Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4558

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
376923 - KG ZA 10-1212
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Gevorderd verbod tot overlevering aan Hongarije. Artikel 35 lid 3 en 36 Overleveringswet. Psychische en fysieke klachten staan niet aan overlevering in de weg. Deze klachten kunnen ook in Hongarije worden behandeld. Er is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 36 Overleveringswet. Gelet op de toezegging van gedaagde dat eiser niet zal worden overgeleverd totdat tussen de Hongaarse autoriteiten en de Minister van Veiligheid en Justitie overeenstemming is bereikt over de voorlopige terbeschikkingstelling, wordt de vordering van eiser afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 376923 / KG ZA 10-1212

Vonnis in kort geding van 12 november 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats], gemeente [woongemeente], thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting [X. te X.],

eiser,

advocaat mr. D.W.H.M. Wolters te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

tegen:

de Staat der Nederlanden (meer in het bijzonder Ministerie van Veiligheid en Justitie (voorheen Ministerie van Justitie)),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te 's-Gravenhage.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 5 november 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Eiser heeft in februari 2010 een echtscheidingsprocedure met nevenvoorzieningen bij de rechtbank Haarlem aanhangig gemaakt. Op 15 oktober 2010 heeft de mondelinge behandeling van deze procedure plaatsgevonden. Er is nog geen uitspraakdatum bekend.

1.2. Op 11 maart 2010 is eiser door de Györ-Moson-Sopron Country Court te Györ (Hongarije) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren. Tegen deze uitspraak is hoger beroep ingesteld.

1.3. Bij Europees aanhoudingsbevel (EAB) van 21 mei 2010 heeft Györ-Moson-Sopron Country Court te Györ (Hongarije) om de aanhouding en overlevering van eiser verzocht in verband met een vervolging van eiser ter zake van de handel in verdovende middelen.

1.4. Op 24 augustus 2010 heeft de kantonrechter te Haarlem eiser in twee zaken bij verstek veroordeeld tot betaling van een geldboete en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van in totaal acht maanden. Eiser heeft tijdig hoger beroep tegen deze vonnissen ingesteld.

1.5. Bij uitspraak van 28 september 2010 heeft de rechtbank te Amsterdam de overlevering van eiser aan Hongarije toegestaan. Hij is thans gedetineerd in afwachting van zijn overlevering.

1.6. Bij brief van 26 oktober 2010 heeft het IRC Amsterdam de Hongaarse autoriteiten verzocht kenbaar te maken of zij eiser in detentie de benodigde medische zorg (in het bijzonder begeleiding c.q. behandeling door een psycholoog en/of psychiater) kunnen bieden. Bij brief van 29 oktober 2010 hebben de Hongaarse autoriteiten het IRC Amsterdam bericht dat zij de hiervoor bedoelde zorg inderdaad kunnen bieden.

2. Het geschil

2.1. Eiser vordert – zakelijk weergegeven – gedaagde te verbieden eiser feitelijk aan Hongarije over te leveren, althans een zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie voorkomt.

2.2. Daartoe voert eiser het volgende aan. Feitelijke overlevering van eiser aan Hongarije levert een schending van artikel 35 Olw op omdat er humanitaire redenen zijn die aan de feitelijke overlevering in de weg staan. Gelet op de slechte gezondheid en leeftijd van de vader van eiser vreest eiser dat hij zijn vader niet meer levend zal terugzien wanneer hij thans wordt overgeleverd. De verzorging van zijn vader zal eveneens onmogelijk zijn. Daarnaast kampt eiser met psychische problemen en zijn de klachten met betrekking tot het hielbeen verergerd, waarvoor medische behandeling noodzakelijk is. Daarbij kan zijn overlevering in de weg staan aan de afwikkeling van de door hem aangespannen echtscheidingsprocedure. Voorts gaat eiser gebukt onder een zeer grote schuldenlast. Verder kan eiser op grond van artikel 36 Olw niet worden overgeleverd nu er een strafrechtelijke vervolging jegens eiser in Nederland loopt.

2.3. Gedaagde voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. Kern van het geschil betreft de vraag of gedaagde onrechtmatig handelt jegens eiser door tot feitelijke overlevering van eiser over te gaan.

3.2. Artikel 35 lid 3 Olw strekt tot uitvoering van artikel 23 van het Kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie (hierna: het Kaderbesluit) betreffende het EAB en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie van 13 juni 2002. Artikel 23 van het Kaderbesluit bepaalt dat de overlevering bij wijze van uitzondering tijdelijk kan worden opgeschort om ernstige humanitaire redenen, bijvoorbeeld indien er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat die overlevering het leven of de gezondheid van de gezochte persoon ernstig in gevaar zou brengen. Feitelijke overlevering kan op de voet van artikel 35 lid 3 Olw bij wijze van uitzondering achterwege blijven zolang er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan, in het bijzonder zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de opgeëiste persoon niet verantwoord is om te reizen. Uit de tekst van deze bepaling alsmede in lijn met het Kaderbesluit en de bedoeling van de wetgever vloeit voort dat om ernstige humanitaire redenen feitelijke overlevering uitgesteld kan worden, maar niet dat overlevering geweigerd kan worden. Indien en voor zover de vordering van eiser ziet op een algeheel verbod om eiser feitelijk over te leveren, dient de vordering van eiser te worden afgewezen doch de voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat deze strekt tot opschorting van de overlevering. Overwogen wordt in dit verband als volgt.

3.3. In dit kort geding dient beoordeeld te worden of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat in het geval van eiser geen sprake is van ernstige humanitaire redenen die (voorlopig) aan de feitelijke overlevering van eiser in de weg staan. Vooropgesteld wordt dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van ernstige humanitaire redenen in voormelde zin, de officier van justitie een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, hetgeen meebrengt dat zijn oordeel in kort geding slechts marginaal kan worden getoetst.

3.4. De 'ernstige humanitaire redenen' bestaan volgens eiser in een slechte gezondheid van zijn vader en de daarmee samenhangende verzorging, de echtscheidingsprocedure waarin hij is verwikkeld, de gezondheid van eiser (zowel psychisch als lichamelijk) en zijn schuldenlast indien hij wordt overgeleverd aan Hongarije. Volgens gedaagde bestaat er geen aanleiding om de feitelijke overlevering van eiser op deze grond langer uit te stellen.

3.5. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting kan niet worden afgeleid dat bij eiser sprake is van ongeschiktheid om te reizen. Bovendien doet zich niet het geval voor dat overlevering het leven of de gezondheid van eiser ernstig in gevaar brengt. Ter zitting heeft eiser aangevoerd dat sprake is van ernstige lijdensdruk. Terecht heeft gedaagde aangevoerd dat in overleveringszaken als de onderhavige het veelvuldig voorkomt dat betrokkene in de loop van de overleveringsprocedure te kampen krijgt met toenemende lijdensdruk en psychische klachten en dat dit enkele gegeven niet de conclusie rechtvaardigt dat overlevering het leven of de gezondheid van eiser ernstig in gevaar brengt. Niet valt in te zien op welke grond de behandeling van het hielbeen en de psychische klachten van eiser in Nederland dient plaats te vinden. Redengevend hiervoor is het volgende. Aangenomen moet worden dat de medische zorg in Hongarije, ook in detentie, even goed is als in Nederland en dat de klachten van eiser even zo goed in Hongarije als in Nederland kunnen worden gediagnosticeerd en behandeld. Gelet hierop is de brief van 29 oktober 2010 van de Hongaarse rechter Edit Vajda van belang dat eiser in geval van medische zorg en/of psychische problemen gepaste zorg zal worden gegeven. Dat de Hongaarse autoriteiten eiser niet op een goede wijze zullen behandelen is voorshands niet gebleken. Hoewel de voorzieningenrechter kan begrijpen dat eiser voor zijn vader wil zorgen en bang is dat deze tijdens zijn afwezigheid zal sterven, bestaat er geen aanleiding om de feitelijke overlevering van eiser uit te stellen. Te meer nu hij reeds is gedetineerd en derhalve ook niet voor zijn vader kan zorgen. Evenmin is de door eiser aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure een grond voor uitstel. Van gedaagde kan gelet op het systeem van het overleveringsrecht niet worden verlangd dat de feitelijke overlevering wordt uitgesteld totdat voornoemde procedure is afgewikkeld. Bovendien heeft eiser de zitting van 15 oktober 2010 kunnen bijwonen. Ook de omstandigheid dat eiser een zeer grote schuldenlast heeft en door zijn overlevering niet zijn vaardigheden kan onderhouden om zijn groot rijbewijs te mogen behouden, kan echter als zodanig geen aanleiding zijn om de feitelijke overlevering uit te stellen nu zulks inherent is aan detentie.

3.6. Gelet op het voorgaande heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er ernstige humanitaire redenen bestaan die aan de feitelijke overlevering in de weg staan.

3.7. Vervolgens is de vraag aan de orde of aan eiser een beroep toekomt op artikel 36 lid 1 Olw nu er een strafrechtelijke vervolging in Nederland loopt. Op grond van het bepaalde in dit artikel wordt de beslissing omtrent de tijd en plaats van de feitelijke overlevering aangehouden, indien van een dergelijke situatie sprake is. In een dergelijk geval kan de Minister van Veiligheid en Justitie, na advies van het openbaar ministerie, bepalen dat en onder welke voorwaarden de opgeëiste persoon ten behoeve van diens berechting reeds aanstonds voorlopig ter beschikking van de uitvaardigende justitiële autoriteit kan worden gesteld, aldus het tweede lid van dit artikel.

3.8. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 36 lid 1 Olw. Ter zitting heeft gedaagde in dit verband toegezegd dat totdat over de voorlopige terbeschikkingstelling tussen de Minister van Veiligheid en Justitie en de Hongaarse autoriteiten overeenstemming is bereikt, eiser feitelijk niet zal worden overgeleverd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat gedaagde wat dat betreft op zijn woord moet kunnen worden geloofd. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat gedaagde de hiervoor bedoelde toezegging zal nakomen. Te meer nu eiser in ieder geval onvoldoende heeft gesteld om aan te (kunnen) nemen dat het anders zal lopen dan gedaagde heeft aangevoerd. Daarmee ontvalt de basis aan de vordering van eiser. Deze zal dan ook worden afgewezen.

3.9. Eiser zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het gevorderde af;

- veroordeelt eiser in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van gedaagde begroot op € 1.376,--, waarvan

€ 816,-- aan salaris advocaat en € 560,-- aan griffierecht;

- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2010.

mn