Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4529

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-05-2010
Datum publicatie
19-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/15034 & AWB 10/15033
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Somalië; asiel; artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83

Naar oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder ontoereikend weerlegd dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld in het kader van het aan de gang zijnde gewapend conflict, dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83. Mede gezien het door verzoekers overgelegde rapport van Human Rights Watch van januari 2010 lopen burgers een reëel risico slachtoffer te worden van onvoorspelbare aanvallen van de strijdende partijen, waarbij zij als menselijk schild worden gebruikt door de oppositiepartijen. Daarnaast lopen ontheemden, indien zij zich weten te onttrekken aan de aanvallen op hun woongebied, tijdens hun vlucht of in ontheemdennederzettingen in geheel Somalië het risico slachtoffer te worden van bedreiging, mishandeling, verkrachting en beroving, dan wel van de slechte humanitaire situatie, waarbij gebrek aan water, voedsel en hygiëne eveneens kan leiden tot ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83. Verweerder heeft zich hier geen rekenschap van gegeven. Verweerder heeft de weigering verzoeker op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vreemdelingenwet 2000 in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Beroep gegrond, vernietiging van het besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 10 / 15034 (voorlopige voorziening)

AWB 10 / 15033 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 11 mei 2010

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Somalische nationaliteit,

verzoeker,

gemachtigde, tevens raadsman: mr. M.J.A. Leijen, advocaat te Alkmaar,

tegen:

de minister van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mrs. J.W. Kreumer en W. Graafland, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 16 april 2010 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 21 april 2010 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit op 21 april 2010 beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 21 april 2010 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 4 mei 2010. Omdat verzoeker niet was aangevoerd is het onderzoek ter zitting geschorst en voortgezet op 11 mei 2010. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

Het verzoek om een voorlopige voorziening

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 In de hoofdzaak toetst de voorzieningenrechter het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.4 De aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is afgewezen in het kader van de zogenoemde aanmeldcentrumprocedure (ac-procedure). Een aanvraag kan in dat kader worden afgewezen, indien dit zonder schending van eisen van zorgvuldigheid binnen 48 proces-uren kan geschieden.

2.5 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.6 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Bij de beoordeling worden de in artikel 31, tweede lid, Vw bedoelde omstandigheden betrokken.

2.7 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Verzoeker behoort tot de [..]-clan. Verzoekers broer was een sportman. Hij werd op een dag benaderd door Al Shabaab, die wilden dat hij zich in zou zetten voor de gewapende jihad, maar verzoekers broer weigerde dat. Al Shabaab heeft verzoeker en zijn broer bedreigd. Verzoekers broer is hierop op illegale wijze naar Jemen gereisd, maar onderweg is de boot waar hij op zat gezonken. Verzoekers broer is vermist. Verzoekers vader is door het slechte nieuws verlamd geraakt. Verzoeker zelf werd in eerste instantie niet bedreigd door Al Shabaab. Verzoeker werkte als vrijwilliger voor de Rode Maan op de luchthaven van Mogadishu. Verzoeker kreeg steeds problemen omdat leden van de Al Shabaab hem vroegen waarom hij niet bad en zich niet gedroeg en hem daarnaast vragen stelden over zijn werk voor de Rode Maan. Zij beschuldigden verzoeker ervan te werken voor ongelovigen. Op een dag werd verzoeker benaderd met vragen over zijn werk op de luchthaven. Verzoeker besloot daarom een jaar geleden te stoppen met zijn werk, omdat hij bang was dat hij anders zou worden benaderd met het verzoek iets te vervoeren voor Al Shabaab. Alleen stoppen met werken zou niet genoeg zijn, omdat dan de ouders van verzoeker het risico zouden lopen als pressiemiddel te worden gebruikt. Verzoeker besloot daarom het land te verlaten.

2.8 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover hier van belang en samengevat, op het volgende standpunt gesteld. Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat er hem persoonlijk betreffende feiten en omstandigheden bestaan, die zijn vrees voor vervolging rechtvaardigen. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt dat de leden van de beweging Al Shabaab hem slechts vragen hebben gesteld. Verzoeker heeft hieraan zelf de conclusie verbonden dat hij wellicht in de toekomst een opdracht zou kunnen krijgen. Dit vermoeden heeft verzoeker niet nader onderbouwd of geconcretiseerd. Hierbij is van belang dat verzoeker een jaar geleden weliswaar drie keer is aangesproken door leden van Al Shabaab, maar sindsdien niets meer van hen heeft vernomen. Nu verzoeker gedurende die periode zijn normale leven in Mogadishu heeft voortgezet, wordt niet realistisch geacht dat verzoeker in de negatieve belangstelling van Al Shabaab is komen te staan en heeft te vrezen voor vervolging. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling welke is verboden in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verder is niet aannemelijk geworden dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (richtlijn 2004/83). In Zuid- en Centraal-Somalië is geen sprake van een zodanige situatie, dat moet worden aangenomen dat iedere burger aldaar een reëel risico op ernstige schade loopt. Verzoeker komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, Vw.

2.9 Verzoeker heeft hiertegen in beroep, voor zover hier van belang, het volgende aangevoerd. Verzoeker verwijst naar de zienswijze. Verzoekers vrees voor Al Shabaab is reëel. Verzoeker heeft hem persoonlijke omstandigheden aangevoerd waardoor hem door Al Shabaab een bepaalde geloofs- of politieke overtuiging is toegedicht. Verzoeker doet verder een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83. Verzoeker verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 26 januari 2010 (geregistreerd onder nummer 200905017/1/V2, LJN: BL1483), waar ook in de zienswijze naar verwezen is. Verweerder is hier ten onrechte niet op ingegaan, evenals de overgelegde informatie van het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2010 en Human Rights Watch van april 2010. Verwacht had mogen worden dat verweerder op andere wijze motiveert waarom geen sprake is van een uitzonderlijke situatie dan nu is gedaan. De argumenten zoals verwoord in het voornemen en het besluit zijn al eerder naar voren gebracht bij de Afdeling en de Afdeling heeft deze motivering in de uitspraak van 26 januari 2010 al ontoereikend geacht. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft verzoeker de volgende documenten overgelegd:

- een uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2010 met als onderliggende stukken de pleitnota van de landsadvocaat, de uitspraak in eerste aanleg van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Almelo en het hoger beroepschrift;

- een public statement van Amnesty International van 9 maart 2010, getiteld “Somalia: protecting the rights of Somali internally displaced people (IDPs);

- een rapport van Amnesty International van maart 2010, getiteld “No end in sight: the ongoing suffering of Somalia’s civilians”;

- een rapport Human Rights Watch van januari 2010 met betrekking tot Somalië;

- een bericht van UNHCR van 28 januari 2010, getiteld “Extremely serious-strong warning on security, human rights and humanitarian situation in Somalia”;

- een uitdraai van een website van IRIN van 19 april 2010, getiteld “Somalia: minister urges WFP to release food from Mogadishu stores”;

- een uitdraai van een website van IRIN van 27 april 2010, getiteld “Somalia: where fun is forbidden”;

- een bericht van Artsen zonder Grenzen van (onleesbare datum in) februari 2010, getiteld “66 women and children, injured by indiscriminate shelling, admitted to Daynile Hospital in Mogadishu, Somalia”;

- een uitdraai van de website www.reliefweb.int, van een bericht gedateerd op 31 maart (jaartal niet genoemd), getiteld “Clan clashes in central Somalia kill 16”;

- een uitdraai van de website www.reliefweb.int, van een bericht gedateerd op 21 april (jaartal niet genoemd), getiteld “Somalia clashes kills 11, five headless bodies found”;

- een uitdraai van de website www.allafrica.com, van een bericht gedateerd op 25 april 2010, getiteld “Somalia: 10 killed in fres Mogadishu shelling”;

- een uitdraai van de website www.allafrica.com, van een bericht gedateerd op 26 april 2010, getiteld “Somalia: 10 killed and 50 wounded in fighting”;

- een uitdraai van de website www.allafrica.com, van een bericht gedateerd op 27 april 2010, getiteld “Somalia: mortars kill about 10 people in Mogadishu”;

- een uitdraai van de website www.allafrica.com, van een bericht gedateerd op 28 april 2010, getiteld “Somalia: 21 people killed in Mogadishu violence”;

- een uitdraai van de website www.allafrica.com, van een bericht gedateerd op 29 april 2010, getiteld “Somalia: Al Shabaab fighters expand in central region, ten killed”;

- een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 februari 2010, geregistreerd onder nummers AWB 10 / 1921 en 10 / 1919.

Met betrekking tot het afschaffen van het categoriaal beschermingsbeleid had verweerder zich rekenschap moeten geven van artikel 16, tweede lid, richtlijn 2004/83. De bescherming van artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83 kan in de vorm van toepassing van het categoriaal beschermingsbeleid worden verleend.

2.10 Ter zitting heeft verzoeker nog een beroep gedaan op de uitspraak van de Afdeling van 9 april 2010 (geregistreerd onder nummer 200908661/1) en van 26 maart 2010 (geregistreerd onder nummer 200905772/1). Daarnaast heeft verzoeker zich beroepen op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 23 april 2010 (LJN: BM2697) en van nevenzittingsplaats Zwolle, van 12 februari 2010 (geregistreerd onder nummer AWB 10/1919, gepubliceerd op Vluchtweb.nl).

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder ten aanzien van verzoekers beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw heeft overwogen dat de door verzoeker gestelde vrees niet reëel wordt geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verweerder hierin worden gevolgd. Verzoeker heeft verklaard een aantal maal door leden van Al Shabaab te zijn benaderd en dat hem vragen zijn gesteld, maar hieruit heeft verzoeker niet zonder meer kunnen concluderen dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag door deze groepering. De stelling van verzoeker, dat, gelet op de onveilige situatie in Somalië, eerder geconcludeerd kan worden dat hij gegronde redenen heeft te vrezen voor vervolging, doet er niet aan af. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, is onvoldoende grond om te concluderen dat zijn asielmotieven voldoende zwaarwegend zijn voor een geslaagd beroep op het Vluchtelingenverdrag.

2.12 Ten aanzien van het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83 overweegt de rechtbank als volgt. In de uitspraak van 25 mei 2009 (LJN: BI4791) heeft de Afdeling overwogen dat artikel 15, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder e, richtlijn 2004/83, uitsluitend bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid aldaar een reëel risico loopt op de in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83 bedoelde ernstige bedreiging. Voorts heeft de Afdeling overwogen dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 van het EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling – gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in het hiervoor genoemd arrest NA. tegen het Verenigd Koninkrijk – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83.

2.13 Niet is in geschil dat verzoeker afkomstig is uit Mogadishu. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het aan verzoeker is om aannemelijk te maken dat er in het gebied van herkomst sprake is van een uitzonderlijke situatie als hiervoor bedoeld en dat verzoeker hierin niet is geslaagd. Verweerder heeft ter motivering hiervan in het voornemen en het bestreden besluit, voor zover hier van belang, het volgende overwogen. Volgens verweerder is geheel Zuid- en Centraal-Somalië aan te merken als een gebied waarbinnen een gewapend conflict plaats heeft. Ten behoeve van de beoordeling van de veiligheidssituatie kijkt verweerder onder meer naar de aard en intensiteit van het geweld, de vluchtelingenstromen binnen en vanuit Zuid- en Centraal-Somalië en de gevolgen voor de burgerbevolking. Verweerder heeft in het onderhavige geval vastgesteld dat de veiligheidssituatie in Zuid- en Centraal-Somalië onverminderd slecht is en er in Mogadishu sprake is van hevige gevechten en er voorts sprake is van willekeurig geweld en ernstige en wijdverspreide schendingen van mensenrechten. De aard en intensiteit van het geweld zijn aanleiding voor voortdurende en bijzondere zorg, maar hebben niet zodanige vormen aangenomen dat moet worden geconcludeerd dat iedere burger een reëel risico loopt op ernstige schade. Bij deze beoordeling is onder meer betrokken het aantal burgerslachtoffers, gerelateerd aan het aantal inwoners van Zuid- en Centraal-Somalië. Voorts zijn de vluchtelingenstromen in ogenschouw genomen. De grote vluchtelingenstromen en het grote aantal ontheemden kunnen worden gezien als een bevestiging van de slechte situatie in het gebied, maar tevens duidt dit erop dat grote aantallen personen in staat zijn zich binnen Somalië te bewegen, op het moment dat sprake is van gewelddadigheden, naar gebieden die rustiger zijn. De geweldssituatie heeft ook duidelijk invloed op de bredere humanitaire situatie, die slecht is te nomen. Dit wordt mede veroorzaakt door de slechte voedselsituatie. Niet is echter gebleken dat deze situatie zodanig slecht is, dat reeds daarom iedere burger een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarbij is van belang dat in Somalië, ondanks alle belemmeringen, non-gouvernementele organisaties, VN- en andere internationale organisaties actief zijn.

2.14 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder hiermee ontoereikend weerlegd dat in Zuid- en Centraal-Somalië sprake is van een zodanige mate van willekeurig geweld in het kader van het aan de gang zijnde gewapend conflict, dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83. Hierbij is het volgende redengevend.

2.15 Hetgeen door verweerder in het voornemen en bestreden besluit is overwogen met betrekking tot de stelling dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie, is reeds eerder in hoger beroep, geregistreerd onder nummer 200905017/1/V2, bij de Afdeling aangevoerd. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 26 januari 2010 op dat hoger beroep heeft geoordeeld, heeft verweerder, gelet op de aard en intensiteit van het geweld als gevolg van het conflict en de gevolgen daarvan voor de burgerbevolking, met de stelling dat in het aantal burgerslachtoffers geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie, ontoereikend gemotiveerd dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de mate van willekeurig geweld in Mogadishu dermate hoog was, dat zwaarwegende gronden bestonden om aan te nemen dat een burger, louter door zijn aanwezigheid aldaar, op dat moment een reëel risico liep op ernstige schade. De rechtbank ziet geen aanleiding thans op basis van dezelfde argumentatie tot een ander oordeel te komen.

2.16 Nog afgezien van het vorenstaande heeft het volgende te gelden. Onder het aantal door verweerder van belang geachte burgerslachtoffers, verstaat verweerder niet meer dan het aantal doden en gewonden. In navolging van hetgeen deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, in de uitspraak van 23 april 2010 (geregistreerd onder nummer AWB 10 / 5495, LJN: BM2697) reeds heeft overwogen, wordt geoordeeld dat verweerder een te beperkte invulling geeft aan hetgeen onder ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83 kan worden verstaan. Bij de beoordeling of een burger bij terugkeer naar een land te vrezen heeft voor een reëel risico op ernstige schade, komt, naast handelingen die het leven (direct) bedreigen, ook betekenis toe aan handelingen die op zichzelf wellicht niet levensbedreigend zijn, maar wel de persoon van een burger bedreigen. Derhalve valt niet in te zien waarom in deze context geen betekenis zou toekomen aan het risico slachtoffer te worden van verkrachting, willekeurige arrestatie of detentie, welke handelingen door artikel 3 EVRM zijn verboden. Dit klemt te meer, nu uit het ambtsbericht en de door verzoeker overgelegde informatie blijkt dat de veiligheidssituatie in geheel Somalië, met inbegrip van Somaliland en Puntland, in de verslagperiode slecht was. Geregeld vonden in de verslagperiode gewelddadigheden plaats. De geweldsincidenten vonden plaats in een context van straffeloosheid en gebrek aan overheidsgezag die gedurende de verslagperiode in grote delen van Somalië heerste. Ook was de effectiviteit van de politie en het justitiële apparaat slecht. Naast deze straffeloosheid zorgt strijd tussen strijdende partijen voor een slechte veiligheidssituatie in geheel Somalië. Er vonden in de verslagperiode gevechten tussen de voornaamste groeperingen plaats, alsook clangevechten. Deze gevechten werden op lagere niveaus uitgevochten door (sub)clanmilities die vaak in wisselende allianties opereren en daarom moeilijk in kaart zijn te brengen. Naast gevechten tussen de diverse groeperingen vonden in deze verslagperiode ook geregeld gerichte moordaanslagen en ontvoeringen plaats. Deze moordaanslagen en ontvoeringen waren voornamelijk gericht tegen politici en medewerkers van de TFG en de UIC, de Verenigde Naties, hulpverleners, journalisten, mensenrechtenactivisten en leden van het maatschappelijk middenveld. Ook personen die ervan verdacht worden voor de TFG, de Verenigde Naties, de Ethiopische troepen of een hulp- of mensenrechtenorganisatie te werken of te hebben gewerkt, liepen het gevaar vermoord of ontvoerd te worden. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van maart 2010 met betrekking tot Somalië (hierna: het ambtsbericht) dat het reizen in Centraal- en Zuid-Somalië gedurende de verslagperiode risicovol was, met name in de buurt van steden of locaties waar strijd werd geleverd. Ook kregen reizigers te maken met wegversperringen die door rebellengroeperingen of door de TFG werden bemand. Naast het feit dat reizigers vaak hoge bedragen moesten betalen om een wegversperring te passeren, hebben zich gevallen voorgedaan van verkrachting, mishandeling en moord bij de wegversperringen.

2.17 Ten aanzien van de stelling dat in de grote vluchtelingenstromen en het grote aantal ontheemden geen aanleiding wordt gevonden voor het aannemen van een uitzonderlijke situatie, oordeelt de rechtbank dat verweerder daarin niet kan worden gevolgd. Hoewel verweerder het bestaan van deze grote vluchtelingenstromen en het grote aantal ontheemden ziet als bevestiging van de slechte situatie in het gebied, is daarnaast opgemerkt dat deze migratiestroming erop duidt dat grote aantallen personen in staat zijn zich te onttrekken aan de geweldssituatie door zich naar (relatief) veiliger gebieden te begeven. Hiermee miskent verweerder naar het oordeel van de rechtbank dat, blijkens het ambtsbericht, veel ontheemden te kampen hadden met een slechte veiligheidssituatie en gebrek aan water, voedsel en medische voorzieningen. Verder was er een gebrek aan sanitaire voorzieningen en hygiëne, wat ziektes tot gevolg had. Daarnaast ontvingen ontheemden onvoldoende humanitaire hulp als gevolg van de slechte veiligheidssituatie in Centraal- en Zuid-Somalië. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat zowel tijdens hun vlucht als in ontheemdennederzettingen ontheemden in geheel Somalië geregeld het slachtoffer zijn geworden van bedreiging, mishandeling, verkrachting en beroving.

2.18 Daarnaast blijkt uit de door verzoeker overgelegde “Public statement” van Amnesty International van 9 maart 2010 dat “the work of humanitarian agencies has been hampered by targeted killings of aid workers and by strict limits imposed on their work. […] Access to people in need of emergency aid has also been limited because parties to the conflict have obstructed access.”

2.19 In het door verzoeker overgelegde rapport van Human Rights Watch van januari 2010 is, voor zover op dit punt van belang, nog het volgende opgenomen: “The capital Mogadishu is wracked by indiscriminate warfare in which all parties are implicated in war crimes or other serious human rights abuses. Much of the rest of the country is now under the control of local administrations linked to armed opposition groups. In many of these areas the population has suffered abusive application of Sharia law and forced conscription of civilians, including children, as militia fighters. A humanitarian crisis of enormous proportions is unfolding […] Some 3.75 million people –roughly half of Somalia’s remaining population- are in urgent need of humanitarian assistance. More than a million people are displaced from their homes within Somalia […].

In 2009 Mogadishu continued to be torn apart by indiscriminate warfare. Its dwindling civilian population continues to bear the brunt of fighting between armed opposition groups, and the Transitional Federal Government (TFG) and African Union Mission in Somalia (AMISOM) forces. […] All parties to the conflict in Mogadishu have been implicated in war crimes in 2009. […] The use of civilians as human shields for indiscriminate attacks, often with the apparent intention of attracting reprisals that claim still more civilian lives, is a common opposition tactic. […] AMISOM forces have come under sustained attack, including deadly suicide bombings, and have on some occasions responded by firing mortars indiscriminately into opposition-controlled neighbourhoods. […] In February 2009, AMISOM forces were accused of firing indiscriminately into crowds of civilians after coming under attack in Mogadishu. […]

The delivery of humanitarian assistance to Somalia has been severely hampered by the prevailing insecurity and by threats specifically targeting humanitarian agencies. Most of the humanitarian agencies operating in Somalia have had to dramatically curtail their operations or have been driven out of south-central Somalia altogether. In opposition-controlled areas where millions of Somalis are in need of assistance, humanitarians have come under regular threat by al-Shabaab and other groups. […].”

2.20 Uit bovengenoemde informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat ontheemden zich in een uitermate zorgelijke positie bevinden, waarbij niet op voorhand kan worden gesteld dat deze groep personen zich daadwerkelijk naar een veiliger gebied kunnen begeven. Hierbij is allereerst van belang dat burgers, blijkens bovengenoemde informatie, een reëel risico lopen slachtoffer te worden van onvoorspelbare aanvallen van de strijdende partijen, waarbij zij als menselijk schild worden gebruikt door de oppositiepartijen. Daarnaast lopen ontheemden, indien zij zich weten te onttrekken aan de aanvallen op hun woongebied, tijdens hun vlucht of in ontheemdennederzettingen in geheel Somalië het risico slachtoffer te worden van bedreiging, mishandeling, verkrachting en beroving, dan wel van de slechte humanitaire situatie, waarbij gebrek aan water, voedsel en medische voorzieningen en een gebrek aan sanitaire voorzieningen en hygiëne eveneens kan leiden tot ernstige schade als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn 2004/83. Verweerder heeft zich hier evenmin rekenschap van gegeven.

2.21 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder de weigering verzoeker op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw in het bezit te stellen van de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd. Het bestreden besluit komt derhalve op grond van artikel 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking.

2.22 Reeds hierom dient het beroep gegrond te worden verklaard. De overige gronden behoeven geen nadere bespreking.

2.23 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

2.24 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, worden deze bedragen ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

3.4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

3.5 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met het beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.C. Greeuw, voorzieningenrechter, en op 11 mei 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van drs. S.R.N. Parlevliet, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze het beroep tegen het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag, het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om toekenning van schadevergoeding betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Tegen deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.

Let wel:

Gegrondverklaring van het beroep betekent niet dat eiser op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. Uit de uitspraak blijkt dat de voorzieningenrechter een aantal beroepsgronden van verzoeker uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen. Als verzoeker het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de voorzieningenrechter komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.