Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3281

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/47148
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel, taalanalyse niet inzichtelijk.

Voor de conclusie dat een taalanalyse onzorgvuldig tot stand is gekomen, is het niet altijd noodzakelijk om een contra-expertise over te leggen. Er dient sprake te zijn van een zorgvuldige taalanalyse. Verweerder dient zich er van te vergewissen dat het rapport van de taalanalyse niet zodanige gebreken vertoont dat hij daarop zijn besluitvorming niet (mede) kan baseren. Door het inschakelen van BLT heeft de staatssecretaris van Justitie in beginsel voldaan aan de vergewisplicht die voortvloeit uit artikel 3:2 Awb. Echter indien er gerede twijfels bestaan over de zorgvuldigheid en inzichtelijkheid van de taalanalyse en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, kan de staatssecretaris hier niet met een enkele verwijzing naar de deskundigheid van het BLT aan voldoen. De rechtbank acht niet inzichtelijk op welke wijze de taalanalist tot de conclusie is gekomen dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Centraal-Irak. Verweerder heeft daarom (de conclusie in) het rapport van taalanalyse niet als motivering ten grondslag kunnen leggen aan de afwijzing van de aanvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 09 / 47148

mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 19 oktober 2010

in het openbaar uitgesproken door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S.S. de Groot, griffier.

in de zaak van:

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van (gestelde) Iraakse nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: J.J.T. van Loo, advocaat te Oss,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. T. Nauta, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 24 november 2009;

draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem.

Overwegingen

Eiser heeft op 12 augustus 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 24 november 2009 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) aan eiser heeft kunnen tegenwerpen, nu eiser geen documenten heeft overgelegd waarmee zijn nationaliteit, identiteit en reisroute kunnen worden aangetoond en hij hiervoor, gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geen verschoonbare reden heeft aangevoerd.

Eiser heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat de namens verweerder uitgevoerde taalanalyse, waarin (onder andere) is geconcludeerd dat eiser eenduidig niet te herleiden is tot het door hem opgegeven herkomstgebied, onzorgvuldig tot stand is gekomen. Verweerder heeft zich niet vergewist van de deskundigheid van de geraadpleegde Irakezen. Deze beroepsgrond treft doel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor de conclusie dat een taalanalyse onzorgvuldig tot stand is gekomen, is het niet altijd noodzakelijk om een contra-expertise over te leggen. Wanneer verweerder een taalanalyse aanbiedt om eiser in de bewijslast tegemoet te komen, dient sprake te zijn van een zorgvuldige taalanalyse. Verweerder dient zich er van te vergewissen dat het rapport van de taalanalyse niet zodanige gebreken vertoont dat hij daarop zijn besluitvorming niet (mede) kan baseren. Door het inschakelen van het Bureau Land en Taal (BLT) heeft de staatssecretaris van Justitie in beginsel voldaan aan de vergewisplicht die voortvloeit uit artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Echter indien er gerede twijfels bestaan over de zorgvuldigheid en inzichtelijkheid van de taalanalyse en de wijze waarop deze tot stand is gekomen, kan de staatssecretaris hier niet met een enkele verwijzing naar de deskundigheid van het BLT aan voldoen.

Verweerder heeft in het bestreden besluit, in tegenstelling tot in het voornemen, het standpunt ingenomen dat eiser de vragen over zijn herkomstgebied juist heeft beantwoord ten tijde van de gehoren. Dat het hier tevens algemene informatie betreft die bekend is uit openbare bronnen, doet daar niet aan af. Verweerder kan dit in redelijkheid niet aan eiser tegenwerpen, nu verweerder zelf heeft gekozen voor de vragen die aan eiser zijn gesteld.

Uit het rapport van de taalanalyse blijkt voorts dat eiser op grond van zijn Koerdische spraak te herleiden is tot de grotere[regio], waarin de gestelde plaats van herkomst van eiser is gelegen.

Op grond van zijn beperkte beheersing van het Arabisch wordt echter aangenomen dat eiser het overgrote deel van zijn leven heeft doorgebracht buiten Centraal-Irak, in een omgeving waar, anders dan in de regio [regio] en elders in Centraal-Irak het geval is, het Arabisch niet algemeen gangbaar is als voertaal in het dagelijks leven.

De taalanalist heeft, blijkens de opmerking onder 7 in het rapport taalanalyse, bij het verrichten van de taalanalyse meerdere in Nederland woonachtige Koerden uit de regio [regio] geraadpleegd. De consensus onder deze Koerden is dat Koerden die opgroeien in deze regio allen een goede tot zeer goede beheersing van Irakees Arabisch verwerven.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het rapport van de taalanalyse niet op grond waarvan de mening van de geraadpleegde Koerden, over wie en over wier deskundigheid niets bekend is, van belang kan zijn voor de aanname dat eiser het overgrote deel van zijn leven heeft doorgebracht buiten Centraal-Irak. De reactie van BLT van 19 november 2009 biedt hierin evenmin inzicht.

Voorts staat in het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Irak van januari 2010, op pagina 6, het volgende: “Het Arabisch is in Irak de algemene voertaal, met uitzondering van de gebieden onder controle van de KRG. In andere plaatsen en streken waar veel Koerden (bijvoorbeeld Kirkuk) en Turkmenen (bijvoorbeeld Tall Afar) woonachtig zijn, geldt naast het Arabisch ook het Koerdisch dan wel het Turkmeens vaak als voertaal. Onderwijs wordt buiten de KRG-gebieden overwegend in het Arabisch gegeven. In dit gebied woonachtige niet-Arabieren (zoals Koerden, Turkmenen en Armeniërs) zijn vaak ook, naast de taal van de minderheid waartoe zij behoren, in meer of mindere mate het Arabisch machtig.”(cursivering en onderstreping van de rechtbank).

Dat eiser volgens de taalanalyse over een beperkte beheersing van het Arabisch beschikt, is naar het oordeel van de rechtbank niet in strijd met het ambtsbericht. De rechtbank kan het BLT in de reactie van 19 november 2009 niet volgen in het standpunt dat “machtig zijn” een actieve beheersing van het Arabisch impliceert, nu het gaat om “in meer of mindere mate machtig” zijn.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank niet inzichtelijk op welke wijze de taalanalist tot de conclusie is gekomen dat eiser eenduidig niet is te herleiden tot de spraak- en cultuurgemeenschap binnen Centraal-Irak (regio [regio]). Verweerder heeft daarom (de conclusie in) het rapport van taalanalyse niet als motivering ten grondslag kunnen leggen aan de afwijzing van de aanvraag. Het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd, hetgeen in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

Waarvan proces-verbaal.

griffier rechter

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van dit proces-verbaal door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van dit proces-verbaal.