Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4648

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/48300
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Turkse zelfstandige / puntensysteen / bestuurlijke lus

De vreemdeling, die de Turkse nationaliteit heeft, heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’. Die aanvraag is afgewezen onder verwijzing naar het volgens paragraaf B5/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 tot standgekomen advies van de Minister van Economische Zaken, als gebaseerd op het in die paragraaf vermelde puntensysteem.

Bij uitspraken van 29 september 2010 (LJN: BN9181, BN9200 en BN9217) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat – kort gezegd – toepassing van het puntensysteem ten aanzien van Turkse vreemdelingen in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol. De rechtbank verklaart het beroep daarom gegrond.

Voor toepassing van de bestuurlijke lus, zoals door verweerder gevraagd, ziet de rechtank geen aanleiding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Zutphen

Sector Bestuursrecht

Meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/48300

Uitspraak in het geding tussen:

[eiser]

geboren op [1958],

van Turkse nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

eiser,

gemachtigde: mr. B. Anik, advocaat te Arnhem,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel

(voorheen: de Staatssecretaris van Justitie)

verweerder,

gemachtigde: mr. F.W.A. Croonen, werkzaam bij de IND.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2009 heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ afgewezen. Eiser heeft daartegen bij brief van 13 november 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 december 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft daartegen beroep ingesteld. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van 28 oktober 2010, waar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Op 12 september 1963 is een overeenkomst, waarbij een Associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije, gesloten. Op 23 november 1970 hebben de overeenkomstsluitende partijen het Aanvullend Protocol ondertekend, dat vervolgens voor het Europese deel van het Koninkrijk der Nederlanden op 1 januari 1973 in werking is getreden.

Ingevolge artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol voeren de overeenkomstsluitende partijen onderling geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vrijheid van vestiging en het vrij verrichten van diensten.

Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking die verband houdt met het verrichten van arbeid als zelfstandige, worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van de minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

In paragraaf B5/7.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) zijn nadere beleidsregels opgenomen. Volgens dit beleid is een puntensysteem ontwikkeld om toelating van hooggekwalificeerde vreemdelingen die een hoogwaardige kennisbijdrage aan onze economie kunnen leveren in de vorm van zelfstandig ondernemerschap beter mogelijk te maken. Het puntensysteem vormt, aldus het beleid, de basis voor het advies dat de Minister van Economische Zaken aan de Immigratie- en Naturalisatiedienst geeft over de vraag of met de arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands belang wordt gediend.

2.2 Bij uitspraken van 29 september 2010 (LJN: BN9181, BN9200 en BN9217) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) geoordeeld dat

– kort gezegd – toepassing van het puntensysteem ten aanzien van Turkse vreemdelingen in strijd is met artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.

2.3 Niet in geschil is dat het bestreden besluit, dat strekt tot handhaving van de afwijzing van eisers aanvraag onder verwijzing naar het met toepassing van paragraaf B5/7.3 van de Vc 2000 tot stand gekomen advies van de Minister van Economische Zaken, ondeugdelijk is gemotiveerd.

2.4 Met betrekking tot het verzoek van verweerder om in de gelegenheid gesteld te worden het gebrek te herstellen met toepassing van artikel 8:51a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) – de zogenaamde bestuurlijke lus – overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 26 oktober 2010, met het verzoek om toepassing van de bestuurlijke lus, naar voren heeft gebracht dat eiser in de gelegenheid zal worden gesteld binnen twee weken de voor zijn aanvraag relevante gegevens te actualiseren en dat de Minister van Economische Zaken vervolgens zal worden gevraagd opnieuw advies uit te brengen met inachtneming van evenvermelde uitspraken van 29 september 2010 van de Afdeling. Voorts heeft verweerder naar voren gebracht dat hij op basis van dit nieuwe advies er naar zal streven binnen drie maanden na de ontvangst van de door eiser geactualiseerde gegevens zijn standpunt kenbaar te maken.

Voor toepassing van de bestuurlijke lus ziet de rechtbank in deze zaak geen aanleiding. Met verwijzing naar de Memorie van Toelichting bij de Wet van Vermeij, Koopmans, Neppérus bestuurlijke lus Awb (TK 2007-2008, 31 352, nr. 3, pp. 10-11) overweegt de rechtbank dat, gelet op hetgeen verweerder naar voren heeft gebracht bij evenvermelde brief van 26 oktober 2010, niet valt te overzien of herstel van het motiveringsgebrek binnen redelijke termijn mogelijk is. De rechtbank neemt daarbij nog in aanmerking dat verweerder – desgevraagd – ter zitting naar voren heeft gebracht dat nog niet bekend is hoe en op basis van welke criteria de Minister van Economische Zaken advies zal uitbrengen.

2.5 Op grond van al het vorenstaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb te worden vernietigd. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiser. De rechtbank zal verweerder daartoe een termijn stellen van drie maanden.

2.6 Er is aanleiding voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten van eiser. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden ter zake van rechtsbijstand 2 punten toegekend, waarbij een wegingsfactor 1 wordt gehanteerd.

3. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen drie maanden na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- bepaalt dat verweerder het betaalde griffierecht van € 150,00 aan eiser vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,00 te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. R.J. van Lochem en mr. Tj. Gerbranda, leden. De beslissing is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.