Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3813

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
10/36778
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

vreemdelingenbewaring / China / zicht op uitzetting

De rechtbank Den Haag, nevenzittingsplaats Dordrecht, heeft op 11 november 2010 geoordeeld dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn van drie Chinese vreemdelingen ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vreemdelingenwet 2000 106
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 10/36778, V-nummer: 270.439.8589,

uitspraak van de meervoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiseres], eiseres,

gemachtigde: mr. M.G. Bannenberg, advocaat te Rotterdam,

en

de Minister van Justitie, thans de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigden: mr. M.M.E. Disselkamp (zitting 4 november 2010) en mr. N.H.T. Jansen (zitting 11 november 2010), beiden ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft eiseres op 14 september 2010 in vreemdelingenbewaring gesteld.

1.2. Bij faxbericht van 22 oktober 2010 heeft eiseres beroep ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring, nadat de rechtbank het beroep van eiseres tegen haar inbewaringstelling bij uitspraak van 1 oktober 2010 ongegrond heeft verklaard.

1.3. De zaak is op 4 november 2010 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen mr. drs. K.P. Woo, tolk

1.4. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en verweerder een aantal vragen gesteld.

Bij faxbericht van 10 november 2010 heeft verweerder nadere inlichtingen gegeven.

Bij faxbericht van 10 november 2010 heeft de rechtbank verweerder een nadere vraag gesteld en partijen meegedeeld dat de zaak is verwezen naar een meervoudige kamer.

1.5. De zaak is op 11 november 2010 verder behandeld ter zitting van een meervoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Voorts is ter zitting verschenen mr. drs. K.P. Woo, tolk.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 96, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), gelezen in samenhang met het eerste lid van deze bepaling, verklaart de rechtbank het beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontneming gegrond indien zij van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is. In dat geval beveelt de rechtbank de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

Ingevolge artikel 106, eerste lid, eerste volzin, van de Vw 2000 kan de rechtbank, indien zij de opheffing van een maatregel strekkende tot vrijheidsontneming beveelt, dan wel de vrijheidsontneming reeds voor de behandeling van het verzoek om opheffing van die maatregel wordt opgeheven, aan de vreemdeling een vergoeding ten laste van de Staat toekennen.

2.2. Eiseres heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder niet binnen vier weken beslist op de aanvraag van 1 oktober 2010 van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.

Zicht op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn ontbreekt. De eenmalige afgifte van een aantal laissez-passers (hierna: lp's) door de Chinese autoriteiten is een politieke geste die niet de conclusie wettigt dat sprake is van een structureel veranderde opstelling van deze autoriteiten. Met andere lp-aanvragen doen de Chinese autoriteiten niets.

Uit de stukken blijkt niet dat de kopie van de identiteitskaart van eiseres is meegezonden met de lp-aanvraag. Eiseres betwist dat dit is gebeurd. In dit opzicht handelt verweerder onvoldoende voortvarend.

2.3. Verweerder heeft, kort samengevat, het volgende naar voren gebracht.

De aanvraag van 1 oktober 2010 is afgewezen bij beschikking van 26 oktober 2010. Deze beschikking is op 26 oktober 2010 uitgereikt aan eiseres.

Zicht op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn ontbreekt gelet op de afgifte van zeventien lp's door de Chinese autoriteiten in juni 2010 niet. Aan de afgifte van deze lp's kan redelijkerwijs de verwachting worden ontleend dat de Chinese autoriteiten in de toekomst opnieuw lp's zullen verstrekken. Er is altijd sprake van diplomatieke contacten met de Chinese autoriteiten.

2.4. De rechtbank oordeelt als volgt.

2.4.1. Met het faxbericht met bijlagen van 10 november 2010 heeft verweerder aangetoond dat hij binnen vier weken heeft beslist op de aanvraag van 1 oktober 2010 van eiseres. Eiseres heeft hierover ter zitting van 11 november 2010 geen opmerkingen meer gemaakt.

2.4.2. Bij de beoordeling van het zicht op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In haar uitspraak van 11 augustus 2008 (LJN BD9842) heeft de rechtbank vastgesteld dat de Chinese autoriteiten in april 2007 voor het laatst een aanvraag van verweerder om een lp hebben ingewilligd en dat zij sindsdien geen enkele beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op aanvragen van verweerder om een lp, terwijl verweerder in 2007 bijna 680 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten en in 2008 tot begin juni ongeveer 270. Op grond daarvan heeft de rechtbank in haar uitspraak van 11 augustus 2008 geoordeeld dat zicht op uitzetting van de desbetreffende vreemdeling naar China ontbrak.

In twee uitspraken van 5 september 2008 (LJN BE9987 en BE9988) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) geoordeeld dat zicht op uitzetting van de vreemdelingen in kwestie naar China ontbrak. In haar uitspraak van 26 november 2008 (LJN BG5708) kwam de Afdeling tot het oordeel dat de afgifte van twee lp's door de Chinese autoriteiten, één in september 2008 en één in oktober 2008, niet de conclusie wettigt dat anders moet worden geoordeeld over het zicht op uitzetting naar China.

Uit de uitspraak van 9 augustus 2010 van de Afdeling (LJN BN4048) leidt de rechtbank af dat verweerder in 2008 in totaal ongeveer 500 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten en dat het in dat jaar is gebleven bij de afgifte van voormelde twee lp's.

Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat hij in 2009 ongeveer 120 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten en dat deze autoriteiten in 2009 geen enkele beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op aanvragen van verweerder om afgifte van een lp.

In mei 2010 hebben de Chinese autoriteiten achttien lp's toegezegd aan verweerder, waarvan er in juni 2010 zeventien daadwerkelijk zijn verstrekt. Van deze zeventien lp's is er één aangevraagd in 2007, zeven in 2008, vijf in 2009 en vier in 2010. In haar uitspraak van 9 augustus 2010 heeft de Afdeling geoordeeld dat deze ontwikkeling de conclusie wettigt dat thans weer sprake is van zicht op uitzetting naar China binnen een redelijke termijn.

Verweerder heeft de rechtbank meegedeeld dat de Chinese autoriteiten van januari tot en met oktober 2010 voor het overige geen beslissingen, positief dan wel negatief, hebben genomen op aanvragen van verweerder om lp's en dat verweerder in deze periode ongeveer 195 lp's heeft aangevraagd bij de Chinese autoriteiten.

2.4.3. De rechtbank stelt vast dat sinds de toezegging van achttien lp's in mei 2010 een half jaar is verstreken zonder dat de Chinese autoriteiten enige beslissing, positief dan wel negatief, hebben genomen op lp-aanvragen van verweerder. Ter zitting van 11 november 2010 heeft de gemachtigde van verweerder desgevraagd verklaard niet te weten of het thans voorkomt dat de Chinese autoriteiten nadere informatie van verweerder vragen of anderszins reageren op aanvragen die verweerder heeft ingediend. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat de Chinese autoriteiten na mei 2010 nog enige aanvraag van verweerder om een lp inhoudelijk hebben beoordeeld.

Bij de beoordeling van het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn kan naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden voorbijgegaan aan de omstandigheid dat slechts een beperkt aantal van de zeventien verstrekte lp's is afgegeven binnen een termijn die in geval van een inbewaringstelling als redelijk kan worden aangemerkt. Voorts acht de rechtbank van belang dat de afgifte van zeventien lp's in 2010 op hetzelfde moment heeft plaatsgevonden, zodat daaruit niet kan worden afgeleid dat de Chinese autoriteiten ook andere lp-aanvragen van verweerder inhoudelijk beoordelen of zullen beoordelen.

2.4.4. De rechtbank heeft verweerder bij faxbericht van 10 november 2010 gevraagd of de afgifte van lp's sinds mei 2010 in algemene zin ter sprake is gebracht bij de Chinese autoriteiten en, zo ja, wanneer en hoe dit is gebeurd en of dit tot concrete afspraken of toezeggingen heeft geleid. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verklaard dat op diplomatiek niveau doorlopend contact wordt onderhouden met de Chinese autoriteiten, maar een concreet antwoord op de vraag van de rechtbank is uitgebleven. De rechtbank ziet geen reden om desondanks aan te nemen dat sprake is van zodanig intensieve en vruchtbare contacten met de Chinese autoriteiten dat daaraan de redelijke verwachting kan worden ontleend dat deze autoriteiten binnen een redelijke termijn opnieuw zullen overgaan tot het afgeven van één of meer lp's, bijvoorbeeld ten behoeve van eiseres.

2.4.5. De rechtbank komt tot de slotsom dat de toezegging van achttien lp's in mei 2010 en de afgifte van zeventien van deze lp's in juni 2010, gelet op het tijdsverloop sindsdien, de onder 2.4.2. beschreven situatie rond de afgifte van lp's door de Chinese autoriteiten vanaf 2007 en het ontbreken van aanwijzingen dat de Chinese autoriteiten lp-aanvragen van verweerder thans inhoudelijk beoordelen, niet langer de conclusie wettigt dat er zicht is op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn.

2.4.6. In aanmerking genomen dat de rechtbank mede naar aanleiding van het verhandelde ter zitting van 11 november 2010 tot de conclusie is gekomen dat zicht op uitzetting van eiseres binnen een redelijke termijn ontbreekt, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de bewaring van eiseres eerder opgeheven had moeten worden wegens het ontbreken van zicht op uitzetting. Gelet hierop zal de rechtbank ter beoordeling van het verzoek om schadevergoeding ook ingaan op de beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld.

Blijkens de voortgangsrapportage (mutatie van 12 oktober 2010) beschikt verweerder over een kopie van de identiteitskaart van eiseres en heeft de regievoerder de lp-kamer gevraagd dit document door te zenden aan de Chinese autoriteiten. In haar beslissing van 4 november 2010 heeft de rechtbank verweerder gevraagd uiterlijk op 9 november 2010 schriftelijk mee te delen welke documenten met de lp-aanvraag aan de Chinese autoriteiten zijn verstuurd dan wel achteraf alsnog naar deze autoriteiten zijn verzonden. Bij faxbericht van 8 november 2010 heeft de rechtbank de reactietermijn verlengd tot 10 november 2010 en verweerder erop gewezen dat, als de gevraagde inlichtingen niet of niet tijdig worden verstrekt, de rechtbank daaruit gelet op het bepaalde in artikel 8:28 en 8:31 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) de gevolgtrekkingen kan maken die haar geraden voorkomen. De rechtbank stelt vast dat verweerder de vraag over het meezenden of nazenden van documenten bij de lp-aanvraag in zijn faxbericht van 10 november 2010 niet heeft beantwoord. Ook ter zitting van 11 november 2010 heeft verweerder deze vraag niet kunnen beantwoorden. De rechtbank maakt hieruit de gevolgtrekking dat de kopie van de identiteitskaart van eiseres tot op heden niet is verzonden aan de Chinese autoriteiten. Hiermee heeft verweerder een voor de hand liggende mogelijkheid om de kansrijkheid van de lp-aanvraag, voor zover ondanks hetgeen is overwogen over het zicht op uitzetting moet worden aangenomen dat die inhoudelijk zal worden beoordeeld door de Chinese autoriteiten, te vergroten. De beroepsgrond dat verweerder onvoldoende voortvarend te werk is gegaan om eiseres uit te zetten slaagt in zoverre.

Omdat de lp-aanvraag op 28 september 2010 is verzonden aan de Chinese autoriteiten, terwijl de kopie van de identiteitskaart van eiseres tot op heden niet is nagezonden, heeft verweerder met ingang van 29 september 2010 niet langer met de vereiste voortvarendheid aan de uitzetting van eiseres gewerkt. De voortduring van de maatregel van bewaring is dan ook met ingang van 29 september 2010 onrechtmatig geworden. Dat de rechtbank het beroep tegen de inbewaringstelling op 1 oktober 2010 ongegrond heeft verklaard, staat daaraan niet in de weg. Het onderzoek in die procedure is gesloten op 24 september 2010, zodat met ontwikkelingen van na 24 september 2010 geen rekening kon worden gehouden.

2.5. Het beroep is derhalve gegrond. De rechtbank zal de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiseres bevelen.

De rechtbank ziet aanleiding eiseres een schadevergoeding toe te kennen. De voortduring van de maatregel is als gezegd onrechtmatig met ingang van 29 september 2010. Uitgaande van het normbedrag van € 80 voor een dag detentie in een huis van bewaring en ervan uitgaande dat verweerder voldoet aan het op 11 november 2010 door de rechtbank gegeven bevel tot onmiddellijke opheffing van de maatregel van bewaring, heeft eiseres recht op een schadevergoeding van € 3.440. Omdat eiseres procedeert op basis van een toevoeging, zal de schadevergoeding worden betaald door de griffier van de rechtbank.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 1.092,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting van 4 november 2010 en 0,5 punt voor het verschijnen ter nadere zitting van 11 november 2010, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiseres nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen. Omdat eiseres procedeert op basis van een toevoeging, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

2.6. Gezien het voorgaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring van eiseres;

- wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent eiseres een schadevergoeding toe van € 3.440 ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 1.092,50 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, voorzitter, en mrs. A.M.J. Adriaansen en J.J. Klomp, leden, en door de voorzitter en H. Philips, griffier, ondertekend.