Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4287

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
09-655546-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is in het openbaar op klaarlichte dag in gevecht geraakt met de partner van zijn schoonmoeder. Tijdens dit gevecht heeft verdachte het slachtoffer geslagen, in zijn vinger gebeten en een stuk van het oor van het slachtoffer afgebeten. Werkstraf van 180 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer 09/655546-09

Datum uitspraak: 16 november 2010

(Verkort vonnis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [plaats] op [datum] 1970,

adres: [adres].

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 2 november 2010.

De verdachte, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. R.P. Peters heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 1, 2 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 1.175,- en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 1.175,-, subsidiair 21 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer].

De tenlastelegging.

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon [slachtoffer] van het leven te beroven, opzettelijk met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen/gedrukt en/of gedurende langere, althans enige tijd dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met kracht de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen/gedrukt en/of gedurende langere, althans enige tijd dichtgeknepen/dichtgedrukt heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage aan een persoon genaamd

[slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een afgestorven/afgevallen (gedeelte van een) oor), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met kracht een stukje van het oor van die [slachtoffer] af te bijten, althans in het oor van die [slachtoffer] te bijten;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Ik maak je dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

hij op of omstreeks 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), in de vinger heeft gebeten en/of meermalen heeft gestompt en/of geslagen tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Vrijspraak.

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 en 3 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt het volgende.

t.a.v. feit 1

Verdachte wordt verweten dat hij geprobeerd heeft [slachtoffer] van het leven te beroven door zijn keel opzettelijk met kracht dicht te knijpen.

Op grond van de verklaringen van verdachte, aangever en enkele getuigen staat vast dat verdachte zijn arm om de nek van aangever heeft geslagen en dat hij hem vervolgens op de grond heeft gegooid. Wat betreft het dichtknijpen van de keel lopen de verklaringen echter uiteen. De getuige [getuige 1], die het incident vanuit haar woning heeft waargenomen, heeft tegenover de politie verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte aangever met beide handen bij zijn hals/keel heeft gegrepen. Verdachte heeft verklaard dat op de grond een worsteling heeft plaatsgevonden en dat hij tijdens die worsteling met één hand op de borst van aangever heeft gedrukt om hem tegen de grond te houden. Ter terechtzitting heeft hij met klem ontkend dat hij, zoals aangever en diens partner [A], als getuige, hebben verklaard, de keel van aangever heeft dichtknepen.

Op grond van de verklaringen van voornoemde getuigen en het onderzoek ter terechtzitting heeft de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet de overtuiging bekomen dat verdachte de keel van [slachtoffer] enige tijd heeft dichtgeknepen en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat sinds enige tijd sprake was van een gespannen verhouding tussen aangever en zijn partner enerzijds en verdachte anderzijds. De rechtbank houdt daarmee rekening bij de waardering van de verklaringen van de kant van aangever over het dichtknijpen van de keel door verdachte. Verder acht de rechtbank van belang dat getuige [getuige 1] weliswaar heeft verklaard dat zij heeft gezien dat verdachte aangever bij de hals/keel heeft gegrepen, maar zij zegt niet te hebben gezien dat hij de keel van aangever heeft dichtgeknepen. De medische verklaring van 25 oktober 2008 vormt evenmin grond voor die conclusie. Daaruit valt niet af te leiden dat de striem, die de behandelende arts in de hals van aangever heeft waargenomen, het gevolg is geweest van het dichtknijpen van de keel. Niet is uit te sluiten dat die striem tijdens de worsteling door iets anders is veroorzaakt. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat vrijspraak voor dit feit dient te volgen.

t.a.v. feit 2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank voorts van oordeel dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de bedreiging.

De bewijsmiddelen.

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring.

Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan acht de rechtbank bewezen en is zij tot de overtuiging gekomen dat de verdachte de op de dagvaarding onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - dat:

2.

hij op 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door opzettelijk met kracht een stukje van het oor van die [slachtoffer] af te bijten;

4.

hij op 24 oktober 2008 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer]), in de vinger heeft gebeten en meermalen heeft gestompt en/of geslagen tegen het lichaam, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde.

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden.

De verdediging heeft voor wat betreft de feiten 1, 2 en 4 subsidiair een beroep gedaan op noodweer en meer subsidiair op noodweerexces door te stellen dat [slachtoffer] als eerste een klap heeft gegeven en dat meteen daarop ook diens partner verdachte begon te slaan. Verdachte heeft onder die omstandigheden gehandeld uit noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf (en goed) tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, al dan niet (onbedoeld) met overschrijding van de noodzakelijke verdediging.

De rechtbank is ten aanzien van de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten van oordeel dat de inhoud van het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om vast te kunnen stellen dat er sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de kant van [slachtoffer]. Er zijn door de verdediging evenmin feiten of omstandigheden aangedragen die het voorgaande aannemelijk doen worden. Bovendien kan niet worden geoordeeld dat voldaan is aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Uit de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 3], die de worsteling vanuit de bus hebben gezien, en ook die van de getuige [getuige 1] blijkt immers dat aangever weinig anders kon doen dan de slagen van verdachte af te weren. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte op meerdere momenten de keuze had om weg te gaan. Het is de rechtbank dan ook onduidelijk waarom verdachte zich niet aan de bewuste situatie heeft kunnen onttrekken. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.

Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, slaagt het beroep op noodweerexces evenmin.

Strafmotivering.

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is in het openbaar op klaarlichte dag in gevecht geraakt met de partner van zijn schoonmoeder. Tijdens dit gevecht heeft verdachte het slachtoffer geslagen, in zijn vinger gebeten en een stuk van het oor van het slachtoffer afgebeten. Het slachtoffer heeft hierdoor blijvend letsel opgelopen. Het stukje oor is aan het oor gehecht, maar is uiteindelijk alsnog afgestorven en verwijderd. Door zijn handelen heeft verdachte pijn en letsel bij het slachtoffer veroorzaakt. Naast de angst van het moment is niet uit te sluiten dat het slachtoffer ook psychisch nadelige gevolgen van de mishandeling ondervindt. Naar de ervaring leert, plegen slachtoffers van dergelijke feiten daaronder nog geruime tijd te lijden. Verdachte heeft bovendien niet alleen gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij het slachtoffer, maar ook bij de mensen die hier ongewild getuige van zijn geweest.

Verdachte is, blijkens een hem betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 12 oktober 2010, niet eerder met politie en justitie in aanraking geweest.

De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies betreffende verdachte, op 22 april 2010 opgemaakt door Reclassering Nederland. Uit het advies blijkt dat verdachte in zijn dagelijks leven adequaat omgaat met spanningen en irritaties. Er is geen terugkerend patroon in het gedrag van verdachte te zien dat wijst op disfuncties in zijn agressie- en emotieregulatie. De reclassering krijgt de indruk dat het om een eenmalig incident gaat. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. Reclasseringstoezicht en interventies/behandelingen zijn volgens de reclassering niet geïndiceerd.

Dergelijke ernstige feiten rechtvaardigen doorgaans een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet echter gelet op het tijdsverloop aanleiding om hiervan af te wijken. Zij stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op berechting binnen een redelijke termijn, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. In dit geval neemt de rechtbank als uitgangspunt voor de aanvang van de redelijke termijn dat verdachte op 24 oktober 2008 in verzekering is gesteld. De zaak is vervolgens eerst op 2 november 2010 ter terechtzitting behandeld. Daarmee is sprake van een onvoldoende voortvarende behandeling van de zaak, ook als daarbij in aanmerking wordt genomen dat de zaak enige tijd is blijven liggen teneinde gegevens over het definitieve letsel van het slachtoffer te verkrijgen. De rechtbank zal dit in de strafmaat compenseren.

Gelet op al het vorenstaande acht de rechtbank een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij.

[slachtoffer], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 304,-.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post 'release fee for dog and cat', de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien hier naar het oordeel van de rechtbank geen sprake is van rechtstreekse schade, toegebracht door de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten kleding en handdoek, van zo eenvoudige aard dat dit deel van de vordering zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit deel van de vordering is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de onder 2 en 4 bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien dit deel van de vordering in zoverre niet van zo eenvoudige aard is dat het zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De officier van justitie heeft vastgesteld dat de vordering van de benadeelde partij geen betrekking heeft op de immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden. Zij heeft voorts, nadat zij telefonisch contact heeft opgenomen met de benadeelde partij en overleg heeft gehad met slachtofferhulp, de vordering tot schadevergoeding in verband met de immateriële schade bepaald op € 1.000,-. Op grond van artikel 51b van het Wetboek van Strafvordering is een handtekening van de benadeelde partij niet vereist en bovendien zijn volgens de officier van justitie de benodigde gegevens aanwezig. De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering in zoverre gevorderd.

De rechtbank ziet echter binnen de wettelijke bepalingen geen ruimte om een dergelijke vordering tot schadevergoeding aan te merken als zijnde een vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]. De rechtbank zal om die reden ook geen beslissing nemen op de gedane vordering.

De toepasselijke wetsartikelen.

De op te leggen straf en maatregel is gegrond op de artikelen:

- 9, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Beslissing.

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

zware mishandeling

ten aanzien van feit 4:

mishandeling

verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 180 (honderdtachtig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 90 (negentig) DAGEN;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer], een bedrag van € 254,-.

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat hij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 254,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. Poustochkine,voorzitter,

Frenkel en Goudswaard, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. Den Braber, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 november 2010.

Mr. Goudswaard is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.