Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4636

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/30503
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak; asielaanvraag; beroep gegrond

Eiser heeft aangevoerd dat hij behoort tot een invloedrijke familie, waarvan leden onder meer werkzaam zijn geweest in het leger. Op 27 september 2008 werd de broer van eiser ontvoerd. Eiser weet niet wat er met hem is gebeurd. De familie heeft de volgende dag het huis verlaten en eiser en zijn andere broer hebben het land verlaten. Op [datum] werd het huis van de familie bezocht en werd een dreigbrief achtergelaten. De neef van eisers vader is ook gevlucht, hij was de bevelhebber van het leger. Eisers familie wordt van alle kanten bedreigd. Eiser weet niet wat er met zijn familie is gebeurd. Verder had de familie nog problemen, omdat ze auto’s verkochten, ook aan de Amerikanen.

Verweerder heeft de feiten geloofwaardig geacht. Dit betekent dat verweerder het voor geloofwaardig houdt dat de familie van eiser van verschillende zijden werd lastiggevallen, waarbij onder meer een familielid is gedood en een ander familielid is ontvoerd. Voorts heeft verweerder niet ongeloofwaardig geacht dat de door eiser gestelde problemen het gevolg zijn van de werkzaamheden van eisers grootvader, vader en oom. Gelet hierop heeft verweerder niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat eiser zijn vrees niet heeft geobjectiveerd, omdat uit zijn verklaringen niet is gebleken van enige, op zijn persoon gerichte, negatieve aandacht. Verweerder heeft miskend dat de familie van eiser als werkzaam in risicoberoepen moet worden gekwalificeerd en heeft tevens miskend dat het aannemelijk is dat de familie, vanwege de werkzaamheden of positie van een aantal leden daarvan, in de verhoogde negatieve aandacht staat van verscheidene groeperingen. Dat eiser niet kan benoemen welke groeperingen precies de daders van deze vervolgingen zijn, is hierbij niet van doorslaggevend belang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 30503

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 november 2010

in de zaak van:

I[naam eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. L.J.P. Mentink, advocaat te Utrecht,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.H. Belevska, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 8 december 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 27 juli 2009 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 21 augustus 2009 beroep ingesteld.

1.2 Verweerder heeft op 30 juni 2010 een verweerschrift ingediend.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 12 juli 2010. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vreemdelingenwet 2000 (Vw) genoemde gronden.

2.3 Ingevolge artikel 31 Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.4 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is soenniet en afkomstig uit Bagdad. Eisers grootvader was hoofdbevelhebber van het Iraakse leger, totdat Saddam Hussein aan de macht kwam. Vervolgens is hij gearresteerd en heeft hij drie jaar vastgezeten. Daarna is hij ter dood veroordeeld en het land uitgezet naar Tsjecho-Slowakije. Na de val van Saddam Hussein werd eisers grootvader opgeroepen door luitenant-generaal [naam], de voorzitter van de Arabische Liga. Nadat eisers grootvader terugkeerde naar Irak, werd de familie bedreigd door aanhangers van het regime van Saddam Hussein.

Eisers vader was piloot in de luchtmacht. Eisers vader plande de aanvallen tijdens de Iraans-Iraakse oorlog en heeft onder meer de plannen gemaakt om de atoomcentrale van [naam], Iran te bombarderen in 1987. Uit Iran kwam een lijst met namen van piloten, artsen en docenten, die geterroriseerd moesten worden. Als gevolg hiervan werd eisers familie sinds 2007 door milities vervolgd.

Begin 2007 konden ze de woning van eisers familie niet bereiken en gingen daardoor naar eisers oom, die luitenant-generaal of brigadegeneraal was en arts. Deze was echter niet thuis, omdat hij was gevlucht naar Engeland om asiel te vragen.

Op 27 september 2008 werd de broer van eiser ontvoerd. Eiser weet niet wat er met hem is gebeurd. De familie heeft de volgende dag het huis verlaten en eiser en zijn andere broer hebben het land verlaten. Op [datum] werd het huis van de familie bezocht en werd een dreigbrief achtergelaten. Eiser denkt dat zijn broer in Turkije is achtergebleven, maar hij weet het niet. De neef van eisers vader is ook gevlucht, hij was de bevelhebber van het leger. Eisers familie wordt van alle kanten bedreigd. Eiser weet niet wat er met zijn familie is gebeurd. Verder had de familie nog problemen, omdat ze auto’s verkochten, ook aan de Amerikanen.

2.5 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Verweerder werpt het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw aan eiser tegen. Het relaas ontbeert positieve overtuigingskracht. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op één van de gronden van artikel 29, eerste lid, Vw.

2.6 Eiser heeft hiertegen in beroep het volgende aangevoerd. Verweerder heeft het gestelde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw in redelijkheid niet aan eiser kunnen tegenwerpen. Eiser behoort tot een risicogroep in Irak. Hij werd bedreigd vanwege de verkoop van auto’s aan Amerikanen. Uit Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV) 2008/28 blijkt dat Irakezen die samenwerken of hebben samengewerkt met de regering, internationale organisaties of diplomatieke vertegenwoordigingen of met buitenlandse bedrijven een gevaar lopen. Deze opsomming is niet limitatief. Eiser hoeft niet aan te tonen dat hij persoonlijk gevaar loopt, hoewel uit zijn relaas blijkt dat hij wel degelijk persoonlijk gevaar liep. Immers, in WBV 2008/28 staat dat bij personen, werkzaam in risicoberoepen, onder meer te denken valt aan Iraakse politici en hun familie. Eiser komt uit een invloedrijke en relatief rijke familie en zijn grootvader is adviseur geweest van onder meer de Arabische Liga. Hierdoor loopt eiser een verhoogd risico. Niet is duidelijk wat ongeloofwaardig is aan de verklaringen van eiser. Eiser doet een beroep op de b-grond van artikel 29, eerste lid, Vw en verwijst in dat verband naar het rapport van de UNHCR van april 2009 en het de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 14 augustus 2009, waarin de Afdeling waarde hecht aan dat rapport. Volgens UNHCR behoren mensen, afkomstig uit de vijf genoemde provincies, beschouwd te worden als vluchteling. Niet is in geschil dat eiser afkomstig is uit Centraal-Irak. Eiser loopt extra gevaar vanwege zijn werk in het verleden voor de Amerikanen en vanwege de band met zijn invloedrijke familie, alsmede de daden van vervolging die reeds hebben plaatsgevonden ten aanzien van zijn familieleden. Eiser doet verder een beroep op de d-grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 De rechtbank stelt vast dat verweerder de feiten geloofwaardig heeft geacht en verweerder in het bestreden besluit, noch in het daaraan ten grondslag liggende voornemen, aan eiser heeft tegengeworpen dat zijn verklaringen tegenstrijdigheden, vaagheden, bevreemdingwekkend of summier zijn op het niveau van de relevante bijzonderheden. Gelet hierop behoeven de gronden die eiser heeft aangevoerd in het kader van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw naar het oordeel van de rechtbank geen bespreking.

2.8 Verweerder heeft de vermoedens over wat eiser bij terugkeer naar Irak te wachten staat en die hij heeft ontleend aan de geloofwaardig bevonden feiten niet plausibel geacht en daarbij, zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft erkend, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2010 (200906650/1/V2), ten onrechte het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht gehanteerd. Gelet hierop is er aanleiding het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.

2.9 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of, met gebruikmaking van de in artikel 8:72, derde lid, Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid, de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. Hierbij is het volgende van belang.

2.10 Zoals hiervoor is overwogen, heeft verweerder de door eiser gestelde feiten geloofwaardig geacht. Dit betekent dat verweerder het voor geloofwaardig houdt dat de familie van eiser van verschillende zijden werd lastiggevallen, waarbij onder meer een familielid is gedood en een ander familielid is ontvoerd. Voorts heeft verweerder niet ongeloofwaardig geacht dat de door eiser gestelde problemen het gevolg zijn van de werkzaamheden van eisers grootvader, vader en oom. Gelet hierop heeft verweerder niet kunnen volstaan met de enkele stelling dat eiser zijn vrees niet heeft geobjectiveerd, omdat uit zijn verklaringen niet is gebleken van enige, op zijn persoon gerichte, negatieve aandacht. Verweerder heeft miskend dat de familie van eiser als werkzaam in risicoberoepen moet worden gekwalificeerd en heeft tevens miskend dat het aannemelijk is dat de familie, vanwege de werkzaamheden of positie van een aantal leden daarvan, in de verhoogde negatieve aandacht staat van verscheidene groeperingen. Dat eiser niet kan benoemen welke groeperingen precies de daders van deze vervolgingen zijn, is hierbij niet van doorslaggevend belang.

2.11 Reeds gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen worden gelaten.

2.12 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren.

2.13 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.14 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 644,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met in achtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 644,- te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Mateman, rechter, en op 5 november 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.