Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4560

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
22-11-2010
Zaaknummer
378542 / KG ZA 10-1313
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Ex-patiënte blijft kinder- en jeugdpsychiater lastigvallen ("stalking") en handelt daarmee onrechtmatig jegens hem alsmede diens werkgever. Daarmee maakt zij een ernstige, voortdurende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de arts en tast zij stelselmatig de eer en goede naam aan van zowel de arts als diens werkgever. Oplegging contact- en gebiedsverbod. Directe uitvoerbaarverklaring bij lijfsdwang omdat een ander dwangmiddel onvoldoende uitkomst biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 378452 / KG ZA 10-1313

Vonnis in kort geding van 17 november 2010

in de zaak van

1. [eiser],

wonende te [woonplaats],

2. de stichting

STICHTING [X.],

gevestigd te [vestigingsplaats],

eisers,

advocaat mr. C.B. Vreede te 's-Gravenhage,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. A.A. Bloemberg te Haarlem.

Partijen zullen hierna worden aangeduid als enerzijds "[eiser]" en "[X.]" (gezamenlijk ook wel als "eisers") en anderzijds "[gedaagde]".

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 9 november 2010 wordt in dit geding - als enerzijds gesteld en anderzijds niet (voldoende) weersproken - van het volgende uitgegaan.

1.1. [Eiser] - woonachtig in de "[naam van het stadsdeel]" te [woonplaats] - is sinds oktober 2007 als arts in opleiding tot medisch specialist en vanaf januari 2010 als kinder- en jeugdpsychiater werkzaam bij [X.].

1.2. Op [dag] [maand] 2007 werd [gedaagde] - die thans [..] jaar oud is - opgenomen op de gesloten afdeling van [X.], alwaar zij tot haar ontslag in maart 2008 is behandeld door [eiser]. In maart 2008 werd [gedaagde] voor verdere behandeling terugverwezen naar de kinderpsychiatrische instelling in haar eigen regio "[Z.]".

1.3. Na de beëindiging van haar opname in [X.] bleef [gedaagde] [eiser] privé en op het werk benaderen. Dat gebeurde telefonisch, via e-mails en door berichten te verzenden naar de "Hyvesaccount" van [eiser]. De strekking was (vrijwel) steeds dat [gedaagde] [eiser] terug wil als behandelend arts en dat zij hem als een vaderfiguur ziet. [gedaagde] beschuldigt [eiser] ervan dat hij haar heeft laten vallen door de behandeling aan anderen over te dragen. Verder dreigt zij met het plegen van suïcide.

1.4. Ook nadat [eiser] verschillende maatregelen had genomen, zoals het opzeggen van zijn Hyvesaccount, het laten blokkeren van e-mails van [gedaagde] en het wijzigen van zijn telefoonnummer, bleef [gedaagde] contact zoeken met [eiser], onder andere via diens echtgenote en medewerkers van [X.]. Daarbij gaf zij aan contact te zullen blijven zoeken.

1.5. Daarnaast heeft [gedaagde] haar verwijten aan het adres van [eiser] openbaar gemaakt op diverse websites. Die websites bevatten ook persoonlijke informatie over [eiser], zoals zijn woonadres, een foto van [eiser] en zijn echtgenote en een foto van de vrouw en kinderen van [eiser]. Bij deze laatste foto heeft [gedaagde] een foto van zichzelf "geplakt".

1.6. Verder heeft [gedaagde], in de periode van januari 2010 tot en met april 2010, tot zesmaal toe het privéadres van [eiser] bezocht, waarbij zij vernielingen aanrichtte, het balkon van de woning van [eiser] beklom en foto's van [eiser] en diens familie maakte. Die bezoeken gingen gepaard met veel verbaal geweld van [gedaagde].

1.7. Op 23 januari 2010 en 8 april 2010 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan van stalking en vernieling door [gedaagde]. Naar aanleiding daarvan is [gedaagde] op 28 april 2010, terwijl zij zich op het balkon van de woning van [eiser] bevond, aangehouden op verdenking van belaging, waarna zij in voorlopige hechtenis is genomen.

1.8. Tijdens de behandeling van haar strafzaak op 8 juli 2010 heeft de rechtbank te Haarlem de voorlopige hechtenis van [gedaagde] geschorst per 9 juli 2010, onder meer onder een aantal bijzondere voorwaarden. Deze hielden in:

- een contactverbod met [eiser];

- een verbod zich te begeven in [woonplaats];

- een verbod tot het plaatsen van filmpjes en/of ander (beeld)materiaal op Youtube;

- een verplichte behandeling in het Centrum Intensieve Behandeling van Parnassia te 's-Gravenhage;

- een verbod op het gebruik van DXM;

- het opvolgen van aanwijzingen van de reclassering.

1.9. Na een melding van de reclassering dat [gedaagde] de voorwaarde betreffende het gebruik van DXM had overtreden, is [gedaagde] op 3 augustus 2010 op bevel van de officier van justitie aangehouden, waarna de rechtbank Haarlem op

4 augustus 2010 de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft opgeheven.

1.10. Op 10 augustus 2010 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem de opheffing van de voorlopige hechtenis van [gedaagde] bevolen omdat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat aan [gedaagde], in geval van een veroordeling, geen onvoorwaardelijke vrijheidsstraf zal worden opgelegd die langer zal zijn dan de tijd die zij inmiddels in hechtenis heeft doorgebracht. De verdere inhoudelijke behandeling van de strafzaak is op die zitting geschorst voor onbepaalde tijd.

1.11. Vanaf september 2010 vervalt [gedaagde] in herhaling voor wat betreft haar gedragingen ten opzichte van [eiser]. Zo belde zij het nummer van de mobiele telefoon van de echtgenote van [eiser] en stuurde zij op [dag] [maand] 2010 een e-mail aan [eiser] met de tekst "Ik ben echt niet klaar met jou. Wacht maar af". Verder verzond zij op [dag] [maand] 2010 een e-mailbericht naar de basisschool van de kinderen van [eiser] met het verzoek "Graag zou ik wat foto's ontvangen van [A.], mijn jongste zusje". Daarnaast maakte zij een "Linked-in account" aan, met verwijzing naar [eiser]. In verband met een en ander heeft [eiser] op 12 oktober 2010 andermaal aangifte gedaan wegens stalking door [gedaagde].

1.12. Naar aanleiding van die aangifte en een nieuwe aangifte van [eiser] van 21 oktober 2010 heeft de officier van justitie op 21 oktober 2010 opnieuw de aanhouding van [gedaagde] bevolen.

1.13. De rechter-commissaris in strafzaken van de rechtbank Haarlem heeft [gedaagde] op 25 oktober 2010 in bewaring gesteld en die vervolgens direct geschorst onder een aantal voorwaarden, waaronder:

- een verbod om gedurende drie maanden na 25 oktober 2010 (direct of indirect) contact op te nemen met [eiser], diens familieleden en de school van zijn kinderen;

- het verplicht opvolgen van de aanwijzingen van de reclassering.

1.14. De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem zal op [dag] [datum] 2010 de behandeling van de strafzaak tegen [gedaagde] voortzetten, onder bijvoeging van de aangiftes van [eiser] van 12 en 21 oktober 2010.

1.15. Sinds kort ontvangt [gedaagde] een "Wajong-uitkering".

2. Het geschil

2.1. Zakelijk weergegeven vorderen eisers:

I. [gedaagde] te verbieden [eiser] direct dan wel indirect te benaderen;

II. [gedaagde] te verbieden zich te begeven in de "[naam van het stadsdeel]" te [woonplaats];

III. [gedaagde] te gebieden alle verwijzingen, afbeeldingen en gegevens betreffende [eiser] en/of diens familie en/of [X.] op het internet te verwijderen en verwijderd te houden;

IV. [gedaagde] te gebieden zich te onthouden van het plaatsen van verwijzingen, afbeeldingen en gegevens van [eiser] en/of diens familie en/of [X.] in welk medium dan ook;

V. de hiervoor onder I tot en met IV vermelde ver- en geboden uitvoerbaar te verklaren bij lijfsdwang van één maand per overtreding, met een maximum van één jaar, dan wel (subsidiair) daaraan een dwangsom te verbinden van € 1.000,-- voor iedere overtreding;

VI. [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten.

2.2. Naast de hiervoor vermelde feiten voeren eisers daartoe - samengevat - het volgende aan.

[gedaagde] handelt onrechtmatig jegens eisers. Haar jarenlange, in grievende bewoordingen gegoten, aantijgingen aan het adres van [eiser], berusten op onwaarheden en tasten stelselmatig de eer en goede naam van [eiser] en [X.] aan. Verder vormen de contacten die [gedaagde] - via allerlei wegen - met [eiser] zoekt een voortdurende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [eiser] en diens familie. Die contacten nemen in toenemende mate extreme en gewelddadige vormen aan en worden als bijzonder beangstigend en intimiderend ervaren. Het gedrag van [gedaagde] is verder uiterst onberekenbaar. Aan verzoeken om haar acties te beëindigen voldoet [gedaagde] niet, terwijl alle tot nu toe getroffen maatregelen geen effect hebben gesorteerd. Ook het strafrecht biedt geen definitieve oplossing. De politie heeft [eiser] zelfs aangeraden om een kort gedingprocedure aanhangig te maken, aangezien zij met een (civiel) vonnis in de hand meer adequaat kan optreden. Op grond van een en ander zijn de gevorderde ver- en geboden proportioneel en gerechtvaardigd. Alleen aan de hand daarvan kan een einde worden gemaakt aan het onrechtmatige handelen van [gedaagde]. Uitvoerbaar verklaring van de ver- en geboden bij lijfsdwang is hier aangewezen is, aangezien van het opleggen van een dwangsom onvoldoende afschrikwekkende werking uitgaat.

2.3. [Gedaagde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [Gedaagde] heeft aangevoerd dat eisers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen, omdat - zo begrijpt de voorzieningenrechter - (i) er reeds een beslissing is van een rechterlijke instantie met voldoende waarborgen, waarmee het beoogde doel van de vorderingen van eisers al is bereikt (te weten: de schorsing van de voorlopige hechtenis van [gedaagde] onder bijzondere voorwaarden) en (ii) het spoedeisende belang ontbreekt. Die verweren worden verworpen.

3.2. De vorderingen van eisers zijn gegrond op een onrechtmatige daad, ten aanzien waarvan de civiele rechter is belast met de behandeling en beslissing. Bovendien zijn eisers geen (formele) partij in de strafzaak tegen [gedaagde], zodat zij op de afloop ervan ook geen invloed kunnen uitoefenen. Voorts ligt in de stellingen die eisers aan hun vorderingen ten grondslag leggen het vereiste spoedeisende belang bij een procedure als de onderhavige besloten.

3.3. Alvorens over te gaan tot de verdere beoordeling van het geschil stelt de voorzieningenrechter het volgende voorop. Gelet op het in de persoonlijke vrijheid van [gedaagde] ingrijpende karakter van een contact- en gebiedsverbod, zoals onder I en II gevorderd, is daarvoor slechts plaats wanneer de veiligstelling van de persoonlijke vrijheid van [eiser] tegen inbreuken daarop op geen andere wijze is te bereiken.

3.4. Op grond van de onder 1. vermelde feiten moet worden geoordeeld dat [gedaagde] zich gedurende de afgelopen twee-en-een-half jaar meerdere malen onrechtmatig heeft gedragen jegens eisers. Door het contact blijven zoeken met [eiser] en de wijze waarop zij dat veelal deed, maakte zij een ernstige, voortdurende, inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van (het gezin van) [eiser]. Verder tast(te) zij door middel van haar publicaties op het internet stelselmatig de eer en goede naam van zowel [eiser] als [X.] aan. Een en ander is op zichzelf ook niet weersproken door [gedaagde].

3.5. Voorts is van de zijde van [gedaagde] niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat het contact blijven zoeken met [eiser] slechts effectief kan worden bestreden door middel van een rechterlijke beslissing waarbij dat wordt verboden en waarop - bij overtreding - een sanctie is gesteld.

3.6. Op grond van het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat aan het hiervoor onder 3.3. vermelde criterium is voldaan, zodat de vorderingen sub I en II - in beginsel - voor toewijzing gereed liggen. Te meer waar moet worden aangenomen dat [gedaagde] haar benaderingspogingen niet zal stoppen, zonder een rechterlijke beslissing die haar dat verbiedt. [gedaagde] heeft echter aangevoerd dat bij de huidige stand van zaken voor toewijzing van die vorderingen geen plaats is, omdat die vorderingen inmiddels hun beslag hebben gekregen in de bijzondere voorwaarden waaronder de voorlopige hechtenis van [gedaagde] op 25 oktober 2010 is geschorst. Bovendien valt - volgens haar - te verwachten dat de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem [gedaagde] binnenkort een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf zal opleggen onder de voorwaarde dat zij geen contact zoekt met [eiser], eventueel gecombineerd met een verbod om zich te begeven in de woonwijk van [eiser]. De voorzieningenrechter kan [gedaagde] daarin echter niet volgen.

3.7. Allereerst is van de belang dat de bijzondere voorwaarden waaronder de voorlopige hechtenis van [gedaagde] is geschorst zich niet zover uitstrekken dat het haar is verboden zich in de woonwijk van [eiser] te begeven, terwijl daarvoor in de gegeven omstandigheden wel aanleiding bestaat. Verder geldt het contactverbod in het kader van de bijzondere voorwaarden slechts tot en met 25 januari 2011, hetgeen niet voldoende moet worden geacht. Bovendien staat het op dit moment allerminst vast dat de strafrechter [gedaagde] - binnenkort - een (deels) voorwaardelijke vrijheidsstraf zal opleggen onder dusdanige voorwaarden dat daarmee de integrale vorderingen sub I en II als overbodig moeten worden aangemerkt, waarbij nog buiten beschouwing wordt gelaten de mogelijkheid van hoger beroep tegen zo'n strafvonnis met alle gevolgen van dien. Daar komt bij - en zeker niet op de laatste plaats - dat [eiser] door middel van een kort gedingvonnis over een eigen titel beschikt om de vorderingen af te dwingen, terwijl hij voor wat betreft de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen afhankelijk blijft van politie en justitie. Daar komt bij dat eisers - onweersproken - hebben aangevoerd dat de politie [eiser] zelfs heeft aangeraden om de onderhavige procedure op te starten, zodat het contact- en gebiedsverbod beter kan worden gehandhaafd.

3.8. De vorderingen sub I en II zullen dan ook (integraal) worden toegewezen. Het contact- en gebiedsverbod worden echter voor wat betreft de duur beperkt tot twee jaar na het wijzen van dit vonnis. Op grond van hetgeen hiervoor onder 3.4. is overwogen, zijn ook de vorderingen sub III en IV toewijsbaar.

3.9. Onder de gegeven omstandigheden acht de voorzieningenrechter oplegging van een dwangmiddel, als stimulans tot nakoming van de (toewijsbare) vorderingen sub I tot en met IV, aangewezen. De vraag rijst of dat het middel van lijfsdwang moet zijn, zoals primair gevorderd, dan wel het opleggen van een dwangsom, zoals subsidiair gevorderd. In dat verband wordt vooropgesteld dat toepassing van lijfsdwang leidt tot beneming van de persoonlijke vrijheid, zodat dat dwangmiddel slechts aan de orde kan komen als ultimum remedium, oftewel als andere dwangmiddelen niet effectief (kunnen) zijn.

3.10. In geval van oplegging van een dwangsom zal sprake moeten zijn van een substantieel bedrag. [gedaagde] ontvangt sinds kort een "Wajong-uitkering". Weliswaar is omtrent de hoogte daarvan geen duidelijkheid verschaft, maar als algemeen bekend mag worden verondersteld dat het om een bescheiden uitkering zal gaan. Gelet hierop moet worden aangenomen dat [gedaagde] ter zake van verbeurde (substantiële) dwangsommen geen verhaal zal bieden, zodat een dwangsom geen enkele dan wel onvoldoende prikkel tot nakoming vormt. Anderzijds moet ervan worden uitgegaan dat (enkel) rechterlijke beslissingen, waarop bij overtreding een vrijheidsbenemende sanctie rust, daadwerkelijk effect hebben op het gedrag van [gedaagde]. Tijdens de schorsing van de eerste voorlopige hechtenis (van [dag] [maand] 2010 tot [dag] [maand] 2010) heeft zij immers geen contact gezocht met [eiser]. Nu gesteld noch gebleken is dat [eiser] na 25 oktober 2010 is benaderd door [gedaagde], heeft blijkbaar ook de schorsing van de (tweede) voorlopige hechtenis onder de voorwaarde geen contact op te nemen met [eiser] geleid tot het beoogde doel. Tussen de opheffing van de eerste voorlopige hechtenis en het bevel betreffende de tweede voorlopige hechtenis, toen haar geen dreiging met vrijheidsbeneming boven het hoofd hing, zocht zij juist wel weer contact met [eiser]. Overigens ligt in de stellingen van [gedaagde] besloten dat - ook volgens haar - de sanctie van vrijheidsbeneming de meeste garantie biedt om herhaling te voorkomen. Zij vindt echter dat zulks in het kader van de strafzaak moet plaatsvinden, waaraan de voorzieningenrechter - zoals hiervoor overwogen - voorbijgaat.

3.11. Op grond van het voorgaande moet worden aangenomen dat toepassing van een ander dwangmiddel dan lijfsdwang onvoldoende uitkomst biedt. Voorts moet worden geoordeeld, met name gelet op de ernst en frequentie van de onrechtmatige handelingen van [gedaagde], dat het belang van eisers bij toepassing van lijfsdwang in de onderhavige situatie zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij niet-toepassing daarvan. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] geen last zal hebben van de lijfsdwang wanneer zij zich aan de betreffende veroordelingen houdt. Daartoe moet zij in staat worden geacht, gelet op het verloop van de strafzaak.

3.12. De in het dictum onder I tot en met IV opgenomen veroordelingen zullen dan ook uitvoerbaar bij lijfsdwang worden verklaard, met een totale duur van maximaal één jaar en met dien verstande dat, nu de veroordelingen onder I, II en IV moeten worden aangemerkt als een "verplichting tot nalaten" in de zin van artikel 589 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de termijn van de lijfsdwang voor iedere overtreding door [gedaagde] van (één van) die veroordelingen wordt vastgesteld op (telkens) zeven dagen.

3.13. [Gedaagde] wordt - als de in het ongelijk gestelde partij - veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

I. veroordeelt [gedaagde] zich gedurende twee jaar te onthouden van het direct of indirect - waaronder begrepen via [X.] - (doen) benaderen van [eiser], waar en op welke wijze dan ook (zoals thuis, op het werk, in persoon, per post, per e-mail, per telefoon of elders of anderszins) en om zich gedurende die periode ervan te onthouden (in persoon, via het internet of op welke manier dan ook) anderen tot een dergelijke benadering aan te sporen;

II. veroordeelt [gedaagde] zich gedurende twee jaar niet te begeven in de "[naam van het stadsdeel]" te [woonplaats], waartoe het haar verboden is het gebied tussen de "[C."en de [D.], via de [E.], [F.] of de [G.] over de [H.] te betreden;

III. veroordeelt [gedaagde] binnen drie dagen na betekening van dit vonnis alle verwijzingen naar, afbeeldingen en gegevens van of enige andere uiting betrekking hebbend op [eiser] en/of diens familie- en gezinsleden en/of [X.] te (doen) verwijderen en verwijderd te houden van het internet, in zoverre dat deze verwijzingen, afbeeldingen, gegevens en uitingen op geen enkele wijze meer via welke zoekopdracht dan ook op het internet (waaronder begrepen internetpagina's die in het cachegeheugen van zoekmachines zijn opgeslagen) zijn terug te vinden;

IV. veroordeelt [gedaagde] zich te onthouden van het plaatsen van toekomstige verwijzingen naar, afbeeldingen en gegevens van of enige andere uiting betrekking hebbend op [eiser] en/of diens familie- en gezinsleden en/of [X.] in welk medium dan ook (in de krant, op de radio, op de televisie, op het internet of anderszins) en niet toe te staan dat anderen dergelijke uitlatingen plaatsen op websites/domeinen waarvan [gedaagde] de/een domeinnaamhouder of beheerder is;

V. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij lijfsdwang tot een maximum van één jaar en met dien verstande dat de termijn van de lijfsdwang voor iedere overtreding door [gedaagde] van (één van) de hiervoor onder I, II en IV vermelde veroordelingen wordt vastgesteld op (telkens) zeven dagen;

VI. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot op dit vonnis aan de zijde van eisers begroot op € 1.467,32, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 560,-- aan griffierecht en € 91,32 aan dagvaardingskosten;

VII. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

VIII. wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.

jvl