Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4669

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
377888 - KG ZA 10-1274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Onrechtmatige Overheidsdaad. Artikel 60c Advocatenwet. De deken heeft de Raad van Discipline verzocht om een onderzoek als bedoeld in artikel 60c lid 1 Advocatenwet in stellen tegen een advocaat. De betreffende advocaat vordert een verbod aan de Raad van Discipline op te leggen om besloten zittingen te houden. Artikel 60c lid 3 Advocatenwet bepaalt dat de behandeling van het verzoek ex artikel 60c lid 1 Advocatenwet ter zitting met gesloten deuren geschiedt, tenzij de betrokken advocaat behandeling in een openbare zitting wenst. Op verzoek van de betreffende advocaat zal de behandeling echter in een openbare zitting moeten plaatsvinden, tenzij er gewichtige redenen zijn om de deuren te sluiten (zie ook artikel 49 lid 11 Advocatenwet). Als er voorafgaand aan de zitting een verzoek ex artikel 60c lid 3 Advocatenwet is gedaan waarop buiten de zitting nog geen beslissing is genomen, dan dient de behandeling van de zitting bij aanvang met gesloten deuren plaats te vinden.De advocaat kan dan ter zitting zijn verzoek tot openbare behandeling toelichten, waarna de voorzitter van de Raad van Discipline, gehoord ook de deken, een beslissing neemt op het verzoek van de advocaat. Een dergelijke gang van zaken staat niet in de weg aan een ''fair trial'' en is daarom niet in strijd met artikel 6 EVRM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 377888 / KG ZA 10-1274

Vonnis in kort geding van 22 november 2010

in de zaak van

[eiser], handelend onder de naam [Y.],

wonende en zaakdoende te [woon- en vestigingsplaats],

eiser,

advocaat mr. [naam van eiser] te [vestigingsplaats],

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie, thans Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. W. Heemskerk te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 8 november 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [Eiser] is advocaat te [vestigingsplaats].

1.2. Bij brief van 12 juli 2010 heeft de deken van de Amsterdamse Orde van Advocaten de voorzitter van de Raad van Discipline Amsterdam (hierna: de Raad) verzocht om een onderzoek als bedoeld in artikel 60c lid 1 Advocatenwet in te stellen naar de toestand waarin de advocatenpraktijk van [eiser] zich bevindt.

1.3. Bij brief van 13 juli 2010 zijn [eiser] en de deken door de griffier van de Raad opgeroepen voor een mondelinge behandeling van het verzoek tegen de zitting van 22 juli 2010.

1.4. Bij brief van 20 juli 2010 heeft [eiser] onder meer om een openbare behandeling verzocht.

1.5. Op 22 juli 2010 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek ex artikel 60c Advocatenwet plaatsgevonden. De voorzitter van de Raad, mr. D.J. Markx, heeft het verzoek van [eiser] om behandeling in een openbare zitting toegewezen. [eiser] heeft voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van het verzoek een verzoek tot wraking van mr. Markx ingediend. Gelet op dit wrakingsverzoek heeft mr. Markx de behandeling van het verzoek van de deken geschorst.

1.6. Het wrakingsverzoek van 22 juli 2010 is behandeld door de wrakingskamer van de Raad ter zitting van 16 augustus 2010. Voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling heeft [eiser] laten weten ook de wrakingskamer te wraken. De behandeling is vervolgens geschorst.

1.7. Op 22 september 2010 is de behandeling van het verzoek tot wraking van de wrakingskamer van de Raad behandeld. Bij beslissing van 24 september 2010 is dit wrakingsverzoek van [eiser] afgewezen, waarbij tevens is bepaald dat een volgend verzoek tot wraking van [eiser] niet in behandeling zal worden genomen.

1.8. Het verzoek tot wraking van mr. Markx is ter zitting van de wrakingskamer van de Raad van 28 september 2010 behandeld. Bij beslissing van 6 oktober 2010 heeft de wrakingskamer van de Raad dit wrakingsverzoek afgewezen.

1.9. Bij faxbrief van 11 oktober 2010 heeft [eiser] de Raad, voor zover relevant, bericht:

"(...)

Het zal u niet verbazen dat ik nimmer akkoord zal gaan met sloten deuren op de zitting van morgen. Ik maak aanspraak op volledige openbaarheid van de zitting, alles behoort controleerbaar te zijn enz. (...)

DUS NOOIT AKKOORD MET GESLOTEN DEUREN. zie art. 60c lid 3 Advocatenwet en/of art. 6 EVRM. Wil daar morgen ook geen enkele discussie over hebben. Gewoon openbaar, met de billen bloot.

(...)"

1.10. Op 12 oktober 2010 heeft de voortzetting van de behandeling van het verzoek ex artikel 60c Advocatenwet plaatsgevonden. Voorafgaand aan de behandeling heeft de bode aan de Raad meegedeeld dat [eiser] zich met een groot aantal belangstellenden aan de balie had gemeld. Bij de aanvang van de zitting heeft mr. Markx via de bode verzocht allereerst alleen de deken en [eiser] binnen te laten komen teneinde het verzoek van [eiser] tot openbare behandeling te bespreken. De bode heeft vervolgens aan de Raad meegedeeld dat [eiser] niet wenste te voldoen aan dit verzoek. Hierop heeft de griffier van de Raad [eiser] buiten de zittingszaal nogmaals gevraagd om aan dit verzoek van mr. Markx te voldoen. Zowel de bode als de griffier hebben [eiser] meegedeeld dat indien zou worden besloten tot een openbare zitting, alle belangstellenden tot de zittingszaal zouden worden toegelaten. Daarop heeft [eiser] aan de bode en de griffier te kennen gegeven dat hij zijn verzoek tot openbare behandeling alleen in aanwezigheid van de meegebrachte belangstellenden wilde bespreken en derhalve de zitting niet zou bijwonen. Dit heeft [eiser] ook aan de voorzitter van de Raad laten weten in een handgeschreven verklaring, luidende: "De ondergetekende, [eiser], verklaart dat hij niet akkoord gaat met een besloten zitting. Eis een openbare zitting. Bij gebreke hiervan zal ik niet de zitting bijwonen, alleen, omdat ik de Raad van Discipline voor geen meter vertrouw". De zaak is vervolgens inhoudelijk behandeld ter zitting met gesloten deuren, waarbij de deken is verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal gemaakt.

1.11. Bij faxbrief van 12 oktober 2010 heeft [eiser] opnieuw een verzoek tot wraking van mr. Markx ingediend. Bij brief van 14 oktober 2010 heeft de griffier van de Raad [eiser] bericht dat zijn nieuwe wrakingsverzoek in verband met de beslissing van de wrakingskamer van de Raad van 24 september 2010 niet in behandeling zal worden genomen.

1.12. Op 2 november 2010 heeft mr. Markx het verzoek ex artikel 60c Advocatenwet toegewezen, met benoeming van mr. I.M.C. Verweel-Stokman tot rapporteur.

2. Het geschil

2.1. [Eiser] vordert de Staat op straffe van een dwangsom te verbieden om besloten zittingen te houden, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren.

2.2. Daartoe voert [eiser] - verkort weergegeven - het volgende aan. [eiser] heeft bij faxbericht van 11 oktober 2010 uitdrukkelijk aan mr. Markx te kennen gegeven dat hij een behandeling in een openbare zitting wenste. [eiser] wilde op 12 oktober 2010 met meerdere getuigen en/of derden de zittingszaal in, maar dat werd door mr. Markx niet toegestaan. Uit alle correspondentie welke [eiser] met de Raad heeft gevoerd blijkt dat hij altijd op openbaarheid heeft gestaan en zal blijven staan, juist nu [eiser] vanwege de partijdigheid van en discriminatie door mr. Markx, de Raad en de Orde van Advocaten niet vertrouwt. [eiser] wenst dan ook dat getuigen en/of derden alles kunnen en mogen horen zonder enige restrictie. Aangezien het [eiser] niet werd toegestaan om een openbare zitting te kunnen hebben en hij volstrekt geen vertrouwen had in de gang van zaken, heeft hij samen met getuigen en derden de rechtbank verlaten. [eiser] heeft recht op een openbare behandeling van zijn zaak op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Gelet op het voorgaande heeft hij er belang bij dat het de Raad wordt verboden om besloten zittingen te houden.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Nu [eiser] aan zijn vordering een onrechtmatige daad van een staatsorgaan ten grondslag heeft gelegd, is de burgerlijke rechter bevoegd. Hij is in zijn vordering echter niet-ontvankelijk, voor zover deze ziet op de procedure die heeft geleid tot de beslissing van 2 november 2010, gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in de tuchtrechtspraak voor advocaten. Tegen een beslissing op grond van artikel 60c lid 1 Advocatenwet staat immers op grond van het vierde lid slechts het rechtsmiddel open van verzet bij de Raad.

3.2. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering van [eiser] aldus dat aan de Staat een verbod om besloten zittingen te houden moet worden opgelegd voor zover het diens orgaan de Raad betreft en voor zover [eiser] daarbij is betrokken. Hieruit volgt dat de vordering betrekking heeft op toekomstige zittingen. De Staat heeft in dit verband aangevoerd dat [eiser] geen belang heeft bij de door hem gevorderde voorziening, omdat hij geen dreigend onrechtmatig handelen van de Staat heeft gesteld, laat staan aangetoond. Volgens de Staat heeft [eiser] immers niet aannemelijk kunnen maken dat de (voorzitter van de) Raad niet bereid is artikel 60c lid 3 Advocatenwet in acht te nemen.

3.3. In artikel 60c, lid 3, tweede volzin Advocatenwet is bepaald dat de behandeling van het verzoek ex artikel 60c lid 1 Advocatenwet ter zitting met gesloten deuren geschiedt, tenzij de betrokken advocaat behandeling in een openbare zitting wenst. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter houdt dit artikellid in dat de zittingen als bedoeld in artikel 60c lid 1 Advocatenwet in beginsel niet openbaar zijn. Op verzoek van de betreffende advocaat zal de behandeling echter in een openbare zitting moeten plaatsvinden, tenzij er gewichtige redenen zijn om de deuren te sluiten (zie ook artikel 49 lid 11 Advocatenwet). Een dergelijk verzoek kan voorafgaand aan de zitting of tijdens de zitting worden gedaan. Als er voorafgaand aan de zitting een verzoek is gedaan waarop buiten zitting nog geen beslissing is genomen, dan dient de behandeling ter zitting bij aanvang met gesloten deuren plaats te vinden. De advocaat kan dan ter zitting zijn verzoek tot openbare behandeling toelichten, waarna de voorzitter van de Raad, gehoord ook de deken, een beslissing neemt op het verzoek. Een dergelijke gang van zaken staat niet in de weg aan een "fair trial" en is daarom niet in strijd met artikel 6 EVRM. Voor een algemeen verbod om in het geval van [eiser] zittingen met gesloten deuren te houden, bestaat dan ook geen grond. Het voorgaande brengt mee dat de vordering van [eiser] niet kan worden toegewezen.

3.4. De overige door [eiser] gestelde schendingen van artikel 6 EVRM behoeven geen bespreking meer.

3.5. [Eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.376,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A. Koppen en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2010.

mn