Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO3027

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-09-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/3811 AW
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:CRVB:2012:BX4807
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vakantieverlof bij ziekte. Beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de EG d.d. 20 januari 2009, inzake Schultz-Hoff en Stringer.

Eiseres was in de periode van 19 mei tot en met 8 juni 2008 gedeeltelijk arbeidsgeschikt. Zij heeft in deze periode dertig uren vakantieverlof opgenomen op de dagen dat zij arbeidsgeschikt was. De overige dagen was zij ziek en had zij ziekteverlof. Op die dagen kon eiseres dan ook geen vakantieverlof opnemen. Gelet op het verschil tussen het doel van vakantie- en ziekteverlof, zoals hierboven onder 6 beschreven, kunnen deze dertig uren vakantieverlof niet tezamen met het ziekteverlof worden aaneengeregen tot een periode van drie weken vakantieverlof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in het jaar 2008 veertig uren vakantieverlof genoten en daarmee is niet voldaan aan de minimumaanspraak van vier weken vakantieverlof, hetgeen voor eiseres immers neer komt op 96 uren.

Het beroep is op dit punt dan ook gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Afdeling 3, enkelvoudige kamer

Reg.nr.: AWB 10/3811 AW

UITSPRAAK ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

In het geding tussen

[betrokkene], wonende te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde [gemachtigde]

en

De Korpsbeheerder van het Politiekorps Haaglanden, verweerder.

I PROCESVERLOOP

Bij besluit van 29 januari 2009 (besluit I) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat het vakantieverlof voor het jaar 2008 met 62,2 uren wordt gekort.

Bij besluit van 23 oktober 2009 (besluit II) heeft verweerder eiseres medegedeeld dat 30,7 verlofuren aan haar worden uitbetaald.

Tegen deze besluiten heeft eiseres respectievelijk bij brief van 18 maart 2009 en 1 december 2009 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend.

Bij besluit van 20 april 2010 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen besluit I ongegrond en tegen besluit II gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 1 juni 2010 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 22 juli 2010 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 19 augustus 2010 ter zitting behandeld.

Namens eiseres is haar gemachtigde verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [gemachtigde].

II OVERWEGINGEN

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1 Eiseres is op 1 april 1989 in dienst getreden van het regionale politiekorps Haaglanden en is aangesteld voor 24 uur per week.

1.2 Vanaf 20 september 2007 tot 2 februari 2008 was eiseres volledig arbeidsongeschikt.

1.3 Vanaf 2 februari tot 7 december 2008 hebben perioden van volledige en gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid elkaar afgewisseld.

1.4 Per 1 november 2009 is eiseres ontslagen wegens ziekte.

1.5 Bij besluit van 29 januari 2009 heeft verweerder eiseres bericht dat haar verlofopbouw is gestopt vanaf de 26ste week na de aanvangsdatum van haar ziekte (ingevolge artikel 19, lid 5a, sub 3, van het Besluit algemene rechtspositie politie; hierna Barp). Op grond hiervan is het vakantieverlof van eiseres over de periode van 20 maart 2008 tot 1 januari 2009 met 62,2 uren gekort.

Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

1.6 Voorafgaand aan haar ontslag heeft verweerder eiseres bij besluit van 23 oktober 2009 medegedeeld dat haar resterende verlofuren zullen worden uitbetaald en dat dat in haar geval neer komt op 30,7 uren verlof, waarbij rekening is gehouden met de bij besluit van 29 januari 2009 toegepaste korting.

Tegen dit besluit heeft eiseres eveneens bezwaar gemaakt.

1.7 Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar tegen besluit I ongegrond verklaard en het bezwaar tegen besluit II gegrond verklaard en bepaald dat aan eiseres alsnog 76 uren verlof zal worden uitbetaald.

2. Eiseres heeft in beroep kort en zakelijk weergegeven aangevoerd dat het korten van de verlofuren in strijd is met artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG en met het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen d.d. 20 januari 2009, inzake Schultz-Hoff en Stringer (hierna: het arrest; LJN BH0693). Eiseres is van mening dat zij door het korten van haar verlofuren over 2008 te weinig vakantieverlof heeft opgebouwd en dat haar over 2009 te weinig uren zijn uitbetaald.

3. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd en heeft aangegeven dat ten aanzien van eiseres is voldaan aan de minimumaanspraak van vier weken verlof, zoals is bepaald in artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG.

4 De rechtbank overweegt als volgt.

Artikel 19, vierde lid, van het Barp, luidt als volgt:

"Over kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar in het geheel geen dienst verricht, met uitzondering van de eerste kalendermaand, heeft hij geen aanspraak op vakantie. Over

kalendermaanden gedurende welke de ambtenaar gedeeltelijk dienst verricht, heeft hij slechts aanspraak op vakantie naar evenredigheid van het gedeelte van het aantal uren waarop hij feitelijk dienst verricht."

Ingevolge artikel 19, vijfde lid, sub a onder 3, van het Barp is het vierde lid niet van toepassing indien geheel of gedeeltelijk geen dienst wordt verricht wegens niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar te wijten ziekte, gedurende de periode van de eerste 26 weken waarin geen dienst wordt verricht.

In artikel 7, eerste lid, van de Richtlijn 2003/88/EG is bepaald dat de lidstaten de nodige maatregelen treffen opdat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon van ten minste vier weken wordt toegekend, overeenkomstig de in de nationale wetten en/of gebruiken geldende voorwaarden voor het recht op en de toekenning van een dergelijke vakantie.

In het tweede lid is bepaald dat de minimumperiode van de jaarlijkse vakantie met behoud van loon niet door een financiële vergoeding kan worden vervangen, behalve in geval van beëindiging van het dienstverband.

In artikel 17 van Richtlijn 2003/88/EG is bepaald dat lidstaten van enkele bepalingen van deze Richtlijn kunnen afwijken. Ten aanzien van artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG is afwijking niet toegestaan.

5 Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zodat eiseres in beginsel een beroep op dit artikel kan doen.

6 Onder verwijzing naar het arrest overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspaak van het Hof van Justitie het recht van elke werknemer op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht, waarvan niet mag worden afgeweken en waaraan de bevoegde nationale autoriteiten slechts uitvoering mogen geven binnen de grenzen die uitdrukkelijk zijn aangegeven in Richtlijn 93/104 van de Raad van 23 november 1993 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (overweging 22 van het arrest).

Vast staat dat het doel van het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon is de werknemer in staat te stellen uit de rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. Daarin verschilt het van het doel van het recht op ziekteverlof. Dat laatste wordt de werknemer toegekend om te kunnen herstellen van ziekte.

Artikel 7 van Richtlijn 2003/88/EG staat in beginsel niet in de weg aan een nationale wettelijke regeling die voorwaarden voor de uitoefening van het uitdrukkelijk door deze richtlijn verleende recht op een jaarlijkse vakantie van vier weken stelt, zelfs met inbegrip van verlies van dit recht aan het einde van een referentieperiode of een overdrachtsperiode, mits de werknemer wiens recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon verloren gaat, daadwerkelijk de mogelijkheid heeft gehad van het hem door de richtlijn verleende recht gebruik te maken (overweging 43 van het arrest).

7 Eiseres was in de periode vanaf 2 maart tot 13 juli 2008 arbeidsgeschikt voor tien uur per week en was in die periode op de maandag en donderdag vijf uur per dag werkzaam.

Zij heeft in deze periode zes dagen van vijf uren (in totaal dertig uren) verlof opgenomen, te weten op maandag 19, 22 en 26 mei en op donderdag 29 mei en op 2 en 5 juni 2008. Door deze verlofdagen op te nemen was eiseres van 19 mei 2008 tot en met 8 juni 2008 een aaneengesloten periode van drie weken afwezig.

Voorts heeft zij in oktober en in november nog twee dagen verlof (samen tien uren) opgenomen. Het totale aantal verlofuren dat eiseres in 2008 heeft opgenomen komt daarmee op veertig uren.

8 Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten aanzien van eiseres in 2008 is voldaan aan de minimumaanspraak van vier weken verlof, zoals bedoeld in artikel 7 van de Richtlijn, doordat eiseres namelijk in de periode vanaf 19 mei tot en met 8 juni een aaneengesloten periode van drie weken verlof heeft gehad en voorts 26,7 uur verlof is overgeboekt naar het volgende jaar, hetgeen voor eiseres neer komt op één week verlof. Daarmee heeft eiseres in 2008 aanspraak gehad van vier weken verlof.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze redenering onjuist. Eiseres was in de periode van 19 mei tot en met 8 juni 2008 gedeeltelijk arbeidsgeschikt. Zij heeft in deze periode dertig uren vakantieverlof opgenomen op de dagen dat zij arbeidsgeschikt was. De overige dagen was zij ziek en had zij ziekteverlof. Op die dagen kon eiseres dan ook geen vakantieverlof opnemen. Gelet op het verschil tussen het doel van vakantie- en ziekteverlof, zoals hierboven onder 6 beschreven, kunnen deze dertig uren vakantieverlof niet tezamen met het ziekteverlof worden aaneengeregen tot een periode van drie weken vakantieverlof. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in het jaar 2008 veertig uren vakantieverlof genoten en daarmee is niet voldaan aan de minimumaanspraak van vier weken vakantieverlof, hetgeen voor eiseres immers neer komt op 96 uren.

Het beroep is op dit punt dan ook gegrond.

Eiseres heeft in 2009 geen verlof opgenomen. Derhalve is het restverlof uit 2008 bij ontslag uitbetaald. Aangezien het restverlof uit 2008 niet correct is berekend, is ook de berekening van de nog openstaande verlofuren bij ontslag onjuist. Ook op dit punt is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd.

9 Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:2 Awb tot stand gekomen. Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard en het besluit wordt vernietigd.

Nu het geschil zich enkel beperkt tot de berekening van het juiste aantal verlofuren van eiseres over het jaar 2008 zal de rechtbank zelf in de zaak voorzien. Daartoe strekt het volgende.

Eiseres had over het jaar 2008 recht op 96 uren (zijnde vier weken) vakantieverlof. Daarnaast had zij recht op 9,6 uren leeftijdsverlof en 8,9 uren restverlof uit het jaar 2007. Haar totale verlofaanspraak over het jaar 2008 bedraagt derhalve 114,5 uren.

Eiseres heeft 40 uren vakantieverlof opgenomen in 2008, waarna nog 74,5 uren resteren. Dit niet-genoten vakantieverlof had eind 2008 moeten worden overgeboekt naar 2009.

Bij ontslag had verweerder deze 74,5 uren vermeerderd met de reeds uitbetaalde 80 uren uit moeten betalen. Dat betekent dat aan eiseres op de datum van haar ontslag een vergoeding had dienen te worden toegekend ten bedrage van 154,5 maal het salaris per uur dat zij direct voorafgaand aan haar ontslag genoot. Aan eiseres zijn slechts 106,7 uren uitbetaald. Derhalve dient nog een aanvullend bedrag aan eiseres te worden uitbetaald gelijk aan 47,8 maal het laatstgenoten salaris per uur.

7. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep tot aan deze uitspraak redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

III BESLISSING

De Rechtbank 's-Gravenhage,

RECHT DOENDE:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit van 20 april 2010;

bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,-;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- vergoedt;

Aldus vastgesteld door mr. A.H. Bergman, in tegenwoordigheid van de griffier H. Pop.

Uitgesproken in het openbaar op 15 september 2010.

RECHTSMIDDEL

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Afschrift verzonden op: