Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4160

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-11-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/6900 en 10/6370 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Paspoortwet

artikel 52 van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001

artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht

Verzoek om een voorlopige voorziening te treffen ter zake van het besluit van de Ambassadeur van de Nederlandse Ambassade te Dakar, Senegal, van 14 september 2010, waarbij de door verzoeker op 20 mei 2010 bij de Nederlandse Ambassade te Dakar ingediende paspoortaanvraag buiten behandeling is gesteld.

De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit van 14 september 2010 is genomen in strijd artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2000, LJN: AP5460.

Verweerder, althans de minister van Buitenlandse Zaken, heeft ter zitting medegedeeld dat de procedure ingevolge de Paspoortwet niet volledig aansluit op de Awb op dit punt. Ingevolge de procedure op grond van de Paspoortwet wordt een aanvraag buiten behandeling gesteld, terwijl de aanvraag op grond van de Awb dan zou moeten worden afgewezen. Verweerder gaat er van uit dat de Paspoortwet in dit opzicht is te beschouwen als een lex specialis. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder dat de procedure ingevolge de Paspoortwet leidend is niet, nu de buiten behandelingstelling alleen volgt uit de PUB en niet uit de Paspoortwet. De bepalingen ingevolge de Awb zijn derhalve leidend. Verweerder dient de aanvraag van verzoeker dan ook inhoudelijk te beoordelen. Dit kan worden hersteld in de te nemen beslissing op bezwaar.

Verweerder heeft ter zitting in het kader van de inhoudelijke beoordeling reeds medegedeeld dat twijfel bestaat met betrekking tot de Nederlandse nationaliteit van verzoeker en of verzoeker deze terecht heeft gekregen en dat voorts, zij het in mindere mate, twijfel bestaat aan de identiteit van verzoeker.

De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op hetgeen verzoeker in zijn aanvraag heeft vermeld met betrekking tot zijn Nederlandse nationaliteit en hetgeen hij in het kader van zijn aanvraag bij het intakegesprek heeft verklaard, voldoende twijfel heeft kunnen ontstaan met betrekking tot zijn nationaliteit en - in mindere mate - zijn identiteit. Op grond hiervan heeft verweerder in redelijkheid aan verzoeker kunnen vragen om in ieder geval het KB in te zenden althans van verzoeker mogen verlangen dat hij dit stuk in zijn bezit heeft.

Voor zover verweerder het oogmerk heeft om te beoordelen of verzoeker terecht de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, overweegt de voorzieningenrechter dat dit oordeel is voorbehouden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Verweerder dient zich te onthouden van onderzoek op dit punt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3

Reg.nrs.: AWB 10/6900 en 10/6370 BESLU

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

op het verzoek om een voorlopige voorziening van

[Verzoeker], wonende te [plaats (buitenland)],

gemachtigde mr. P.H. Hillen,

ter zake van

1 het besluit van de Ambassadeur van de Nederlandse Ambassade te Dakar, Senegal, verweerder, van 14 september 2010, waarbij de door verzoeker op 20 mei 2010 bij de Nederlandse Ambassade te Dakar ingediende paspoortaanvraag buiten behandeling is gesteld.

Bij brief van 27 september 2010 heeft verzoeker tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij bij brief van 1 oktober 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 10/6900 BESLU).

2 het e-mailbericht van 30 juni 2010 van de Consulaire Afdeling HMA Dakar, Senegal, waarbij de gemachtigde van verzoeker is geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de paspoortaanvraag van verzoeker en is medegedeeld dat verzoeker, tot het onderzoek is afgelopen, ook niet in aanmerking komt voor een laissez-passer.

Bij brief van 1 juli 2010 heeft verzoeker tegen dit e-mailbericht bezwaar gemaakt. Voorts heeft hij bij brief van 9 september 2010 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (AWB 10/6370 BESLU).

3 De verzoeken zijn op 4 november 2010 ter zitting behandeld.

Verzoeker is verschenen bij gemachtigde.

Verweerders, althans de minister van Buitenlandse Zaken, hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Sevriens.

I OVERWEGINGEN

1Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.1 Eiser heeft op 20 mei 2010 een aanvraag ingediend bij de Nederlandse Ambassade te Dakar, Senegal, voor afgifte van een Nederlands paspoort.

2.2 Na overleg met de minister van Buitenlandse Zaken is besloten een nader onderzoek naar de nationaliteit van verzoeker op te starten. Bij brief van 26 mei 2010 is verzoeker verzocht binnen vier weken na ontvangst van die brief een aantal stukken over te leggen, waaronder het Koninklijk Besluit (hierna: KB) met betrekking tot zijn naturalisatie. Daarbij is medegedeeld dat de aanvraag buiten behandeling zal worden gesteld als de gevraagde stukken niet binnen de gestelde termijn zijn ontvangen op het Honorair Consulaat te Conakry.

Verzoeker heeft deze brief op 16 juni 2010 in ontvangst genomen door tussenkomst van de Honorair Consul te Conakry.

2.3 Bij brief van 16 juni 2010 heeft de gemachtigde van verzoeker verweerder

medegedeeld dat, indien hij juist is geïnformeerd, het Nederlandse paspoort van verzoeker sedert december 2008 is verlopen. Verlenging van dit paspoort zou door de ambassade geweigerd zijn, waarbij de gemachtigde van verzoeker aanneemt dat de ambassade ook (in ieder geval impliciet) een afwijzende beslissing heeft genomen op verstrekking van een laissez-passer. De gemachtigde van verzoeker heeft verweerder verzocht hem een afschrift te zenden van het door de ambassade aangelegde dossier van verzoeker.

2.4 Bij mailnotitie van 29 juni 2010 heeft de gemachtigde van verzoeker verweerder

medegedeeld dat in de brief van 16 juni 2010 is verzocht om aan te geven waarom aan verzoeker geen laissez-passer is verstrekt. Daarbij is verweerder verzocht om de brief van 16 juni 2010 te beantwoorden.

2.5 Bij het thans bestreden e-mailbericht van 30 juni 2010 is de gemachtigde van verzoeker geïnformeerd over de stand van zaken met betrekking tot de paspoortaanvraag van verzoeker en is medegedeeld dat verzoeker, tot het onderzoek is afgelopen, ook niet in aanmerking komt voor een laissez-passer.

2.6 Bij het thans bestreden besluit van 14 september 2010 is de door verzoeker op

20 mei 2010 bij de Nederlandse Ambassade te Dakar ingediende paspoortaanvraag buiten behandeling gesteld omdat de opgevraagde documenten niet zijn ontvangen van verzoeker.

3 Gelet op het standpunt van verzoeker dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft en terug wil keren naar Nederland, neemt de voorzieningenrechter met betrekking tot de voorliggende verzoeken om een voorlopige voorziening spoedeisend belang aan.

Met betrekking tot AWB 10/6900 BESLU

4.1 Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt een besluit om de aanvraag niet te behandelen aan de aanvrager bekendgemaakt binnen vier weken nadat de aanvraag is aangevuld of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

4.2 Ingevolge artikel 9 van de Paspoortwet heeft iedere Nederlander binnen de grenzen

bij deze wet bepaald, recht op een nationaal paspoort, geldig voor vijf jaren en voor alle landen.

4.3 In artikel 26, eerste lid, aanhef en onder d., van de Paspoortwet is bepaald dat in het

buitenland tot het in ontvangst nemen van aanvragen voor nationale paspoorten bevoegd is: het hoofd van de daartoe aangewezen consulaire post, voor zover het personen betreft die zich in zijn ressort of in het ressort van een onder zijn verantwoordelijkheid staande consulaire post bevinden.

4.4 In artikel 28, eerste lid, van de Paspoortwet is voor de in artikel 26 bedoelde autoriteit de verplichting opgenomen zich de nodige zekerheid over de identiteit en de nationaliteit van de aanvrager te verschaffen en, indien deze geen Nederlander is, tevens met betrekking tot diens verblijfstitel.

Het tweede en derde lid van genoemd artikel bevatten bepalingen terzake het overleggen van bewijsstukken door de aanvrager en het in de regel persoonlijk verschijnen van de aanvrager voor het doen van de aanvraag.

4.5 In artikel 9, eerste lid, van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001 (hierna: PUB) is bepaald dat voor het verkrijgen van de nodige zekerheid over het Nederlanderschap van de aanvrager gebruik wordt gemaakt van het door deze overgelegde Nederlandse reisdocument, alsmede van de door de aanvrager bij de aanvraag verstrekte gegevens.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel wordt, indien onzekerheid blijft bestaan over het Nederlanderschap van de aanvrager, daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, en eventuele andere bewijsstukken.

4.6 Ingevolge artikel 52, eerste lid, van de PUB wordt een aanvraag waarbij niet is voldaan aan het bepaalde in de artikelen 9 tot en met 51 niet in behandeling genomen.

5.1 De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat het bestreden besluit is genomen door de Ambassadeur van de Nederlandse Ambassade te Dakar en niet namens de minister van Buitenlandse Zaken. De minister van Buitenlandse Zaken heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen. Voor zover het bestreden primaire besluit onbevoegd is genomen, kan de minister van Buitenlandse Zaken dit in de te nemen beslissing op bezwaar herstellen.

5.2 Bij brief van 26 mei 2009 is aan verzoeker verzocht binnen vier weken nadat hij voor ontvangst van deze brief heeft getekend zijn verblijfsvergunning voor Guinee, een verklaring van de Guinese autoriteiten dat hij de Guinese nationaliteit niet bezit en die ook nog nooit heeft bezeten (gelegaliseerd), het KB met betrekking tot zijn naturalisatie en zijn geboorteakte (gelegaliseerd) in te leveren. Verzoeker diende uiterlijk op 14 juli 2010 te reageren. Verzoeker heeft dit nagelaten.

De voorzieningenrechter constateert dat het bestreden besluit van 14 september 2010 is genomen in strijd artikel 4:5, vierde lid, van de Awb. Hiertoe wordt verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 juli 2000, LJN: AP5460.

Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat de procedure ingevolge de Paspoortwet niet volledig aansluit op de Awb op dit punt. Ingevolge de procedure op grond van de Paspoortwet wordt een aanvraag buiten behandeling gesteld, terwijl de aanvraag op grond van de Awb dan zou moeten worden afgewezen. Verweerder gaat er van uit dat de Paspoortwet in dit opzicht is te beschouwen als een lex specialis. Mocht dit standpunt niet worden gevolgd, dan zal de aanvraag in de te nemen beslissing op bezwaar worden afgewezen, aldus verweerder.

De voorzieningenrechter volgt het standpunt van verweerder dat de procedure ingevolge de Paspoortwet leidend is niet, nu de buiten behandelingstelling alleen volgt uit de PUB en niet uit de Paspoortwet. De bepalingen ingevolge de Awb zijn derhalve leidend. Verweerder dient de aanvraag van verzoeker dan ook inhoudelijk te beoordelen. Dit kan worden hersteld in de te nemen beslissing op bezwaar.

5.3 Verweerder heeft ter zitting in het kader van de inhoudelijke beoordeling reeds medegedeeld dat twijfel bestaat met betrekking tot de Nederlandse nationaliteit van verzoeker en of verzoeker deze terecht heeft gekregen en dat voorts, zij het in mindere mate, twijfel bestaat aan de identiteit van verzoeker.

De voorzieningenrechter overweegt dat, gelet op hetgeen verzoeker in zijn aanvraag heeft vermeld met betrekking tot zijn Nederlandse nationaliteit en hetgeen hij in het kader van zijn aanvraag bij het intakegesprek heeft verklaard, voldoende twijfel heeft kunnen ontstaan met betrekking tot zijn nationaliteit en - in mindere mate - zijn identiteit. Op grond hiervan heeft verweerder in redelijkheid aan verzoeker kunnen vragen om in ieder geval het KB in te zenden althans van verzoeker mogen verlangen dat hij dit stuk in zijn bezit heeft.

Voor zover verweerder het oogmerk heeft om te beoordelen of verzoeker terecht de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, overweegt de voorzieningenrechter dat dit oordeel is voorbehouden aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Verweerder dient zich te onthouden van onderzoek op dit punt.

6 Op grond van het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Met betrekking tot AWB 10/6370 BESLU

1De voorzieningenrechter overweegt dat in de brief van 16 juni 2010 geen verzoek om een laissez-passer dan wel nooddocument kan worden gelezen. De strekking van deze brief is daartoe onvoldoende concreet. Derhalve is geen sprake van een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb.

2Het e-mailbericht van 30 juni 2010 is bovendien een informatief bericht over de lopende procedure met betrekking tot de paspoortaanvraag. De enkele vermelding dat verzoeker, tot het onderzoek is afgelopen, ook niet in aanmerking komt voor een laissez-passer, dient in dit kader te worden bezien. Het e-mailbericht van 30 juni 2010 bevat derhalve op dit punt geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.

3 Op grond van het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

4 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

II BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

in AWB 10/6900 BESLU:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

in AWB 10/6370 BESLU:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. C. Fetter, als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van de griffier A.J. Faasse - van Rossum.

Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.