).

2.18 In de onderhavige zaak heeft eiser op 24 september 2004 beroep ingesteld, gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag. Dit beroep, zo blijkt uit de aanvullende gronden bij het beroepschrift van 31 januari 2005, moet geacht worden mede te zijn gericht tegen het (reële) besluit van verweerder van 30 december 2004. Het geschil is beëindigd met inwilliging van eisers asielaanvraag op 10 april 2006. Tussen deze tijdstippen is een periode van 1 jaar, 6 maanden en 17 dagen verstreken.

2.19 De rechtbank stelt vast dat in dit geval, gelet op hetgeen onder 2.17 en 2.18 is overwogen, geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.

2.20 Het beroep is ongegrond.

2.21 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J. Schukking, als voorzitter, en mr. H. Gorter en mr. K.J. Veenstra, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 18 november 2010.

De griffier: De voorzitter:

V. Liemburg mr. J. Schukking

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.