Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4159

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
AWB 08/2946 WRO en AWB 08/3966 WRO
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bouwvergunning en vrijstelling ex art. 19.1 WRO voor de bouw van een kantoorgebouw met parkeergarage op de zgn. U-bochtlocatie te Leiden. In dit geval acht de rechtbank het voeren van de vrijstellingsprocedure op basis van een bouwenvelop niet in strijd met het systeem van de wet. Geen sprake van een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting op de gevels van omliggende woningen. In de gevolgen van het bouwplan voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid ter plaatse heeft het college geen aanleiding hoeven zien vrijstelling te weigeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 1, meervoudige kamer

Reg.nrs.: AWB 08/2946 WRO en AWB 08/3966 WRO

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

1. Vastproduct C.V. en VastNed Offices/Industrial N.V., gevestigd te Rotterdam, eiseressen,

gemachtigde mr. M.H.J. van Driel;

2. [A] en 39 anderen, allen wonende te Leiden, eisers,

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder.

Derde partij: Eurocommerce Projectontwikkeling B.V., gevestigd te Deventer, vergunninghoudster.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 2 oktober 2007, verzonden op 9 oktober 2007, heeft verweerder aan vergunninghoudster met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling en gelijktijdig reguliere bouwvergunning verleend voor de bouw van een kantoorgebouw met parkeergarage op het perceel, kadastraal bekend gemeente Leiden, sectie [...], plaatselijk bekend Dellaertweg (U-bochtlocatie).

Tegen dit besluit hebben eiseressen sub 1 en eisers sub 2 bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij uitspraak van 6 december 2007, zaaknummer AWB 07/8399 WRO, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door eiseres sub 2 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Bij besluit van 8 april 2008, verzonden 18 april 2008, heeft verweerder, overeenkomstig het advies voor de Commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften (hierna: de commissie) van 26 maart 2008, de bezwaren van eiseressen sub 1 en eisers sub 2 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eiseressen sub 1 bij brief van 21 april 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, zaaknummer AWB 08/2946 WRO, beroep ingesteld. De gronden zijn daarna aangevuld.

Eisers sub 2 hebben bij brief van 28 mei 2008, ingekomen bij de rechtbank op dezelfde datum, zaaknummer AWB 08/3966 WRO, beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 11 september 2008, zaaknummer AWB 08/2786 WRO, heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het door eiseressen sub 1 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft bij brief van 16 december 2008 haar zienswijze op de beroepen gegeven.

Eiseressen sub 1 hebben enige stukken overgelegd.

De beroepen zijn op 5 oktober 2009 gevoegd ter zitting behandeld.

Namens eiseressen sub 1 is verschenen hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr . A. Kooi en drs. A. Nijssen. Namens vergunninghoudster is verschenen [B], bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort, advocaat te Enschede.

Voorts zijn verschenen P. Künzel, verkeerskundige werkzaam bij de gemeente Leiden, en

R. Heemskerk, werkzaam bij de Milieudienst West-Holland.

Op 13 oktober 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en bepaald dat verweerder binnen 6 weken meedeelt hoeveel de ter plaatse van de gevels van de woningen van eisers sub 2 toegestane maximale geluidbelasting bedraagt, alsmede hoeveel naar verwachting de werkelijk ten gevolge van het bouwplan optredende toename van de geluidbelasting zal bedragen.

Bij brief van 23 december 2009 heeft verweerder een rapport van de Milieudienst West-Holland van 21 december 2009 en een akoestisch onderzoek van Adviesburo Nieman van 17 december 2009 overgelegd.

Eiseressen sub 1 hebben vervolgens bij brief van 12 januari 2010 een reactie ingediend. Verweerder heeft daarop bij brieven van 18 februari 2010 en 14 april 2010 gereageerd. Vergunninghoudster heeft bij brief van 16 april 2010 een reactie ingediend.

Bij brief van 7 mei 2010 hebben eiseressen sub 1 verzocht het onderzoek te heropenen met betrekking tot de bereikbaarheid van hun terrein en pand.

Eiseressen sub 1 hebben bij brief van16 augustus 2010 nadere stukken ingediend.

De beroepen zijn op 30 augustus 2010 opnieuw ter zitting behandeld.

De rechtbank heeft ter zitting besloten het onderzoek mede ten aanzien van de bereikbaarheid van het terrein en pand van eiseressen sub 1 te heropenen.

Eiser [A] is in persoon verschenen. Namens eiseressen sub 1 is verschenen hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Kooij.

Voorts zijn verschenen H. Verkuil, werkzaam bij de Milieudienst West-Holland en

J.H. Hogendoorn, werkzaam bij de verkeersdienst van de gemeente Leiden.

Namens vergunninghoudster is verschenen [C], bijgestaan door mr. M.H. Blokvoort.

II OVERWEGINGEN

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden en is de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) ingetrokken. Verder zijn bij de inwerkingtreding van de Invoeringswet Wro op 1 juli 2008 enkele bepalingen van de Woningwet (Wow) gewijzigd. Aangezien de aanvraag om bouwvergunning en impliciet dus ook het verzoek om vrijstelling dateert van vóór 1 juli 2008, zijn in dit geval nog de bepalingen van de WRO en de Wow van toepassing zoals deze destijds, vóór 1 juli 2008 luidden.

Het bouwplan, waarvoor vergunninghoudster op 14 maart 2007 een aanvraag om reguliere bouwvergunning heeft ingediend, voorziet in de bouw van een kantoorgebouw met een netto vloeroppervlakte van circa 32.000 m2 (45 m hoog, 173 m lang en 49 m breed), een ondergrondse parkeergarage (2 lagen, 340 parkeerplaatsen) (totaal 45.000 m2 en een bovengrondse fietsenstalling. Het plan omvat tevens infrastructurele aanpassingen, zoals het verleggen van de Dellaertweg.

Aangezien de ruimte op de U-bochtlocatie beperkt is (ongeveer 35 m bij 200 m), is er tevens voor gekozen een deel van de Dellaertweg te overkluizen.

Het bouwplan wordt gerealiseerd op de strook grond die begrensd wordt door de Schipholweg, Dellaertweg en het Schuttersveld, nabij station Leiden Centraal.

Eiseressen sub 1 zijn eigenaar van het naastgelegen perceel en het daarop gevestigde kantoorpand aan de Schipholweg [nummer]. Eisers sub 2 wonen aan de Boerhaavelaan, het Swammerdampad en de Rijnsburgerweg in de nabijheid van het bouwplan aan de overzijde van de spoorbaan. Het kantoorgebouw zal door Achmea worden gehuurd.

Gebleken is dat de afstand tussen het bouwplan en de woningen van eisers sub 2 115 meter of meer bedraagt. Gelet op de omvang van het bouwplan staat vast dat alle eisers als belanghebbenden bij het bestreden besluit zijn aan te merken.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van 26 maart 2008 van de commissie overgenomen. In dit advies is vermeld dat verweerder heeft aangegeven dat er tussen het gebouw van eiseressen sub 1 en het te realiseren kantoorgebouw voldoende ruimte is om tot een goede verkeersafwikkeling (inclusief laden en lossen) te komen. Voor de definitieve inrichting van het gebied wordt gewerkt aan een voorontwerp, waarbij onder meer aandacht zal worden besteed aan de verkeerssituatie en de te nemen verkeersbesluiten. Met eiseressen is afgesproken dat er met hen afstemming over het voorontwerp zal plaatsvinden. Na het vaststellen van het definitieve ontwerp zullen de nodige verkeersbesluiten worden genomen, waarbij ook aandacht zal worden besteed aan de laad- en lostijden voor het expeditie-verkeer, waardoor de bereikbaarheid van het kantoorgebouw van eiseressen sub 1 zal worden geregeld. Tegen deze verkeersbesluiten kan beroep worden ingesteld, aldus verweerder. In het advies heeft de commissie ten aanzien van de toekomstige verkeerssituatie opgemerkt dat zij vanwege het feit dat het in geding zijnde gebied niet ruim is, aarzelingen heeft omtrent de mogelijkheid de verkeersafwikkeling, rekening houdend met alle belangen, op acceptabele wijze te realiseren. Daarbij heeft de commissie zich afgevraagd of verweerder dit niet te rooskleurig heeft ingeschat. Aangezien verweerder tijdens de hoorzitting heeft aangegeven zich die problematiek te realiseren, is de commissie er van uit gegaan dat verweerder in hoge mate de nodige inspanningen terzake zal verrichten. In dat licht bezien heeft de commissie in hetgeen eisers hebben aangevoerd en in de aarzelingen die zijzelf heeft onvoldoende aanleiding gezien voor het oordeel dat verweerder de bouwvergunning niet had mogen verlenen.

Beroepsgronden eiseressen sub 1

Eiseressen sub 1 hebben gesteld dat de vrijstelling en verklaring van geen bezwaar niet is verleend voor een voldoende concreet omlijnd project, maar voor een zogenoemde bouwenvelop, hetgeen in strijd met de systematiek van de WRO moet worden geacht. Omdat gedurende de behandeling van het vrijstellingsverzoek de oppervlakte van het bouwplan met 3000 m2 is vermeerderd, had in de visie van eiseressen sub 1 een nieuwe vrijstellingsprocedure doorlopen moeten worden.

Onduidelijk is of de vrijstelling is verleend voor een kantoor met of zonder baliefunctie.

Verweerder had geen gebruik mogen maken van de verklaring van geen bezwaar, omdat hieruit niet blijkt welke aspecten op welke wijze door gedeputeerde staten zijn getoetst.

Ten onrechte is de concentratie benzeen niet onderzocht. Uit het rapport van [D] kan niet worden opgemaakt dat is voldaan aan het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005).

Daarnaast zijn zij van mening dat hun bedrijfsvoering op onaanvaardbare wijze en permanent dreigt te worden belemmerd indien het bouwplan ongewijzigd doorgang vindt. De directe toegang tot het parkeerterrein - en daarmee de bereikbaarheid van het kantoorpand van eiseressen sub 1 - zal op onaanvaardbare wijze worden beperkt door het (expeditie)verkeer van en naar het vergunde kantoorgebouw. Volgens hen is een goede verkeersafwikkeling ter plaatse vanuit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening niet gewaarborgd. In de ruimtelijke onderbouwing van het vrijstellingsbesluit is in het geheel niet ingegaan op de ontsluiting en de bereikbaarheid van de aangrenzende kantoorpanden. Tot op heden is geen verkeersbesluit genomen voor de definitieve verkeerssituatie ter plaatse. Ondanks herhaaldelijke toezeggingen is verweerder niet met een concrete oplossing gekomen, waardoor onvoldoende gewaarborgd is dat eiseressen geen hinder zullen ondervinden als gevolg van het toekomstige expeditieverkeer ten behoeve van het te bouwen kantoor.

Beroepsgronden eisers sub 2

Eisers sub 2 hebben gesteld dat tegen de hoogte en de massaliteit van het gebouw bezwaar bestaat. Het past niet in de stedelijke structuur van dit deel van de stad. Zij vrezen dat het gebouw (zon)licht zal wegnemen bij panden aan de Boerhaavelaan en vanaf de bovenste etages van het kantoorgebouw inkijk in hun tuinen en op hun balkons mogelijk wordt, dat de grondwaterstand zal stijgen, alsmede dat zij meer wateroverlast zullen ondervinden. Daarnaast zal het woongenot verminderen door fel verlichte reclame-uitingen op het kantoorpand, ten gevolge van de verlichting van het pand zelf, alsmede door reflectie van geluid en stof van de spoorbaan tegen het pand. Voorts vrezen eisers sub 2 dat de parkeerdruk in de Boerhaavelaan zal toenemen, omdat het aantal parkeerplaatsen dat wordt aangelegd te weinig is. Het uitgevoerde luchtkwaliteitonderzoek is volgens hen ondeugdelijk, omdat niet alle relevante stoffen zijn onderzocht. Ook zijn zij van mening dat geen rekening is gehouden met de aanwezige molenbiotoop.

Met betrekking tot de publicatie van het voornemen vrijstelling op grond van artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen hebben eisers sub 2 aangevoerd dat in de aanhef van de publicatie ten onrechte het bestemmingsplan "Schuttersveld" is genoemd, waardoor omwonenden op het verkeerde been zijn gezet.

Wettelijk kader

In artikel 44, eerste lid, van de Wow is bepaald dat een reguliere bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd indien sprake is van een van de daar genoemde weigeringsgronden. Ingevolge het bepaalde onder c dient de bouwvergunning te worden geweigerd indien het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of de krachtens zodanig plan gestelde eisen.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben. Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het desbetreffende gebied.

Ingevolge artikel 19, vierde lid, aanhef en onder b, van de WRO, kan, indien sprake is van een gebied waarvoor het bestemmingsplan niet overeenkomstig artikel 33, eerste lid, na tien jaar is herzien, die vrijstelling slechts worden verleend als voor het gebied een voorbereidingsbesluit geldt of een ontwerp voor een herziening ter inzage is gelegd.

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Leeuwenhoek-Station 92", dat op 29 juni 1993 door de gemeenteraad is vastgesteld en op 22 februari 1994 door gedeputeerde staten van Zuid-Holland (GS) is goedgekeurd. De betrokken percelen hebben de bestemmingen "Stationsplein, Busstation en Autotunnel (S-B-A)" en "Gemengde Bebouwing 2 (GB2)".

Het bouwplan is in strijd met de doeleindenomschrijving van de bestemming "S-B-A" en met de op grond artikel 20, tweede lid, onder l, van de planvoorschriften toegestane bouwhoogte van 12 meter. Voorts is het bouwplan in strijd met de bestemming "GB2", omdat geen uitwerkingsplan is opgesteld en goedgekeurd. Daarnaast overschrijdt het bouwplan de op grond van deze bestemming maximaal toegestane bouwhoogte van 40 meter. Gelet hierop heeft verweerder vrijstelling ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO verleend.

Beoordeling

Anders dan door eiseressen sub 1 gesteld, is blijkens de bouwvergunning van 2 oktober 2007 vrijstelling verleend voor het bouwen van het in geding zijnde bouwplan, alsmede voor de aanpassing van de Dellaertweg.

In de bouwvergunning is vermeld dat vooruitlopend op de indiening van het bouwplan op basis van een schetsplan een aanvraag is ingediend om vrijstelling, alsmede dat het ontwerpbesluit met bijbehorende bouwenveloppe in het kader van de vrijstellingsprocedure gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen.

Op pagina 24 van de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat de procedure is gevoerd voor het op 1 februari 2007 ingekomen zogenaamde enveloppenplan. De envelop biedt een duidelijke situatieschets waarin de toekomstige bebouwingsmogelijkheden en functies voldoende zijn aangegeven en tevens een impressie wordt gegeven hoe de nieuwbouw eruit komt te zien (pag. 23/24). Gelet op het vereiste in artikel 18 van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 dat de aanvraag om vrijstelling tenminste een duidelijke situatieschets bevat, acht de rechtbank het voeren van de vrijstellingsprocedure op basis van een bouwenvelop in dit geval, waarin aan genoemd vereiste is voldaan, niet in strijd met het systeem van de wet.

Ter zitting van 22 november 2007 heeft gemachtigde van verweerder onweersproken verklaard dat het totale vloeroppervlak van het bouwplan wordt gerealiseerd binnen de in de bouwenvelop aangegeven afmetingen, zodat de stelling dat een nieuwe vrijstellings-procedure had moeten worden doorlopen, omdat de oppervlakte van het bouwplan met

3000 m2 is vermeerderd, geen doel treft.

Blijkens de aanvraag voor een verklaring van geen bezwaar van 1 juni 2007 zijn de vereiste documenten in vijfvoud als bijlage aan GS verzonden, zodat niet in te zien valt dat GS het bouwplan niet op alle aspecten kan hebben beoordeeld.

Verweerder heeft erkend dat het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan niet in de publicatie had moeten worden opgenomen, maar tevens is benadrukt dat, blijkens de inhoud van de publicatie, er geen misverstand kon bestaan over de locatie of het bouwplan. Dit is door eisers sub 2 ook niet bestreden. Gelet hierop leidt het noemen van het voorheen ter plaatse geldende bestemmingsplan in plaats van het vigerende bestemmingsplan in de publicatie van het voornemen vrijstelling te verlenen niet tot het oordeel dat het bestreden besluit om die reden moet worden vernietigd.

Op 7 december 2006 heeft verweerder voor het onderhavige perceel een voorbereidings-besluit genomen, dat op 6 januari 2007 in werking is getreden voor de duur van twee jaar. Op 11 september 2007, verzonden op 13 september 2007 en ingekomen bij verweerder op 14 september 2007, hebben GS een verklaring van geen bezwaar afgegeven.

Gelet hierop is aan de formele vereisten voor het volgen van deze vrijstellingsprocedure voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank moet in dit geval van een ingrijpende inbreuk op het planologisch regime worden gesproken. Hierbij is naast eerdergenoemde afwijkingen van het bestemmingsplan van belang dat het bouwplan voor een geheel andere uitstraling van het gebied zal zorgen.

Deze mate van ingrijpendheid van de inbreuk op het planologisch regime maakt dat hoge eisen moeten worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing.

In de ruimtelijke onderbouwing is beargumenteerd waarom is gekozen voor hoogbouw op deze locatie, terwijl ook aandacht is besteed aan de hoogtezonering en de relatie met het Stationsgebied en de binnenstad.

Verweerder heeft daartoe onder meer verwezen naar het Leiden Centraal Project (LCP), waarin de gehele vernieuwing van het stationsgebied wordt gecoördineerd. Het LCP heeft betrekking op het Stationsgebied Stadszijde en Zeezijde. Lagen de accenten van het LCP in de beginjaren vooral op infrastructurele ingrepen, zoals de stationstunnel, Schipholweg en het nieuwe stationsgebouw, nu schuift het accent op naar de ruimtelijke en functionele invulling van de omgeving. Daarnaast is in de ruimtelijke onderbouwing geconcludeerd dat er vanuit milieuoogpunt geen beperkingen zijn voor uitvoering van het bouwplan. Het gevaarcriterium ten gevolge van windhinder wordt nergens overschreden en vanuit cultuurhistorisch oogpunt zijn er verder evenmin beperkingen.

Voorts is hierin verwezen naar het streekplan "Zuid-Holland West", waarin is vermeld dat nieuwe kantoren zoveel mogelijk rond de knooppunten van openbaar vervoer, zoals Leiden Centraal, gerealiseerd moeten worden.

Verweerder heeft voorts betoogd dat het bouwplan niet in strijd is met de in voorbereiding zijnde herziening van het bestemmingsplan. De onderhavige locatie is opgenomen in het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Stationsgebied Stadszijde II", waarvan het voorontwerp in 2004 ter inzage heeft gelegen.

In het kader van de ruimtelijke onderbouwing is onder meer onderzoek gedaan naar de gevolgen van realisering van het bouwplan voor de toename van luchtvervuiling, de geluidbelasting ter plaatse van de woningen, met name als gevolg van reflectie van railverkeerslawaai, de luchtkwaliteit en naar een aantal andere omgevingsfactoren, zoals het windklimaat rond het gebouw, een onderzoek naar de schaduwhinder die door het bouwplan zal ontstaan, alsmede naar gevolgen van het bouwplan voor de waterhuishouding.

Met betrekking tot de toekomstige schaduwhinder, is door verweerder toegelicht dat uit onderzoek is gebleken dat alleen in de winterperiode in de ochtenduren de oneven nummers van de Boerhavelaan schaduwhinder van de nieuwbouw ontvangen.

Gelet op de uitkomsten van de uitgevoerde bezonningsstudie acht de rechtbank deze schaduwhinder [MM1]niet onaanvaardbaar.

Blijkens de gedingstukken is het bouwplan beoordeeld door het Hoogheemraadschap. Grondwaterstijging door realisatie van het bouwplan is niet aan de orde, aangezien het grondwater door het Hoogheemraadschap op peil gehouden wordt.

Blijkens de ruimtelijke onderbouwing voorziet het bouwplan in de aanleg van 340 parkeerplaatsen. Ter zitting van 5 oktober 2009 is gebleken dat er in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte vanuit is gegaan dat het gebouw tevens een baliefunctie krijgt. Nu dit niet het geval is, zijn 0,8 parkeerplaatsen per 100 m2 toereikend te achten, gelet op de (parkeer)kencijfers van de CROW. Er worden 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 aangelegd hetgeen ruim boven de norm is. Het bouwplan voorziet dan ook in voldoende parkeergelegenheid. Ter zitting van 30 augustus 2010 is door verweerder uitdrukkelijk betoogd dat eisers sub 2 geen extra verkeersbewegingen hoeven te vrezen in hun wijk.

Volgens de nota Regels voor Ruimte (paragraaf 6.2 onder B) kan op basis van onderling overleg, van de regels voor de molenbiotoop worden afgeweken bij nieuwe intensieve ontwikkelingen op knopen en overige HOV-locaties, zoals de in geding zijnde locatie. In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat met de beheerder van molen De Valk overleg heeft plaatsgevonden, waarbij door de beheerder is aangegeven dat het draaien van de molen in economisch opzicht niet van groot belang is. Daarnaast is van belang dat er thans reeds veel beperkingen zijn in de omgeving van de molen, waardoor de impact van het bouwplan beperkt is te noemen. Gelet hierop heeft verweerder mogen afwijken van de regels die gelden voor de maximale bouwhoogte rond een molenbiotoop.

Blijkens het rapport van [D] van 13 februari 2007 zijn andere grenswaarden dan NO2 en PM10 op basis van ervaring met een veelvoud aan vergelijkbare situaties als niet van betekenis niet nader beschouwd. De rechtbank acht deze benadering in de onderhavige situatie niet onjuist.

Voor zover aan de zijde van de U-bocht de luchtkwaliteit zal verslechteren ten gevolge van de nieuwbouw, kan dit, aldus verweerder, volgens de door de deskundige uitgevoerde berekeningen worden gecompenseerd door de plaatsing van een scherm/overkapping bij de nabij gelegen noordoostelijke tunnelmond (bij de Schipholweg). Daarvoor is inmiddels al een bouwvergunning verleend. Uit het rapport van [D] blijkt dat het bouwplan in dat geval voldoet aan artikel 7 van het Blk 2005.

Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 maart 2009 (LJN: BH5498) overweegt de rechtbank dat op 15 november 2007 de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking is getreden. Bij deze wet is het Besluit luchtkwaliteit 2005 (Blk 2005) ingetrokken en is titel 5.2 in de Wet milieubeheer over luchtkwaliteitseisen gevoegd. Uit het overgangsrecht van de wet van 11 oktober 2007 volgt dat deze wet van toepassing is op het besluit op bezwaar, omdat dit is genomen na inwerkingtreding van deze wet. Aangezien in dit besluit het Blk 2005 als toetsingskader is gehanteerd, is het besluit in strijd met titel 5.2 van de Wet milieubeheer.

Nu voorts in bijlage 2 van de Wet milieubeheer dezelfde grenswaarden voor stikstofdioxide en zwevende deeltjes zijn neergelegd als in het Blk 2005, is het bouwplan, gelet op het vorenstaande, evenmin in strijd met de thans van toepassing zijnde luchtkwaliteitseisen in de Wet milieubeheer, zodat het hanteren van de niet meer geldende regelgeving met betrekking tot de aan de luchtkwaliteit te stellen eisen geen reden vormt het bestreden besluit niet in stand te laten.

Adviesburo Nieman B.V. (hierna: Nieman) heeft de invloed van het bouwplan op het railverkeerlawaai op de gevel(s) van de woningen aan de Boerhaavelaan oneven zijde onderzocht. In de notitie van Nieman van 18 januari 2007 is geconcludeerd dat een toename van 1,5 dB(A) valt te verwachten, welke toename in werkelijkheid niet zal worden bereikt.

In de nadere rapportage van Nieman van 17 december 2009 is vermeld dat de toename van de geluidbelasting op de gevels van de woningen aan de Boerhaavelaan ten hoogste 0,6 dB(A) bedraagt, bij de woningen aan het Swammerdampad maximaal 0,1 dB(A), alsmede dat zich bij de woning aan de Rijnsburgerweg geen toename voordoet. Voor zover sprake is van een toename is deze niet van betekenis en zal deze over het algemeen niet leiden tot extra geluidhinder, aldus Nieman. Deze conclusie wordt blijkens de memo's van

21 december 2009 en 30 maart 2010 onderschreven door de Milieudienst West-Holland.

Het standpunt van eisers sub 2 dat in het kader van het geluidonderzoek uitsluitend de zogenaamde SRM1-methode had moeten worden gebruikt deelt de rechtbank niet, nu ter zitting namens verweerder is toegelicht dat de SRM2-methode nauwkeuriger is dan de SRM1-methode.

Van een onaanvaardbare toename van de geluidbelasting is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Hetgeen eiseres sub 1 in reactie op de nadere geluidrapporten na de heropening van het vooronderzoek naar voren heeft gebracht valt buiten de omvang van het geding, nu zij in beroep geen gronden heeft aangevoerd die betrekking hebben geluidoverlast. Hetgeen eiseres sub 1 in haar nadere reactie voorts heeft opgemerkt omtrent het planologisch regime gaat de heropening van het vooronderzoek te buiten.

Blijkens de tekening van 24 september 2009 van de beoogde verkeerssituatie (ST09166), alsmede het door Goudappel Coffeng uitgebrachte rapport "Laad- en losplaats Dellaertweg" van 4 november 2008 vormt de expeditiezone van het bouwplan geen belemmering voor de toegankelijkheid van het gebouw van eiseressen sub 1. Naar het oordeel van de rechtbank is thans, mede gelet op het aantal vrachtwagenbewegingen van maximaal 15 per dag, voldoende aannemelijk gemaakt dat de bereikbaarheid van zowel het kantoorpand van eiseressen sub 1 als van het nieuwe kantoorpand is gewaarborgd.

Voorts is ter zitting van 30 augustus 2010 namens verweerder verklaard dat in september 2010 een verkeersbesluit zal worden genomen conform een ter zitting getoonde situatietekening, waarin de bereikbaarheid in de directe omgeving van het pand van eiseressen sub 1 is gegarandeerd.

Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat voldoende vaststaat dat de bereikbaarheid van de naast het bouwplan gelegen kantoren kan worden gewaarborgd.

Gelet hierop heeft het college in de gevolgen van het bouwplan voor de verkeersafwikkeling en de verkeersveiligheid ter plaatse van het bouwplan geen aanleiding hoeven zien vrijstelling te weigeren.

Dat zich ten gevolge van het bouwplan enig verlies van privacy zal voordoen ten opzichte van de voorheen bestaande situatie valt niet te ontkennen, maar gelet op hetgeen reeds op basis van het vigerende bestemmingsplan mocht worden gebouwd, alsmede gelet op de afstand tussen het bouwplan en de woningen van eisers sub 2, acht de rechtbank de inbreuk op de privacy van eisers beperkt. Daarom kan niet staande worden gehouden dat om die reden in redelijkheid geen vrijstelling had kunnen worden verleend.

Naar het oordeel van de rechtbank kan, geheel van de ingebrachte gronden overziend, niet gezegd worden dat het bouwplan niet van een goede ruimtelijke onderbouwing is voorzien.

Gezien het vorenstaande is er geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling.

Aangezien geen van de andere in artikel 44, eerste lid, van de Wow genoemde weigeringsgronden zich voordoet, heeft verweerder op goede gronden de gevraagde bouwvergunning verleend.

Gelet op het voorgaande dient het verzoek van eisers sub 2 ter zitting van 5 oktober 2009 om de bouw stop te zetten te worden afgewezen.

Het door eiseressen sub 1 ter zitting van 30 augustus 2010 gedane verzoek om voorlopige voorziening, strekkende tot de niet ingebruikname van het kantoorpand totdat een verkeersbesluit is genomen, wordt ook afgewezen.

De beroepen zijn ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart de beroepen ongegrond;

wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.J. Overdijk, mr. I.A.M. Kroft en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van de griffier drs. A.C.P. Witsiers.

Uitgesproken in het openbaar 3 november 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.