Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4589

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
09-758311-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, meermalen gepleegd. Schietpartij op 26 april 2008 rond partycentrum in Zoetermeer na afloop van een Antilliaans feest. Wettig en overtuigend bewezen dat verdachte en verdachte [Y] met een vuurwapen op elkaar hebben geschoten. Verdachte heeft met een (semi-)automatisch machinepistool meermalen op [Y] en daarmee ook in de richting van anderen geschoten. Als reactie hierop werd verdachte beschoten. De schietpartij vond plaats in het uitgaansleven van Zoetermeer, waarbij er grote paniek ontstond onder de vele (circa 400) feestgangers. Het mag een bijzonder toeval worden genoemd dat [Y], noch de omstanders op al dan niet fatale wijze zijn getroffen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte als eerste heeft geschoten, waarmee hij als aanstichter wordt gezien. Gevangenisstraf van 4 jaren, met aftrek. Zie LJ BO4602 (Vonnis in de strafzaak tegen [Y]).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/758311-08

Datum uitspraak: 22 november 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank ’s-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte X],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,

adres: [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 17 februari 2009, 7 mei 2009, 19 januari 2010, 24 maart 2010, 26 mei 2010 en 8 november 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.J. Mos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. S. Lodder, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij en/of één of meer van zijn mededader(s) op of omstreeks 26 april 2008 te

Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte(n) voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

ene [Y], althans een persoon genaamd [bijnaam Y] en/of één of meer andere personen van het leven te beroven, met dat opzet met één of meer vuurwapens (meermalen) hebben/heeft geschoten in de richting van die [Y], althans een persoon genaamd [bijnaam Y] en/of die andere personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte bij een uitgaansgelegenheid in Zoetermeer met een vuurwapen meermalen heeft geschoten richting verdachte [Y].

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de hem tenlastegelegde poging tot doodslag, meermalen gepleegd, heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. De raadsman heeft daartoe - zoals vervat in zijn pleitnota - samengevat het volgende aangevoerd:

- de verklaring van getuige [C] (hierna: [C]) dient van het bewijs te worden uitgesloten, omdat die niet betrouwbaar is. [C] is teruggekomen op zijn eerdere bij de politie afgelegde verklaring en heeft daarbij zeer wisselend verklaard over wat hij heeft zien gebeuren;

- de verklaring van [B] (hierna: [B]) biedt onvoldoende steun voor het bewijs van de betrokkenheid van verdachte;

- in het dossier is voldoende steun te vinden voor het standpunt dat verdachte niet bij het schietincident betrokken is geweest.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging1

Niet betwiste feiten

Op 26 april 2008 omstreeks 5.10 uur heeft zich rond het Partycentrum “Ons” in Zoetermeer op de Van der Hagenstraat een schietpartij voorgedaan. De schietpartij vond plaats direct na afloop van een Antilliaans feest, terwijl de gasten zich vanuit het Partycentrum naar buiten begaven en de auto opzochten.2

De politie heeft naar aanleiding van deze schietpartij grootschalig onderzoek verricht. Daarbij zijn verschillende personen als verdachte aangehouden of als getuige gehoord. Gedurende dit onderzoek zijn verdachte en [Y] naar voren gekomen als mogelijke schutters.

De bewijsmiddelen

Bij forensisch technisch onderzoek op de plaats delict zijn in totaal 17 hulzen aangetroffen van 3 verschillende soorten kalibers.3 Daarnaast is onderzoek verricht naar kogeldelen die werden aangetroffen in een auto (merk Dodge) die op het plaats delict aanwezig was.4 Uit het munitieonderzoek blijkt dat het ten aanzien van voornoemde hulzen gaat om:5

- 11 hulzen van het kaliber 9 mm Parabellum met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met één wapen vermoedelijk een (semi) automatisch vuurwapen van het merk [merk]. De in de auto aangetroffen kogeldelen passen eveneens bij dit vuurwapen;

- 4 hulzen van kaliber 7.65 mm Browning met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid verschoten met één wapen, vermoedelijk een (semi-) automatisch machinepistool van het type [type];

- 2 hulzen van het kaliber 6.35 mm Browning en waarschijnlijk niet uit één en hetzelfde wapen verschoten.

Op de bij het proces-verbaal gevoegde plattegrond is te zien dat 9 van de 11 hulzen gevonden zijn ter hoogte van de fietsenrekken. De hulzen van kaliber 7.65 mm Browning liggen verspreid. Eén ligt ter hoogte van de fietsenrekken, de andere twee hulzen aan de overzijde van de straat.6

Getuige [B] heeft bij de politie verklaard7 dat zij na afloop van het feest buiten haar halfbroer [bijnaam Y] (die de achternaam [Y] heeft)8 zag staan aan de kant van het zwembad ter hoogte van de fietsenrekken. Daarna zag zij aan de overkant een paar Antilliaanse jongens staan, waaronder één met een licht getinte huidskleur.9 Tussen deze twee jongens ontstond een woordenwisseling. Haar vriend [C] (getuige [C]) liep op de onbekende jongen af om de boel te sussen. Zij hoorde dat de jongen tegen [Y] zei dat hij hem ging knallen en dat [C] zei dat die jongen het moest laten. Vervolgens zag zij dat de jongen schoot. Zij zag [Y] ontwijkende bewegingen maken en dat hij terugschoot. Zij heeft alleen deze twee jongens op elkaar zien schieten. Ze schoten echt op elkaar.10

Getuige [C] heeft (als verdachte) in zijn eerste en tweede verklaring bij de politie verklaard11 dat hij in de auto zat met zijn vriendin, toen ene [bijnaam A] ([A])12 hem boos voorbij kwam. [A] liep richting zijn auto, een Alfa Romeo, en [C] ging achter hem aan. Bij [A] liep diens broer [X] (verdachte). Hij hoorde dat die broer vieze woorden in het Antilliaans zei. Hij vroeg aan [X] waarom hij dat deed, waarop hij zei: “niet tegen jou [C], met jou ben ik goed maar je weet niet wat er is gebeurd”, en later: “je bent mijn broer zijn vriend”. Terwijl [C] daar stond met [A], [X] en [D] hoorde hij opeens ‘pang, pang, pang’. [C] zag vervolgens dat iemand zijn pistool op hun groepje richtte en hoorde dat deze persoon veel keren schoot. In zijn derde verklaring heeft hij aan bovenstaande verklaringen toegevoegd dat [X] schoot op [Y] en dat [Y] schrok en terugschoot.13 Volgens [C] schoot [X] drie of vier keer met een klein wapen en [Y] bleef maar schieten met een groot en zwart wapen.

Een aantal maanden na vorenbedoelde laatste verklaring bij de politie, is [C] geconfronteerd met een foto van verdachte. [C] heeft toen verklaard dat de man op deze foto [X] is en dat hij hem heeft gezien op het feest in Zoetermeer op 26 april 2008. Hij heeft hem zien schieten op een man die is genaamd "[bijnaam Y]”, over welke [Y] en [X] hij, [C], eerder bij de politie heeft verklaard.14

Getuige [E] heeft verklaard15 dat zij gezien heeft dat haar oom [C] ([C]) naar twee jongens aan de overkant liep en met hen praatte. Vervolgens hoorde zij dat vanaf de kant waar haar oom stond, door een jongen geschoten werd. De jongen schoot met gestrekte arm naar de overkant waar een andere jongen stond. Deze jongen maakte schijnbewegingen alsof hij weg wilde duiken. Nadat de verhorende verbalisant opmerkt dat [B] heeft verklaard dat [Y] misschien met de schietpartij te maken heeft, heeft [E] verklaard dat [Y] degene was die wegdook achter de auto en dat zij eerst zijn naam niet wilde noemen. Of [Y] ook heeft geschoten weet zij niet.

Getuige [D] heeft verklaard16 dat hij met [A] en [X] (verdachte) naar het feest in Zoetermeer was gegaan. Na afloop van het feest stond hij bij de auto, een Alfa Romeo, met [X] te wachten op [A]. Vervolgens kwam [A] aanlopen met [C] en stonden zij met z’n vieren. Toen hoorde hij knallen van een pistool en is hij weggerend. Iets verderop zag hij de Alfa Romeo van [A] en [X] aan komen rijden. Terwijl hij in de auto dook hoorde hij het glas van de linkerachterruit van de Alfa kapot gaan. Het glas viel over hem heen. Later heeft hij van [C] gehoord dat [X] had geschoten. [C] zei dat [X] en een vriend van [C] op elkaar geschoten hebben.

[A], die als bijnaam [bijnaam A] heeft17, heeft verklaard dat hij tijdens het schietincident in Zoetermeer met zijn broer [X] (verdachte) aanwezig was. Ook heeft hij verklaard dat zijn auto aan het schietincident een gaatje heeft overgehouden aan de linkervoordeur.18 Bij zijn aanhouding werd in de Alfa Romeo waar hij bij zijn aanhouding in reed door de technische recherche aan de binnenzijde van het portier aan de bestuurszijde een rond gat aangetroffen. Geconcludeerd is dat deze beschadiging vermoedelijk afkomstig is van een projectiel.19

Verdachte20 en [Y]21 hebben beiden verklaard aanwezig te zijn geweest op het feest ten tijde van het schietincident, maar met de schietpartij niets te maken te hebben gehad.

De betrouwbaarheid van de verklaring van [C]

De rechtbank verwerpt het betoog van de raadsman dat de verklaringen van [C] wisselend van aard zijn en daardoor onbetrouwbaar. De rechtbank wijst er daarbij in de eerste plaats op dat de verklaring van [C] van 14 augustus 2008 volledig consistent is met zijn verklaring van 13 augustus 2008, toen hij nog geen kennis droeg van de verklaring van [B]. Alleen de namen van de schutters ontbreken in het verhoor van 13 augustus 2008. In de tweede plaats neemt de rechtbank in aanmerking dat [C] in de periode tot aan zijn verhoor bij de rechter-commissaris niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn verklaring, doch daarentegen in een verhoor dat werd afgenomen op 18 november 2008 de namen van [X] en [Y] heeft herbevestigd.22 Bovendien past de verklaring van [C] volledig in het beeld dat door getuige [E] en [D] is geschetst, alsmede met het beeld zoals dat uit het onderzoek van de technische recherche volgt. Tot slot heeft [C] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris uitsluitend - zij het ongemotiveerd - ontlastend verklaard ten aanzien van [Y] en niet ten aanzien van verdachte. Ter terechtzitting heeft [C], opgeroepen als getuige, geen enkele door de rechtbank gestelde vraag beantwoord, waardoor hij evenmin onder ede gesteld kon worden.

Op grond van het vorenstaande heeft de rechtbank geen redenen om aan de betrouwbaarheid van de door [C] bij de politie afgelegde verklaringen te twijfelen. Ook zal de rechtbank de bij de politie afgelegde verklaringen van [C] niet terzijdestellen enkel op grond van zijn niet tot nauwelijks gemotiveerde, niet op verdachte gerichte, ontlastende verklaring bij de rechter-commissaris.

Ten aanzien van de verklaring van [B] merkt de rechtbank ten overvloede op dat zij bij de rechter-commissaris alleen afstand heeft willen doen van het feit dat zij haar broer zag terugschieten. De bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring dat zij de licht getinte jongen op haar broer zag schieten, heeft zij uitdrukkelijk gehandhaafd. Ter terechtzitting van 8 november 2010 heeft zij zich ten aanzien van het handelen van haar broer, verdachte [Y], op haar zwijgrecht en/of verschoningsrecht beroepen, maar niettemin opnieuw verklaard waar zij haar broer en de andere jongen op die avond heeft gezien, wat overeenstemde met haar eerdere verklaring dat zij haar broer bij de fietsenrekken zag en de andere jongen aan de overzijde van de straat. In combinatie met de overige getuigenverklaringen en de hulzen die ter plekke zijn aangetroffen, bieden de verklaringen van [B] dan ook eveneens steun aan de veronderstelde betrokkenheid van verdachte bij de schietpartij.

Conclusie

Het voorgaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd, wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte en [Y] met een vuurwapen op elkaar hebben geschoten, daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaardend dat de ander of anderen daarbij dodelijk gewond zou(den) kunnen raken. Eén en ander leidt tot de volgende bewezenverklaring.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

op 26 april 2008 te Zoetermeer ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [Y] en/of één of meer andere personen van het leven te beroven, met dat opzet met één vuurwapen meermalen heeft geschoten in de richting van [Y] en/of die andere personen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, dat het geschorste bevel gevangenhouding wordt opgeheven en dat verdachte gevangen wordt genomen. De rechtbank begrijpt dit als een vordering tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen expliciet verweer gevoerd betreffende de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende overwogen.

Verdachte heeft met een (semi-)automatisch machinepistool meermalen op [Y] en daarmee ook in de richting van anderen geschoten. Als reactie hierop werd verdachte beschoten. De schietpartij vond plaats in het uitgaansleven van Zoetermeer, waarbij er grote paniek ontstond onder de vele (circa 400) feestgangers. Het mag een bijzonder toeval worden genoemd dat [Y], noch de omstanders op al dan niet fatale wijze zijn getroffen. De manier waarop verdachte heeft gemeend met [Y] te moeten afrekenen, getuigt van een geringschatting van zowel diens lichamelijke integriteit als zijn leven, waarbij hij de risico's voor de omstanders op stuitende wijze op de koop toe heeft genomen. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte als eerste heeft geschoten, waarmee hij als aanstichter wordt gezien. Dergelijk buitensporig geweld in het uitgaansleven bewerkstelligt grote gevoelens van onveiligheid bij degenen die er al dan niet direct mee worden geconfronteerd. Bovendien zijn veel aanwezigen, veelal naar achteraf bleek onnodig, geconfronteerd met het grootschalige onderzoek van de politie dat hier direct op volgde.

Ten aanzien van de persoon van verdachte merkt de rechtbank op dat uit het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 20 oktober 2010 betreffende verdachte blijkt dat hij meermalen is veroordeeld voor geweldsdelicten en overtreding van de Wet wapens en munitie.

De officier van justitie heeft alles overwegende naar het oordeel van de rechtbank de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte op juiste wijze tot uitdrukking gebracht in haar vordering. De rechtbank acht de gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook passend en geboden.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij gewijzigde dagvaarding tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

poging tot doodslag, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

heft op het door deze rechtbank gegeven bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine, voorzitter,

Harms en Brand, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Schuurmans-van Erkel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 november 2010.

1 Het proces-verbaal waar in dit vonnis naar wordt verwezen betreft - tenzij anders vermeld - het ambtsedig door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie Haaglanden opgemaakte proces-verbaal met nummer 1551/2008/7257 (doorgenummerd p.1 t/m 754).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 11, 14-15, 192.

3 Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, p. 541, 544.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [F], p. 259-260, Proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, p. 200.

5 Deskundigenrapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 18 juli 2008, p. 222.

6 Proces-verbaal van bevindingen, bijlage, p. 575-576.

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [B], p. 395.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [B], p. 396.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [B] bij de rechter-commissaris, d.d. 11 januari 2010, punt 3.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [B], p. 396.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], p. 405.

12 Proces-verbaal van verdachte [A], p. 515.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], p. 409.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [C], p. 607.

15 Proces-verbaal van verhoor getuige [E], p. 494.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [D], p. 627.

17 Proces-verbaal van verdachte [A], p. 515 en verklaring als getuige ter terechtzitting van 19 januari 2010.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [A], p. 516, 518, 525.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p. 480, alsmede proces-verbaal forensisch technisch onderzoek, p. 634-635.

20 Verklaring ter zitting van 19 januari 2010.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [Y], p. 737, alsmede verklaring ter zitting van 19 januari 2010.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 607.