Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4179

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
10/12210
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Trefwoorden: Asiel, frustratie onderzoek, verstrekken onjuiste gegevens, C4/2.5 van de Vc 2000, zelfstandige afwijzingsgrond

Samenvatting: Verweerder heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat eiser het onderzoek naar zijn reisroute heeft gefrustreerd, doordat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstigere positie kwam te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren, hetgeen als contra indicatie voor statusverlening wordt aangemerkt. Aan een inhoudelijke beoordeling van het relaas is verweerder om die reden niet toegekomen. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting (onder meer) verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 9 februari 2010 (AWB 09 / 44689). Voornoemde uitspraak heeft betrekking op het manipuleren van vingertoppen. De strekking van deze jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank dat door het manipuleren van vingertoppen vreemdelingen het onderzoek zo frustreren, dat het reeds om die reden onmogelijk is om onderzoek te doen naar een eventueel land van eerder verblijf, de identiteit en nationaliteit van de betreffende vreemdelingen en de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Weliswaar heeft verweerder ook in die zaken, de contra-indicatie als beschreven in onderdeel C4/2.5 tegengeworpen, doch uiteindelijk is vanwege de onmogelijkheid om onderzoek te doen naar identiteit en nationaliteit en de geloofwaardigheid van het asielrelaas, de asielvergunning geweigerd op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze jurisprudentie dan ook niet dat het verstrekken van onjuiste gegevens een zelfstandige afwijzingsgrond is. Nu de frustratie van eiser bovendien niet van dien aard is geweest dat verweerder niet meer in staat was om de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas te beoordelen, verklaart de rechtbank het beroep van eiser reeds om die reden gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittinghoudende te Roermond

Sector bestuursrecht, enkelvoudige kamer

Vreemdelingenkamer

Procedurenummer: AWB 10 / 12210

Uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:70 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

[eiser], eiser,

gemachtigde mr. J.A.A. Vos, advocaat te ’s-Hertogenbosch,

tegen

de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder.

1. Procesverloop

1.1. In deze uitspraak worden de rechtsvoorgangers van de minister voor Immigratie en Asiel eveneens aangeduid als verweerder.

1.2. Bij fax van 1 april 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 maart 2010. Bij dit besluit heeft verweerder geweigerd eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000) te verlenen. Voorts heeft verweerder bij dit besluit geweigerd eiser ambtshalve een verblijfsvergunning regulier als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 onder de beperking verband houdende met ‘verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling’ (hierna: amv) te verlenen.

1.3. Bij schrijven van 30 april 2010 heeft eiser de gronden van het beroep ingediend.

1.4. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden. De ingezonden stukken zijn in afschrift aan eiser gezonden.

1.5. De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2010, alwaar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Sweerts.

2. Overwegingen

2.1. Eiser is volgens zijn verklaring geboren op 1 februari 1991 en in het bezit van de Somalische nationaliteit. Eiser behoort tot de (sub)clan Hawiye-Abgaal. Eiser heeft op

10 september 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000.

2.2. Ter onderbouwing van voormelde aanvraag heeft eiser kort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat hij afkomstig is uit Mogadishu. In 2006 zijn eiser en zijn vrienden benaderd door personen van de Islamitische rechtbank met de vraag om deel te nemen aan een Jihad. Eiser heeft toen te kennen gegeven dat de jongeren niet wilden vechten in het kader van een Jihad. Voorts heeft eiser verklaard dat hij zich medio 2007 op initiatief van zijn oom heeft aangesloten bij de ‘Medine’, zijnde een groep jongeren die de wijk moesten beschermen tegen ongeregeldheden. Eiser heeft verklaard dat de personen van de Islamitische rechtbank toen hebben vernomen dat eiser en zijn oom betrokken zijn geweest bij de oprichting van deze ‘Medine’. De Islamitische rechtbank is vervolgens twee keer bij eiser thuis langs geweest. Daar hebben deze personen gevraagd naar eisers oom. Deze personen hebben te kennen gegeven dat bij een derde bezoek zowel eiser als zijn oom zou worden gedood. Eiser is toen uit angst om te worden vermoord ondergedoken bij vrienden. Ook de oom van eiser is ondergedoken. Na een week is eiser met zijn tante naar een vluchtplek buiten Mogadishu vertrokken. Begin 2008 heeft eiser zijn land van herkomst verlaten.

2.3. Bij brief van 20 november 2009 heeft verweerder aan eiser bekend gemaakt dat hij voornemens is de aanvraag af te wijzen.

2.4. Van de aan hem geboden gelegenheid zijn zienswijze omtrent dit voornemen kenbaar te maken, heeft eiser gebruik gemaakt bij schrijven van 4 februari 2010.

2.5. Bij besluit van 11 maart 2010 heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen, op grond van het bepaalde in artikel 31, eerste lid in samenhang met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f van de Vw 2000. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat eiser het onderzoek naar zijn reisroute heeft gefrustreerd, doordat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstigere positie kwam te verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren, hetgeen als contra indicatie voor statusverlening wordt aangemerkt. Aan een inhoudelijke beoordeling van het relaas is verweerder om die reden niet toegekomen. Verweerder heeft bij het bestreden besluit tevens meegedeeld geen aanleiding te zien om eiser ambtshalve in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking amv.

2.6. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting richt het beroep zich tegen verweerders besluit voor zover eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Het beroep van eiser is niet gericht tegen het besluit voor zover verweerder tevens heeft besloten hem geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder de beperking amv.

2.7. Ter beoordeling van de rechtbank is aldus de vraag of het bestreden besluit van

11 maart 2010 voor zover in geschil de rechterlijke toets kan doorstaan. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.8. Voor zover hier van belang luidde artikel 29 van de Vw 2000, ten tijde hier van belang:

“1. Een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 kan worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. (…).”

2.9. Voor zover hier van belang luidt artikel 1 van de Vw 2000:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(...)

k. Vluchtelingenverdrag: het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen (Trb. 1954, 88) en het bijbehorende Protocol van New York van 1967 (Trb.1967, 76);

l. Verdragsvluchteling: de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn. (...).”

2.10. Ingevolge het Vluchtelingenverdrag is sprake van vluchtelingschap in het geval dat betrokkene, uit gegronde vrees voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, politieke overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit en de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen.

2.11. Ingevolge artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, afgewezen, indien sprake is van één van de in deze bepaling genoemde omstandigheden.

2.12. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

2.13. Op grond van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek of de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel kan worden afgewezen mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.14. Blijkens onderdeel C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc 2000) is voor de beoordeling van de asielaanvraag onderbouwing van de volgende elementen van belang: de identiteit, de nationaliteit, de reisroute en het asielrelaas van de vreemdeling. Wanneer is vastgesteld dat ten aanzien van één of meer van de vier elementen documenten ontbreken, wordt onderzocht of het aannemelijk is dat het ontbreken van documenten niet aan de vreemdeling is toe te rekenen.

2.15. Ten aanzien van de stelling van verweerder dat sprake is van toerekenbare ongedocumenteerdheid als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, overweegt de rechtbank als volgt.

2.16. Blijkens het (in het bestreden besluit geïncorporeerde) voornemen werpt verweerder eiser tegen dat hij geen documenten heeft overgelegd om zijn reisroute aannemelijk te maken. Naar dezerzijds oordeel heeft verweerder zich redelijkheid op voormeld standpunt kunnen stellen. Eiser heeft verklaard dat hij vliegreizen heeft gemaakt vanuit Mogadishu, via Hargeisha en Djibouti, naar Dubai en vanuit Griekenland naar Nederland. Eiser heeft echter geen vliegtickets of andere verifieerbare bewijzen overgelegd van de door hem gestelde vliegreizen. Evenmin heeft eiser tickets of andere indicatieve reisdocumenten van de bootreis vanuit Turkije naar Griekenland overgelegd. Ten aanzien van de door eiser gestelde omstandigheid dat de reisagent de tickets onder zich heeft gehouden, is de rechtbank van oordeel dat verweerder deze omstandigheid onvoldoende heeft kunnen achten. De rechtbank verwijst dienaangaande naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zie onder meer de uitspraak van 8 oktober 2002, JV 2002/414. Daarnaast is ook niet gebleken dat er sprake was van enige vorm van dwang van de zijde van de reisagent.

2.17. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van coherente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute van eiser vanuit Somalië tot Nederland. De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard met betrekking tot de door hem afgelegde reisroute, hetgeen niet is betwist. Daarenboven heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van eiser verwacht mag worden dat hij in staat is om meer informatie te verstrekken over zijn reis dan dat hij heeft gedaan. Hiermee wordt verweerder immers in de gelegenheid gesteld de verklaringen van eiser over de afgelegde reisroute te beoordelen. In dit verband heeft verweerder aan eiser kunnen tegengeworpen dat hij geen informatie kan verschaffen over relatief eenvoudige zaken als waar in Griekenland hij heeft verbleven, vanuit welke luchthaven in Griekenland hij is vertrokken en in welke luchthaven in Nederland hij is aangekomen. Voor zover eiser in zijn gronden van beroep heeft aangevoerd dat hij in zijn eerste gehoor wel diverse gegevens heeft verstrekt die zijn te verifiëren door verweerder, overweegt de rechtbank dat deze gegevens enkel en alleen betrekking hebben op het eerste gedeelte van zijn gestelde reisroute. Met betrekking tot het tweede deel van zijn reisroute heeft eiser geen verifieerbare gegevens aangevoerd.

2.18. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat in het geval van eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 van toepassing is.

2.19. Vervolgens ligt de vraag voor of verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een contra-indicatie voor statusverlening. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

2.20. In paragraaf C4/2.5 van de Vc 2000 is opgenomen dat een contra-indicatie voor statusverlening is de omstandigheid dat een vreemdeling onjuiste gegevens aan de Nederlandse autoriteiten verstrekt dan wel de juiste gegevens verzwijgt, teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt verkeren dan waarin hij zonder deze onjuiste gegevens zou verkeren. In deze paragraaf is een opsomming gegeven wat hieronder wordt verstaan. In deze opsomming wordt onder meer de omstandigheid vermeld dat de vreemdeling niet heeft vermeld dat hij vóór zijn komst naar Nederland heeft verbleven in een ander land.

2.21. Niet in geschil is dat eiser niet direct tijdens zijn eerste gehoor heeft verklaard dat hij langere tijd in een ander Dublin-land (Griekenland) heeft verbleven. Eiser heeft in zijn gronden van beroep echter gesteld dat er geen sprake was van het opzettelijk frustreren van het onderzoek.

2.22. De rechtbank overweegt dienaangaande dat eiser in zijn eerste gehoor (pagina 9) de vraag van de gehoorambtenaar of hij een rechtstreekse vlucht vanuit Dubai naar Nederland heeft genomen, bevestigend heeft beantwoord. Na de pauze werd eiser door de gehoorambtenaar geconfronteerd met het feit dat uit dactyloscopisch onderzoek is gebleken dat hij op 13 mei 2008 in Griekenland is geweest. Op dat moment heeft eiser ontkend dat hij in Griekenland is geweest en heeft eiser verklaard dat er sprake moet zijn geweest van een misverstand (pagina 10). Pas in het nader gehoor (pagina 3) heeft eiser verklaard dat hij toch in Griekenland is geweest, maar dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Griekenland. Eiser heeft verklaard dat hij deze informatie heeft achtergehouden, omdat hem in Griekenland is meegedeeld dat zijn vingerafdrukken niet in een ander land bekend zouden worden gemaakt. Gelet op deze verklaringen is de rechtbank van oordeel dat eiser willens en wetens de informatie met betrekking tot zijn eerdere verblijf heeft achtergehouden voor de Nederlandse autoriteiten. Voor zover eiser heeft verklaard dat hij niet wist dat Griekenland tot Europa behoort, overweegt de rechtbank dat (daargelaten of van eiser al dan niet mocht worden verwacht dat hij zich op de hoogte stelde van de door hem af te leggen reis en derhalve van eiser verwacht mocht worden dat Griekenland tot Europa behoort) eiser tijdens zijn eerste gehoor expliciet is gevraagd of hij in Griekenland is geweest. Eiser heeft toen echter ontkennend geantwoord.

2.23. Gelet op de verklaringen zoals weergegeven onder 2.22 en de resultaten die uit het dactyloscopisch onderzoek verkregen zijn, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser ten aanzien van zijn reisroute gegevens heeft verzwegen, teneinde te bewerkstelligen dat hij in een gunstiger positie komt te verkeren dan waarin hij zonder deze gegevens zou verkeren. In zoverre heeft eiser het onderzoek naar zijn reis- en asielrelaas gefrustreerd. Verweerder heeft derhalve, conform zijn beleid zoals neergelegd in paragraaf C4/2.5 van de Vc 2000, aan eiser als contra-indicatie mogen tegenwerpen dat hij het onderzoek heeft gefrustreerd.

2.24. De rechtbank overweegt voorts dat deze contra-indicatie een omstandigheid is die niet in artikel 31, tweede lid van de Vw 2000 wordt genoemd, maar die wel moet worden betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. De vraag die vervolgens beantwoord dient te worden, is of er sprake is van een zelfstandige afwijzingsgrond, in zoverre dat reeds vanwege het tegenwerpen van de contra-indicatie, verweerder de asielvergunning heeft mogen weigeren zonder het asielrelaas van eiser inhoudelijk te beoordelen.

2.25. Verweerders gemachtigde heeft gesteld dat reeds op grond van het verstrekken van onjuiste gegevens verweerder de verzochte verblijfsvergunning heeft mogen weigeren. Verweerders gemachtigde heeft ter zitting verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 9 februari 2010 (AWB 09 / 44689).

2.26. De rechtbank overweegt allereerst dat uit de tekst van onderdeel C4/2.5 van de

Vc 2000 niet blijkt dat het verstrekken van onjuiste gegevens een zelfstandige afwijzingsgrond vormt. Voorts overweegt de rechtbank dat de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 9 februari 2010 niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. Die zaak heeft betrekking op het manipuleren van vingerafdrukken, waardoor het onmogelijk is gebleken een goed dactyloscopisch signalement van de betreffende vreemdeling te vervaardigen. De jurisprudentie betreffende het manipuleren van vingerafdrukken is door de Afdeling gesanctioneerd. In de uitspraak van de Afdeling van

6 oktober 2009 (LJN: BJ9922) heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, overwogen dat:

“ (…) 2.2.1 Uit de tekst van de artikelen 30, eerste lid, en 31, eerste lid, van de Vw 2000 en hun onderlinge verhouding volgt, zoals ook in voormelde paragraaf C14/2 van de Vc 2000 uiteengezet is, dat eerst dient te worden beoordeeld of een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28, moet worden afgewezen op één van de gronden van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, alvorens wordt toegekomen aan een beoordeling van de aanvraag in het licht van artikel 31, eerste en tweede lid, van die wet. (…)

2.2.4. (…) Zolang evenwel niet is komen vast te staan dat sprake is van één van de in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde omstandigheden, dient de staatssecretaris over te gaan tot de beoordeling of de desbetreffende vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen. Daarbij geldt evenwel dat door het niet kunnen beschikken over een goed dactyloscopisch signalement van die vreemdeling de mogelijkheid voor de staatssecretaris om te onderzoeken of bij de beoordeling terzake van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 bepaalde omstandigheden, als bedoeld in het tweede lid van die bepaling, mede dienen te worden betrokken, evenzeer wordt bemoeilijkt. (…)

2.2.6 (…) Door toerekenbaar geen documenten, als bedoeld in die bepaling, te overleggen en voorts zijn vingertoppen zodanig te manipuleren dat geen goed dactyloscopisch signalement kan worden opgemaakt, heeft de vreemdeling de staatssecretaris elke mogelijkheid ontnomen om zijn asielaanvraag te beoordelen met behulp van objectieve gegevens, zoals voormelde documenten en een dactyloscopisch signalement. Nu het niet kunnen beschikken over evenbedoelde objectieve gegevens geheel is toe te rekenen aan de vreemdeling, bestaat onder deze omstandigheden geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het onmogelijk is om onderzoek te doen naar de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling en de geloofwaardigheid van diens asielrelaas en de asielaanvraag derhalve reeds om die reden op grond van artikel 31, eerste lid, mede gelezen in verband met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 dient te worden afgewezen.(…)”

2.27. Uit deze jurisprudentie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat door het manipuleren van vingertoppen vreemdelingen het onderzoek zo frustreren, dat het reeds om die reden onmogelijk is om onderzoek te doen naar een eventueel land van eerder verblijf, de identiteit en nationaliteit van de betreffende vreemdelingen en de geloofwaardigheid van het asielrelaas. Weliswaar heeft verweerder zowel in deze zaak van de Afdeling als in de zaak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 6 oktober 2009, de contra-indicatie als beschreven in onderdeel C4/2.5 tegengeworpen, doch uiteindelijk is vanwege de onmogelijkheid om onderzoek te doen naar identiteit en nationaliteit en de geloofwaardigheid van het asielrelaas, de asielvergunning geweigerd op grond van artikel 31, eerste lid van de Vw 2000. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze jurisprudentie dan ook niet dat het verstrekken van onjuiste gegevens een zelfstandige afwijzingsgrond is.

2.28. Zoals de rechtbank reeds heeft geoordeeld is ook in de onderhavige zaak sprake van frustratie van het onderzoek. Deze frustratie bestond echter uit het verzwijgen van een eerder verblijf in een Dublin-land. Eiser heeft in eerste instantie weliswaar willens en wetens achtergehouden dat hij in een ander Dublin-land is geweest, maar verweerder heeft aan de hand van objectief onderzoek vast kunnen stellen dat hij in een ander Dublin-land is geweest. In zoverre is de frustratie van eiser niet van dien aard geweest dat verweerder niet meer in staat was om de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas te beoordelen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat de jurisprudentie betreffende het manipuleren van vingerafdrukken niet toepasbaar is in de onderhavige zaak.

2.29. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit dan ook niet deugdelijk gemotiveerd is en genomen is in strijd met het in artikel 3:46 Awb neergelegde motiveringsbeginsel.

2.30. De rechtbank ziet evenwel reden om ook het beroep van eiser op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn juncto artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 te beoordelen. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

2.31. Gelet op het feit dat eiser pas op zitting voor het eerst een beroep heeft gedaan op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn, heeft verweerder primair verzocht om dit beroep wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

2.32. De rechtbank is van oordeel dat eisers beroep inderdaad pas op zitting is ingebracht, doch dat zij geen reden ziet om deze beroepsgrond wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten. De rechtbank overweegt daartoe dat verweerder bij brief van 12 oktober 2010 heeft aangegeven zich niet te verzetten tegen een gegrondverklaring van het beroep van eiser, omdat door verweerder wordt erkend dat in het onderhavige besluit sprake is van een motiveringsgebrek ten aanzien van toetsing aan artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Nu verweerder nog voordat eiser een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn heeft gedaan, na een inhoudelijke beoordeling heeft beoordeeld dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, ziet de rechtbank geen reden om verweerder door die late inbrenging van deze beroepsgrond in zijn belangen geschaad te achten en merkt zij deze gang van zaken niet aan als in strijd met de goede procesorde. Voor zover verweerders gemachtigde ter zitting heeft gesteld dat het weergegeven standpunt in de brief van 12 oktober 2010 slechts een subsidiair standpunt betreft, overweegt de rechtbank dat dit geenszins blijkt uit voornoemde brief.

2.33. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat uit de omstandigheid dat verweerder heeft erkend dat er een motiveringsgebrek is ten aanzien van de toetsing aan de grond als genoemd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, verweerder er blijk van heeft gegeven dat de beoordeling van het asielrelaas niet juist is geweest.

2.34. De rechtbank zal op grond van het vorenstaande het ten aanzien van eiser genomen besluit van 11 maart 2010 vernietigen en het beroep gegrond verklaren. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met deze procedure, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden twee punten toegekend (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting) met een waarde van € 437,= per punt. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor één.

2.35. Nu tot op heden toezending van een toevoeging is uitgebleven, gaat de rechtbank ervan uit dat aan gemachtigde van eiser geen toevoeging is verstrekt. Het bedrag van de proceskosten dient derhalve aan eiser te worden vergoed.

2.36. Beslist wordt zoals aangegeven in rubriek 3.

2.37. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank nog op dat blijkens voorgaande overwegingen een aantal van de beroepsgronden van eiser uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen. Als eiser wil voorkomen dat de uitspraak op dit punt in rechte vast komt te staan, zal hij ook al is het bestreden besluit op een andere grond vernietigd tegen dit onderdeel van de uitspraak hoger beroep moeten instellen.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van verweerder van 11 maart 2010;

bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiser begroot op € 874,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiser.

Aldus gedaan door mr. F.H. Machiels in tegenwoordigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 november 2010.

w.g. mr. D.D.R.H. Lechanteur,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de griffier,

verzonden op: 9 november 2010

Een belanghebbende en het bestuursorgaan kunnen tegen deze uitspraak binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC te ’s Gravenhage. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 bevat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak. Artikel 6:5 van de Awb bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak.