Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3289

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/36113
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met de hiervoor weergeven motivering niet ingegaan op de door eiser in zijn zienswijze naar voren gebrachte stellingen waardoor verweerder in strijd met artikel 42, derde lid, Vw heeft gehandeld. Hoewel volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verweerder niet gehouden is op elke in de zienswijze naar voren gebrachte stelling afzonderlijk te reageren, kan bovenstaande motivering niet als afdoende worden aangemerkt nu eiser in zijn zienswijze uitvoerig is ingegaan op iedere afzonderlijke tegenwerping die verweerder in het voornemen in het kader van het ontbreken positieve overtuigingskracht heeft opgenomen en voorts heeft aangevoerd waarom het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw niet bij de beoordeling kan worden betrokken, zodat de enkele verwijzing naar dit voornemen zonder aan te geven waarom de door eiser naar voren gebrachte stellingen niet tot een ander oordeel leiden niet als een deugdelijke reactie op de zienswijze kan worden aangemerkt.

Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 36113

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 14 oktober 2010

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. drs. T. Neijzen, advocaat te Leiden,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: H. Streef, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eiser heeft op 18 februari 2009 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 7 september 2009 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 22 september 2010. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser had een eigen bedrijf dat zich bezig hield met de elektrische componenten in een auto. Op 2 november 2008 werd hem door een onbekende man gevraagd een auto te repareren die niet wilde starten. De auto werd naar eisers zaak gesleept onder begeleiding van een andere onbekende man in een BMW. Bij controle zag eiser dat in het zekeringkastje de zekering voor de brandstofpomp ontbrak. Op het moment dat eiser een nieuwe zekering wilde plaatsen, zag hij twee draadjes uitsteken onder het stuur van de auto. Omdat eiser nog nooit zoiets had gezien, vertrouwde hij het niet en is hij een ervaren collega van de garage tegenover zijn eigen zaak om advies gaan vragen. Deze collega zei dat eiser zichzelf problemen moest besparen en gaf hem het telefoonnummer van de politie. De politie was binnen vijf minuten ter plaatse maar op dat moment was de eigenaar van de auto spoorloos verdwenen. Eiser moest het dashboard openmaken maar dit lukte niet meer omdat het donker was. Eiser is vervolgens meegenomen naar het politiebureau. De volgende ochtend is eiser van 7:00 tot 11:30 bezig geweest het dashboard uit elkaar te halen. Vervolgens hebben twee mannen met speciale kleding en speciaal gereedschap het werk van eiser overgenomen. De chef van de politie vertelde dat deze mannen zes TNT explosieven uit de auto hebben gehaald. Eiser moest mee naar het politiebureau waar hij twee dagen en nachten werd verhoord. Vervolgens mocht eiser gaan en werd hem verteld dat de politie een oogje in het zeil zou houden. De volgende dagen ging eiser via een andere route naar zijn werk. Op 10 november 2008, toen eiser voor het eerste de normale route naar zijn werk nam, zag hij opeens dat de BMW hem achtervolgde. De twee mannen die eerder bij hem langs waren geweest, schoten op de banden van eisers auto en eiser verloor de macht over het stuur en sloeg met zijn auto over de kop. Omdat ze op dat moment langs de rechtbank reden, schoten bewakers van de rechtbank op de BMW waarop de BMW ervan door is gegaan. Eiser mankeerde niets. Eisers vader was naar aanleiding hiervan boos op de politie omdat eiser onvoldoende bescherming was geboden. De politie gaf aan dat ze hebben gedaan wat ze konden. Vervolgens heeft eiser zijn land van herkomst verlaten omdat hij bang is te worden vermoord door de twee mannen tegen wie hij aangifte heeft gedaan.

2.2 Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen op de volgende gronden. Verweerder verwijt eiser de omstandigheden bedoeld in artikel 31, tweede lid, sub f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) omdat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd ter staving van zijn reisroute. Eiser heeft voorts geen gedetailleerde, verifieerbare en coherente gegevens over zijn reisroute verstrekt. Eisers relaas bezit geen positieve overtuigingskracht en is niet geloofwaardig. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw en het beroep op artikel 15, onder c, richtlijn 2004/83/EG (Definitierichtlijn) slaagt niet.

2.3 In beroep heeft eiser in de eerste plaats aangevoerd dat in het bestreden besluit niet voldoende gemotiveerd wordt gereageerd op de zienswijze nu daarin niet wordt overwogen waarom de argumenten in de zienswijze niet tot een ander oordeel leiden.

2.4 Ingevolge artikel 42, derde lid, Vw wordt, indien de aanvraag wordt afgewezen, in de beschikking ingegaan op de zienswijze van de vreemdeling.

2.5 Eiser heeft in de zienswijze naar aanleiding van verweerders standpunt in het voornemen dat eiser het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw kan worden tegengeworpen en het relaas positieve overtuigingskracht mist, samengevat, het volgende aangevoerd.

Eiser kan het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw niet worden tegengeworpen. Eiser heeft wel degelijk meerdere documenten betreffende zijn identiteit overgelegd waarvan bovendien wordt gesteld dat deze naar alle waarschijnlijkheid echt zijn. Dat er vervalsingen in omloop zijn kan hem niet worden tegengeworpen nu het hierdoor onmogelijk is voor eiser om documenten over te leggen. Het is derhalve onrechtmatig om hierom artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw aan eiser tegen te werpen. Eiser heeft uitgebreid verklaard hoe hij is gereisd en verweerder kan het ontbreken van documenten niet tegenwerpen in het geval dat deze documenten ofwel niet bestaan ofwel niet in het bezit van eiser zijn geweest. Met betrekking tot de geloofwaardigheid van het relaas wordt voorop gesteld dat er geen tegenstrijdigheden zijn en dat het relaas volstrekt en volledig past in hetgeen bekend is in Irak. Nergens blijkt uit dat verweerder heeft getoetst aan de bronnen alsmede de situatie in het land van herkomst. Verweerder geeft enkel een cirkelredenering en stelt dat het relaas geloofwaardig dient te zijn. Er wordt in het voornemen gesteld dat sprake is van rariteiten maar verweerder gaat hiermee voorbij aan de realiteit van het Irak van vandaag. Verweerder heeft deze rariteiten voorts niet onderbouwd met feiten en omstandigheden zodat geen sprake is van een deugdelijke motivering. Verweerder heeft miskend dat niet enkel de twee draadjes aanleiding waren om naar de politie te stappen maar ook het advies wat hij naar aanleiding van de twee draadjes is gaan vragen, is hiervoor de aanleiding geweest. Dat eiser onraad heeft geroken naar aanleiding van de twee draadjes is niet bevreemdend gelet op grote hoeveelheid aanslagen die in Irak met auto’s worden gepleegd. Het is niet bevreemdend dat de Iraakse politie eerst eiser fel aan de tand heeft gevoeld nu zij niet bekend staan om hun fijnzinnige optreden en zij zich wilden verzekeren dat eiser loyaal was. Van eiser mag niet verlangd worden te weten waarom juist op die plek een aanslag op hem is gepleegd nu hij hiermee geen enkele ervaring had. Bovendien staan op iedere straathoek bewakers, politie of militairen. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser geen problemen meer heeft ondervonden na de aanslag in de korte tijd dat hij zat ondergedoken nu eiser juist zat ondergedoken om geen problemen te krijgen.

2.6 In het bestreden besluit heeft verweerder naar aanleiding hiervan het volgende overwogen.

“Ten eerste wordt overwogen dat het gestelde in de zienswijze dat het onrechtmatig zou zijn om aan eiser artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw tegen te werpen niet wordt gevolgd. Hiertoe wordt verwezen naar het voornemen waarin reeds uitgebreid is gemotiveerd waarom in casu sprake is van omstandigheden genoemd in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw. Tevens wordt verwezen naar de overwegingen in het voornemen die hebben geleid tot de conclusies dat eiser onvoldoende documenten heeft overgelegd inzake zijn identiteit, dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat het ontbreken van documenten die zijn reisverhaal onderbouwen niet aan hem is toe te rekenen en dat hij onvoldoende gedetailleerde, coherente en verifieerbare gegevens over zijn reis heeft verschaft. Ten aanzien van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van betrokkene wordt eveneens verwezen naar het uitgebrachte voornemen waarin uitgebreid is gemotiveerd dat waarom het relaas van betrokkene niet geloofwaardig is. Het hieromtrent gestelde in de zienswijze vormt dan ook geen aanleiding om tot een andere beslissing te komen dan in het voornemen is verwoord.”

2.7 Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder met de hiervoor weergeven motivering niet ingegaan op de door eiser in zijn zienswijze naar voren gebrachte stellingen waardoor verweerder in strijd met artikel 42, derde lid, Vw heeft gehandeld. Hoewel volgens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verweerder niet gehouden is op elke in de zienswijze naar voren gebrachte stelling afzonderlijk te reageren, kan bovenstaande motivering niet als afdoende worden aangemerkt nu eiser in zijn zienswijze uitvoerig is ingegaan op iedere afzonderlijke tegenwerping die verweerder in het voornemen in het kader van het ontbreken positieve overtuigingskracht heeft opgenomen en voorts heeft aangevoerd waarom het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vw niet bij de beoordeling kan worden betrokken, zodat de enkele verwijzing naar dit voornemen zonder aan te geven waarom de door eiser naar voren gebrachte stellingen niet tot een ander oordeel leiden niet als een deugdelijke reactie op de zienswijze kan worden aangemerkt.

2.8 De rechtbank zal het beroep reeds hierom gegrond verklaren. Het bestreden besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en met artikel 42, derde lid, Vw.

2.9 De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft derhalve geen bespreking meer.

2.10 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eiser;

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2010.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.