Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO4154

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
16-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/1962 RWNL
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naturalisatie. Verblijfsgaten. Aruba.

De rechtbank overweegt dat verweerder een eigen beoordelingsruimte toekomt in het kader van de toepassing van artikel 8, eerste lid, sub c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, waarbij verweerder zelfstandig mag toetsen of sprake is van ten minste vijf jaar onafgebroken toelating. Verweerder is hierbij niet gehouden het oordeel van de DIMAS omtrent het al dan niet tegenwerpen van verblijfsgaten in een verblijfsrechtelijke procedure te volgen.

Wetsverwijzingen
Rijkswet op het Nederlanderschap
Rijkswet op het Nederlanderschap 8
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, meervoudige kamer

Reg.nr.: AWB 09/1962 RWNL

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

in het geding tussen

[Eiseres], wonende te [plaats],

gemachtigde mr. drs. A.E. Paulina,

en

de minister van Justitie, in zijn hoedanigheid van minister van het Koninkrijk, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij brief van 14 juli 2005 heeft eiseres, geboren op [datum] 1974 en van Filippijnse nationaliteit, bij verweerder een verzoek om naturalisatie ingediend.

Bij besluit van 10 januari 2007 heeft verweerder het verzoek afgewezen. Tegen dit besluit, aan eiseres uitgereikt op 7 februari 2007, heeft eiseres op 12 maart 2007 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 4 februari 2009 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Bij brief van 17 maart 2009 heeft mr. D.G. Kock namens eiseres tegen dit besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft tijdens de behandeling van een aantal andere soortgelijke beroepen over deze materie besloten aan verweerder een aantal vragen voor te leggen met betrekking tot het beleid op Aruba ten aanzien van het tegenwerpen van verblijfsgaten. Bij brief van 7 oktober 2008 heeft de rechtbank aan dit voornemen uitvoering gegeven.

In afwachting van de beantwoording van de gestelde vragen heeft de rechtbank alle beroepen over deze problematiek aangehouden.

Verweerder heeft bij de beantwoording van de gestelde vragen de minister van Volksgezondheid, Milieu, Administratieve en Vreemdelingenzaken van Aruba betrokken. Onder meezending van een brief van evengenoemde Arubaanse minister heeft verweerder bij brief van 5 februari 2009 de gestelde vragen beantwoord. Verweerder heeft de rechtbank vervolgens geïnformeerd over de voorbereiding van een nieuwe Handleiding voor de toepassing van de de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) op Aruba. Voorts heeft hij aanleiding gezien voor een groot aantal dossiers, waaronder dat van eiseres, een nieuw Bericht Omtrent Toelating (BOT) te verzoeken aan de Arubaanse autoriteiten. Na ontvangst daarvan door de rechtbank in de loop van 2010 zijn alle beroepszaken geleidelijk aan op zitting geappointeerd.

Het beroep is op 22 september 2010 ter zitting behandeld.

Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P. Visbach.

De rechtbank heeft het beroep verwezen naar een meervoudige kamer.

Op 13 oktober 2010 heeft de rechtbank een brief met een machtiging ontvangen waaruit blijkt dat eiseres mr. drs. A.E. Paulina heeft gemachtigd om haar in rechte te vertegenwoordigen.

Het beroep is op 13 oktober 2010 opnieuw ter zitting behandeld.

Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P. Visbach en R.V. van der Zeeuw.

II OVERWEGINGEN

1.1 Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de RWN wordt, met inachtneming van de bepalingen van hoofdstuk 4, aan vreemdelingen die daarom verzoeken het Nederlanderschap verleend.

1.2 Ingevolge artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN komt voor verlening van het Nederlanderschap overeenkomstig artikel 7 slechts in aanmerking de verzoeker die ten minste sedert vijf jaren onmiddellijk voorafgaande aan het verzoek in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, toelating en hoofdverblijf heeft.

1.3 Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN wordt voor toepassing van deze wet onder toelating verstaan: instemming door het bevoegde gezag met het bestendig verblijf van de vreemdeling in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba.

1.4 Verweerder hanteert bij de toepassing van de RWN beleidsregels die zijn neergelegd in de Handleiding voor de toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003, toegespitst op het gebruik in Aruba (hierna: de Handleiding).

1.5 In de Handleiding was ten tijde van belang neergelegd dat ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder g, van de RWN 'toelating' betekent dat het bevoegde gezag uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven aan een vreemdeling om in het Koninkrijk voor een langere periode te verblijven. Instemming door het bevoegde gezag houdt in dat een daartoe strekkend besluit van een bevoegde overheidsinstantie een vereiste is. Dat sprake is van toelating in Aruba dient door de vreemdeling te worden aangetoond aan de hand van een verblijfsdocument.

1.6 Ook vermeldde de Handleiding ten tijde van belang dat de vraag of sprake is van een verblijfsgat op zich een vreemdelingrechtelijke vraag is. Indien de vreemdeling niet tijdig om verlenging heeft gevraagd, dat wil zeggen pas na afloop van zijn verblijfsvergunning, is de vergunning op zijn vroegst pas vanaf de datum van de aanvraag verleend en dus niet in aansluiting op de eerdere vergunning. Dit betekent dat er een verblijfsgat is ontstaan.

2.1 Op grond van de Interne beleidsinstructie van de DIMAS van 14 december 2007 (2007-6), die naar aanleiding van de uitspraak van het Gerecht in Eerste aanleg van Aruba van 28 november 2007 (LAR no 3310) is opgesteld, gaat de DIMAS ervan uit dat vergunningen die zijn verleend vóór 11 december 2006 met terugwerkende kracht zijn verleend.

2.2 Bij brief van 10 augustus 2009 heeft verweerder de rechtbank in de eerdergenoemde soortgelijke beroepen meegedeeld dat de autoriteiten van de Nederlandse Antillen en Aruba en verweerder overeenstemming hebben bereikt over een tijdelijke werkwijze. Per 1 juni 2009 wordt ten aanzien van vreemdelingen die na 1 april 2003 in Aruba of in de Nederlandse Antillen een verzoek om naturalisatie hebben ingediend en bij wie het geconstateerde verblijfsgat in het vreemdelingrechtelijke verblijf geheel of gedeeltelijk is gelegen vóór 1 januari 2009, door de bevoegde autoriteiten een nader onderzoek uitgevoerd naar de oorzaak van het verblijfsgat. Het resultaat van het onderzoek naar het verblijfsgat wordt in een onderzoeksverslag neergelegd, dat als bijlage bij het BOT wordt gevoegd.

Het onderzoeksverslag zal ten aanzien van een geconstateerd verblijfsgat één van de volgende conclusies bevatten:

1. het verblijfsgat is aantoonbaar te wijten aan de vreemdeling zelf en daarmee niet aanvaardbaar; dan wel

2. het verblijfsgat is aantoonbaar verklaarbaar door de manier van administratieve afwikkeling van overheidszijde en daarmee aanvaardbaar; dan wel

3. de oorzaak van het verblijfsgat is onbekend, maar door de vreemdeling is aannemelijk gemaakt dat hij of zij gedurende het gestelde verblijfsgat onafgebroken in de Nederlandse Antillen of Aruba heeft verbleven, en daardoor is het verblijfsgat aanvaardbaar.

2.3 In de nieuwe Handleiding, toegespitst op het gebruik in Aruba, die geldig is vanaf 1 april 2010, is met betrekking tot aanvragen van vóór 1 juli 2006 opgenomen dat de vergunningen tot tijdelijk verblijf geacht worden te zijn afgegeven voor de duur van een jaar. Dat wil zeggen dat de late aanvragen niet hebben geleid tot een verblijfsgat indien duidelijk is dat de vervaldatum van de nieuwe vergunning een jaar na datum verloop van de voorafgaande vergunning is. Als de vervaldatum langer dan een jaar na datum vervolgaanvraag is, kan ervan worden uitgegaan dat een verblijfsgat tot stand is gekomen. Met betrekking tot aanvragen die zijn ingediend na 1 juli 2006 is opgenomen dat aanvragen die binnen drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige vergunning zijn ingediend niet leiden tot een verblijfsgat en dat aanvragen die zijn ingediend na drie maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de vorige vergunning in principe wel tot een verblijfsgat leiden.

3 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres in de periode van 13 augustus 2007 tot 14 augustus 2007 geen toelating tot het Koninkrijk had. Door dit zogenoemde verblijfsgat voldoet eiseres niet aan het vereiste van vijf jaar onafgebroken toelating als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN.

4 Eiseres heeft in beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

Verweerder gaat ten onrechte uit van een verblijfsgat. De vergunning van eiseres met nummer elf is geldig tot 13 augustus 2007 en haar vergunning met nummer 12 is geldig vanaf 14 augustus 2007. Eiseres heeft gesteld dat zij zich al eerder, voor het vervallen van haar vergunning met nummer elf, heeft gewend tot de DIMAS, maar niet eerder dan 13 augustus 2007 een afspraak kreeg. Bovendien is eiseres op 15 juli 2008 in het bezit gekomen van een vergunning tot verblijf die aan haar toelating voor onbepaalde tijd biedt op Aruba, waaruit volgt dat zij tien jaar onafgebroken verblijf en toelating in Aruba heeft gehad.

5 De rechtbank overweegt dat verweerder een eigen beoordelingsruimte toekomt in het kader van de toepassing van artikel 8, eerste lid, sub c, van de RWN, waarbij verweerder zelfstandig mag toetsen of sprake is van ten minste vijf jaar onafgebroken toelating. Verweerder is hierbij niet gehouden het oordeel van de DIMAS omtrent het al dan niet tegenwerpen van verblijfsgaten in een verblijfsrechtelijke procedure te volgen. Verweerder dient bij deze toets in beginsel uit te gaan van de feitelijke informatie van de DIMAS neergelegd in een BOT en/of een onderzoeksrapport en deze feiten te toetsen aan het op het moment van de beschikking op bezwaar geldende beleid dan wel de bestendig gebruikelijke gedragslijn. Verweerder kan afwijken van de door de DIMAS vermelde feitelijke gegevens of conclusies indien sprake is van kennelijke fouten.

6 Verweerder heeft op goede gronden gesteld dat geen sprake is van onafgebroken toelating als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. De rechtbank stelt vast dat eiseres, nu haar vergunning met nummer elf geldig was tot 13 augustus 2007 en zij eerst op 14 augustus 2007 een nieuwe aanvraag heeft ingediend, op 13 augustus 2007 geen toelating had tot het Koninkrijk. Aangezien het verblijfsgat dateert van na 11 december 2006, kan het interne beleid van de DIMAS, dat ervan uitgaat dat vergunningen die zijn verleend vóór 11 december 2006 met terugwerkende kracht zijn verleend, niet leiden tot het oordeel dat het verblijfsgat verschoonbaar is. De werkwijze die vanaf 1 juni 2009 werd gehanteerd en het beleid zoals neergelegd in de Handleiding die geldt vanaf 1 april 2010 waren ten tijde van het bestreden besluit nog niet van toepassing. De conclusie uit het BOT van 22 maart 2010 dat het verblijfsgat verschoonbaar is op grond van het laatstgenoemde beleid, is dan ook kennelijk onjuist. Verweerder mocht hiervan afwijken. De rechtbank stelt vast dat eiseres weliswaar op 1 juli 2007 het aanvraagformulier heeft ingevuld, maar dat de aanvraag pas op 14 augustus 2007 door verweerder is ingenomen. Deze omstandigheid dient voor rekening en risico van eiseres te komen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat vreemdelingen op grond van het Arubaanse vreemdelingenbeleid drie maanden voordat hun verblijfsvergunning verloopt een aanvraag om verlenging of verlening van een vergunning moeten indienen.

7 Uit het feit dat in de bezwaarfase aan eiseres een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd is afgegeven blijkt voorts niet dat sprake was van onafgebroken toelating als bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder c, van de RWN. De onderzoeksplicht van artikel 3:2 van de Awb gaat niet zover dat verweerder moet nagaan waarom de minister van Volksgezondheid, Milieu, Administratieve en Vreemdelingenzaken van Aruba een bepaald vreemdelingrechtelijk besluit, zoals het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd, heeft genomen.

8 De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden de afwijzing van het verzoek van eiseres om naturalisatie heeft gehandhaafd.

9 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.W.H.B. Sentrop, mr. A.P. Pereira Horta en mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. de Graaf.

Uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.