Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3330

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
08/3942 en 08/24265
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Uit het Sahin-arrest van het Hof van 17 september 2009 volgt onder meer dat voor de beoordeling of de situatie van een vreemdeling in de gastlidstaat voor de toepassing van artikel 13 van Besluit 1/80 moet worden beschouwd als verblijfs- en arbeidsrechtelijk niet langer legaal, naar behoren rekening dient te worden gehouden met alle specifieke omstandigheden die de zaak kenmerken. Voor de beantwoording van de vraag of eiser valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Besluit 1/80, moet doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat eiser zich twee maal niet heeft gehouden aan de nationale regels voor verblijf. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot het Sahin-arrest, was in eisers situatie geen sprake van een slechts kortdurende situatie van niet-rechtmatig verblijf welke bovendien weer is opgeheven door het indienen van een kansrijke aanvraag. In de zaak Sahin was bovendien geen sprake van handelen van de vreemdeling in strijd met een wettelijk voorschrift als artikel 4.43 van het Vb 2000, waardoor hij bijna één jaar en negen maanden ten onrechte feitelijk in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning. De vraag of eiser valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Besluit 1/80 dient op grond van het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Eisers stelling, dat hij meer dan drie jaar gehuwd was en op grond van artikel 13 van Besluit 1/80 recht heeft op voortgezet verblijf op grond van het oude beleid, behoeft dan ook geen beantwoording.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/22
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer, meervoudig

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 08/3942 en AWB 08/24265

V-nummer: 911.036.9177

Inzake: [eiser], eiser,

gemachtigde mr. T. Sönmez, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel en zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. W.A. Kleingeld.

I Procesverloop

1.1 Eiser is geboren op [datum] 1968 en heeft de Turkse nationaliteit. Op 31 oktober 2007 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 21 november 2007 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit op 22 november 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 januari 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.2 Op 1 februari 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit I) beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep (hierna: beroep I) is geregistreerd onder kenmerk AWB 08/3942. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

2.1 Op 4 april 2008 heeft verweerder een aantekening voorlopige voorziening (hierna: vovo-sticker) aangebracht in het paspoort van eiser, met daarop de arbeidsmarktaantekening “arbeid niet toegestaan”. Eiser heeft tegen dit besluit op 9 april 2008 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 5 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

2.2 Op 7 juli 2008 heeft eiser tegen dit besluit (hierna: bestreden besluit II) beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroep (hierna: beroep II) is geregistreerd onder kenmerk AWB 08/24265. Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

3 De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op

24 september 2008. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen T. Cetinkaya, tolk in de Turkse taal.

4 Bij brief van 6 november 2008 heeft de rechtbank het onderzoek in beroep I heropend en de behandeling van dat beroep aangehouden in afwachting van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op het hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 13 mei 2008, met kenmerk AWB 07/16541 en AWB 07/16542. Eiser heeft bij brief van 24 september 2009 verwezen naar de door de Afdeling in het kader van voormeld hoger beroep bij verwijzingsuitspraak van 24 juli 2009 (LJN BJ4384) gestelde prejudiciële vragen.

5 Bij brief van 22 oktober 2009 zijn partijen in de gelegenheid gesteld te reageren op voormelde prejudiciële vragen en de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 10 september 2008, met kenmerk AWB 06/33344 (LJN BF4615). Eiser heeft bij brief van 4 november 2009 gereageerd, verweerder bij brief van 30 november 2009.

6 Bij brief van 3 juni 2010 heeft verweerder verzocht om verdaging van de behandeling van de beide beroepen en aangegeven dat verweerder nog niet gereed is met het inventariseren van de consequenties van de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 september 2009 (LJN BK1871, Sahin) en 29 april 2010 (LJN BM3843). Dit verzoek is afgewezen.

7 De openbare behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden op

7 juni 2010. Ter zitting is verschenen eiser, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Tevens is verschenen M. Erbek, tolk in de Turkse taal.

8 Het onderzoek ter zitting is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken. Verweerder heeft dit bij brief van 20 augustus 2010 gedaan. Eiser heeft hierop bij brief van 23 augustus 2010 gereageerd. Beide partijen hebben toestemming gegeven voor het achterwege laten van een nadere zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten op 23 augustus 2010.

II Overwegingen

1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is op 25 oktober 2001 gehuwd met [naam] en op 22 juni 2002 Nederland binnengekomen. Aan eiser is op 26 november 2002 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking “verblijf bij echtgenote”, geldig van 16 juli 2002 tot 16 juli 2003. Deze verblijfsvergunning is laatstelijk verlengd tot 18 november 2007. Verweerder heeft deze verblijfsvergunning bij besluit van 5 september 2006 met terugwerkende kracht tot 18 december 2004 ingetrokken, onder gelijktijdige afwijzing van de door eiser op 16 augustus 2005 ingediende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning voor voortgezet verblijf. Het tegen dat besluit ingestelde beroep is bij uitspraak van 11 januari 2007 niet-ontvankelijk verklaard. Daartegen zijn door eiser geen rechtsmiddelen ingesteld.

Op 31 oktober 2007 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend, waarbij hij heeft verzocht om verlening van een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (hierna: Besluit 1/80).

2.1 Ingevolge artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van Besluit 1/80, voor zover thans van belang, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort na een jaar legale arbeid in die lidstaat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft.

2.2 Ingevolge artikel 6, tweede lid, van Besluit 1/80 worden jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid, die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

2.3 Ingevolge artikel 13 van Besluit 1/80 mogen de lidstaten van de Gemeenschap en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

2.4 Ingevolge artikel 3, tweede lid, van het EVV, voor zover thans van belang, wordt een onderdaan van een Verdragsluitende Partij die langer dan de twee voorafgaande jaren rechtmatig op het grondgebied van enige andere Partij heeft gewoond niet verwijderd zonder dat hem eerst wordt toegestaan, tegen deze verwijdering gronden aan te voeren alsmede zich te wenden tot en zich te dien einde te doen vertegenwoordigen bij een bevoegde autoriteit of een of meer speciaal door de bevoegde autoriteit aangewezen personen.

3 Verweerder stelt zich in bestreden besluit I op het standpunt dat eiser geen rechten kan ontlenen aan Besluit 1/80, aangezien hij niet sedert meer dan één jaar bij dezelfde werkgever legale arbeid heeft verricht. De onderbreking van de werkzaamheden voor een periode van zeven maanden betreft geen tijdvak van inactiviteit dat gelijkgesteld is met een tijdvak van legale arbeid. De onvrijwillige werkloosheid is niet naar behoren geconstateerd door de bevoegde autoriteiten en de stelling dat eiser onvrijwillig werkloos was valt niet te rijmen met zijn werkzaamheden gedurende een maand bij een andere werkgever. Er bestaat voorts geen aanleiding eiser te horen op grond van het Europees Vestigingsverdrag (EVV).

Verweerder stelt zich in bestreden besluit II op het standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een “aantekening voorlopige voorziening”-sticker in zijn paspoort met daarop de aantekening dat uitzetting hangende de beslissing op de voorlopige voorziening achterwege blijft en arbeid is toegestaan (hierna: de vovo-sticker), nu hij op grond van de door hem verrichte arbeid geen rechtmatig verblijf op de voet van artikel 6 van Besluit 1/80 heeft.

Verweerder heeft zich ter zitting, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2010 (LJN BM2261), ten aanzien van bestreden besluit I nog op het standpunt gesteld dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op artikel 13 van Besluit 1/80, nu dit artikel alleen van toepassing is bij voortgezette toelating en de aanvraag van eiser als een aanvraag om eerste toelating moet worden aangemerkt, nu hij niet binnen twee jaar na het verstrijken van de geldigheidsduur van de aan hem verleende verblijfsvergunning om voortgezet verblijf heeft verzocht.

4 Eiser kan zich niet verenigen met de standpunten van verweerder en voert daartoe het volgende aan.

Eiser heeft meer dan twee jaar rechtmatig verblijf gehad en voor verweerder bestaat derhalve op grond van het EVV een plicht tot horen. Eisers contract is niet verlengd omdat hij geen verblijfsdocument met arbeidsmarktaantekening kon tonen. Eiser heeft zelf geen ontslag genomen en het gegeven ontslag valt hem niet te verwijten. Die situatie kan door de bevoegde autoriteiten naar behoren worden geconstateerd. Dat eiser tijdens de periode van zijn onvrijwillige werkloosheid zeer kort elders heeft gewerkt doet daaraan niet af. Eiser heeft wel degelijk voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van Besluit 1/80. Ten onrechte heeft verweerder nagelaten om in de eerdere procedure te controleren of eiser daaraan rechten kan ontlenen. Eiser was meer dan drie jaar gehuwd en heeft op grond van artikel 13 van Besluit 1/80 recht op voortgezet verblijf op grond van het oude beleid.

Verweerder heeft, door de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 13 mei 2008 (AWB 08/12566) over te nemen, een onjuiste interpretatie gegeven van artikel 6 van Besluit 1/80 en het arrest van het Hof van 26 oktober 2006 (LJN AZ6333, Güzeli). De bepaling zelf zegt niets over de eis dat sprake moet zijn geweest van één jaar ononderbroken arbeid bij dezelfde werkgever. De regel is dat na één jaar legale arbeid recht op verlenging bestaat indien die werkgever werkgelegenheid heeft. Hetgeen is bepaald in het tweede lid over onvrijwillige werkloosheid ondersteunt eisers lezing en ook het beleid van verweerder in paragraaf B11/3.3.2 ondersteunt deze interpretatie. Eiser heeft dus wel degelijk rechten verworven op grond van artikel 6 van Besluit 1/80, zodat aan hem ten onrechte een vovo-sticker is verleend waarbij is bepaald dat arbeid niet is toegestaan.

5 De rechtbank oordeelt als volgt.

5.1 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de perioden van 20 januari 2003 tot 1 september 2003 - zeven maanden en elf dagen - en van 5 april 2004 tot 18 december 2004 - acht maanden en twee weken - legaal heeft gewerkt bij [naam bedrijf]. Tussen partijen is evenmin in geschil dat eiser daarmee niet voldoet aan artikel 6, eerste lid, eerste streepje, van Besluit 1/80.

5.1.1 De voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats heeft in eerdergenoemde uitspraak van 13 mei 2008 aangesloten bij voormeld Güzeli-arrest, waaruit volgt dat het doel van artikel 6, tweede lid, tweede zin, van Besluit 1/80 is de instandhouding en continuïteit van de rechten die de Turkse werknemer reeds heeft verworven op grond van de eerder vervulde tijdvakken van arbeid. De aldaar gebezigde term „rechten” impliceert volgens het Hof dat het niet gaat om tijdvakken van onbepaalde, zelfs zeer korte duur, maar om eerder vervulde tijdvakken van arbeid waarvan de duur voldoende is om een recht op arbeid te creëren, een recht dat in de logica van die bepaling moet voortduren in weerwil van de tijdelijke onderbreking van de beroepsactiviteit om de Turkse werknemer niet-verwijtbare redenen. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel dan de voorzieningenrechter, te weten dat uitsluitend een tijdvak van een jaar arbeid niet wordt aangetast door ná dat tijdvak van een jaar plaatshebbende onderbrekingen van de beroepsarbeid als bedoeld in artikel 6, tweede lid, tweede zin, van Besluit 1/80.

De vraag of het tijdvak waarin eiser voor een andere werkgever heeft gewerkt al dan niet het gevolg is van onvrijwillige werkloosheid, behoeft gezien het vorenstaande geen beantwoording. Eisers stelling dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om in de eerdere procedure te controleren of eiser rechten kan ontlenen aan artikel 6 van Besluit 1/80 kan niet bij de beoordeling worden betrokken. Het besluit van 5 september 2006, strekkende tot intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning, is immers in rechte onaantastbaar geworden.

Uit het vorenstaande volgt dat eisers beroep op artikel 6 van Besluit 1/80 faalt.

5.2 Ten aanzien van eisers beroep op de in het EVV neergelegde hoorplicht overweegt de rechtbank als volgt. Daargelaten dat het in deze zaak niet om verwijdering gaat, maar om eerste toelating, is eisers rechtmatig verblijf geëindigd op 18 december 2004, te weten door de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot die datum. Eiser verbleef derhalve niet langer dan twee jaar rechtmatig in Nederland voorafgaande aan het nemen van bestreden besluit I, op 29 januari 2008. Uit het EVV vloeide dan ook voor verweerder geen verplichting voort om eiser te horen.

5.3 Ten aanzien van eisers beroep op artikel 13 van Besluit 1/80 wordt als volgt overwogen.

5.3.1 Uit het arrest van het Hof van 21 oktober 2003 (LJN AM2833, Abatay en Sahin) volgt onder meer dat de draagwijdte van artikel 13 van Besluit 1/80 niet is beperkt tot Turkse onderdanen die reeds tot de arbeidsmarkt van een lidstaat behoren, alsmede dat een Turkse onderdaan valt onder het toepassingsbereik van dat artikel, indien hij zich heeft gehouden aan de regels van de lidstaat van ontvangst op het gebied van de toegang, het verblijf en eventueel het verrichten van arbeid, en hij zich derhalve legaal op het grondgebied van die lidstaat bevindt. De Afdeling heeft in gelijke zin overwogen in haar uitspraak van 21 april 2010 (LJN BM2261).

Uit voormeld Sahin-arrest van het Hof van 17 september 2009 volgt onder meer dat voor de beoordeling of de situatie van een vreemdeling in de gastlidstaat voor de toepassing van artikel 13 van Besluit 1/80 moet worden beschouwd als verblijfs- en arbeidsrechtelijk niet langer legaal, naar behoren rekening dient te worden gehouden met alle specifieke omstandigheden die de zaak kenmerken.

5.3.2 In onderhavige zaak zijn de volgende omstandigheden van belang.

Eiser is op 22 juni 2002 Nederland binnengekomen in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Vervolgens is hij op 16 juli 2002 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking 'verblijf bij echtgenote'. Eiser heeft zich in zoverre derhalve gehouden aan de nationale regels op het gebied van de toegang en het verblijf.

De verblijfsvergunning van eiser is bij besluit van 5 september 2006 echter met terugwerkende kracht tot 18 december 2004 ingetrokken. Dit besluit is inmiddels in rechte onaantastbaar geworden. Aan de intrekking van de verblijfsvergunning heeft verweerder ten grondslag gelegd dat is gebleken dat de samenwoning tussen eiser en zijn toenmalige echtgenote op 18 december 2004 is verbroken. Uit de gedingstukken kan worden afgeleid dat eiser niet, conform het bepaalde in artikel 4.43 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), onmiddellijk aan de korpschef heeft medegedeeld dat hij niet langer voldeed aan de beperking waaronder de verblijfsvergunning is verleend. In zoverre heeft eiser zich derhalve niet gehouden aan de nationale regels op het gebied van het verblijf.

Vervolgens heeft eiser, nadat het beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning en de afwijzing van zijn aanvraag om wijziging van de beperking bij uitspraak van 11 januari 2007 niet-ontvankelijk was verklaard, eerst op 31 oktober 2007 onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft tot aan het indienen van die aanvraag derhalve niet-rechtmatig in Nederland verbleven en heeft zich ook in zoverre niet gehouden aan de nationale regels op het gebied van het verblijf. Het verblijf van eiser wordt met ingang van het indienen van de onderhavige aanvraag aangemerkt als rechtmatig in de zin van artikel 8, aanhef en onder f, van de Vw 2000.

Tussen partijen is niet in geschil dat eiser van 20 januari 2003 tot 1 september 2003 en van 5 april 2004 tot 18 december 2004 arbeid in loondienst heeft verricht bij [naam bedrijf] en in de tussenliggende periode bij een andere werkgever. Verweerder heeft niet gesteld dat eiser zich niet heeft gehouden aan de regels van de lidstaat van ontvangst op het gebied van het verrichten van arbeid. Gezien het in de procedure met kenmerk AWB 08/24265 door eiser gestelde belang, te weten dat hij de juiste vovo-sticker moet hebben om te kunnen werken, moet het er voorts voor worden gehouden dat eiser nog immer voornemens is om arbeid te gaan verrichten, zodra zijn verblijfsrechtelijke positie dat toelaat. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2010 (LJN BN1166) waarin, onder verwijzing naar voormelde arresten van het Hof, is overwogen dat deze laatste omstandigheid eveneens van belang is.

5.3.3 Op grond van het vorenstaande moet, voor de beantwoording van de vraag of eiser valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Besluit 1/80, doorslaggevende betekenis worden toegekend aan de omstandigheid dat eiser zich twee maal niet heeft gehouden aan de nationale regels voor verblijf. Anders dan in de zaak die heeft geleid tot voormeld Sahin-arrest, was in eisers situatie geen sprake van een slechts kortdurende situatie van niet-rechtmatig verblijf welke bovendien weer is opgeheven door het indienen van een kansrijke aanvraag. In de zaak Sahin was bovendien geen sprake van handelen van de vreemdeling in strijd met een wettelijk voorschrift als artikel 4.43 van het Vb 2000, waardoor hij bijna één jaar en negen maanden ten onrechte feitelijk in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning.

5.3.4 De vraag of eiser valt onder het toepassingsbereik van artikel 13 van Besluit 1/80 dient op grond van het vorenstaande ontkennend te worden beantwoord. Eisers stelling, dat hij meer dan drie jaar gehuwd was en op grond van artikel 13 van Besluit 1/80 recht heeft op voortgezet verblijf op grond van het oude beleid, behoeft dan ook geen beantwoording.

5.4 Gelet op hetgeen in 5.1.1 is overwogen, heeft verweerder in bestreden besluit II terecht overwogen dat eiser niet in aanmerking komt voor een vovo-sticker in zijn paspoort, nu hij op grond van de door hem verrichte arbeid geen rechtmatig verblijf op de voet van artikel 6 van Besluit 1/80 heeft. Eisers stelling dat artikel 6, tweede lid, van Besluit 1/80 zelf niets zegt over de eis dat sprake moet zijn geweest van één jaar ononderbroken arbeid bij dezelfde werkgever kan gelet op overwegingen 43, 44 en 45 van het Güzeli-arrest niet worden gevolgd. De rechtbank verwijst dienaangaande naar hetgeen onder 5.1.1 is overwogen.

6 De beroepen zijn derhalve ongegrond.

7 De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

III Beslissing

De rechtbank,

recht doende:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A. van ’t Laar, voorzitter, en mr. E.A. Poppe-Gielesen en mr. C. Laukens, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier.

De griffier, De voorzitter,

Uitgesproken in het openbaar op: 4 november 2010.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: