Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2992

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
09-925777-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

Beschikking in raadkamer. Hoger beroep van de officier van justitie tegen de beslissingen van de rechter-commissaris waarbij de inverzekeringstelling van de verdachte onrechtmatig is verklaard, de onmiddellijke invrijheidstelling is bevolen en de vordering tot inbewaringstelling is afgewezen. Aan de bestuurder van een auto met vier inzittenden werd door verbalisanten een stopteken gegeven. Verdachte en twee mede-inzittenden overhandigden desgevraagd hun legitimatiebewijs. De bestuurder heeft het kentekenbewijs overhandigd, gezegd dat hij niet de eigenaar van de auto was en verklaard dat hij geen rijbewijs bij zich had. Bij fouillering van de bestuurder ter vaststelling van zijn identiteit werd geen geldig legitimatiebewijs aangetroffen. Een van de verbalisanten heeft de bestuurder vervolgens gesommeerd de kofferruimte van de auto te openen met de bedoeling daarin te zoeken naar een geldig legitimatiebewijs. In de kofferruimte werden goederen aangetroffen die niet in nieuwstaat verkeerden. Vervolgens zijn alle vier inzittenden aangehouden op verdenking van diefstal dan wel heling. Daarbij is in het proces-verbaal ten aanzien van verdachte en een tweede inzittende, die desgevraagd hun legitimatiebewijs hadden overhandigd, gerelateerd dat zij bij de politie bekend staan als personen die zich de afgelopen tijd bezig zouden houden met inbraken. De rechtbank heeft allereerst de vraag te beantwoorden of de verbalisanten bevoegd waren de kofferruimte van de auto te laten openen teneinde daarin te zoeken naar een geldig legitimatiebewijs van de bestuurder. De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een rechtmatige uitoefening van opsporingsbevoegdheden. De volgende vraag is of uit feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan diefstal dan wel heling zoals is vermeld in het proces-verbaal van aanhouding. De conclusie van de rechtbank is dat de aanhouding en de inverzekeringstelling van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden. Ook de vraag of ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn die moeten leiden tot de inbewaringstelling van de verdachte wordt door de rechtbank bevestigend beantwoord. De rechtbank beveelt daarom de bewaring van verdachte voor een termijn van 14 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

parketnummer : 09/925777-10

De rechtbank heeft gezien de akte rechtsmiddel d.d. 27 oktober 2010, houdende hoger beroep van de officier van justitie te ’s-Gravenhage tegen de beslissingen d.d. 21 oktober 2010 van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de hierboven genoemde rechtbank, waarbij de inverzekeringstelling van de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

adres [adres]

onrechtmatig is verklaard, de onmiddellijke invrijheidstelling is bevolen en de vordering tot inbewaringstelling is afgewezen.

De rechtbank heeft de stukken in deze zaak gezien, waaronder de bestreden beslissingen van de rechter-commissaris d.d. 21 oktober 2010, alsmede de appèlmemorie van de officier van justitie d.d. 27 oktober 2010.

De behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden in raadkamer op 4 november 2010.

In raadkamer zijn gehoord de officier van justitie en de verdachte en zijn raadsman.

Het hoger beroep is tijdig ingesteld, zodat de officier van justitie in haar beroep kan worden ontvangen.

Beoordeling van het hoger beroep

Bij de beoordeling van het hoger beroep gaat de rechtbank uit van het navolgende.

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zagen op 19 oktober 2010 omstreeks 2:05 uur te Zoetermeer een personenauto voorzien van kenteken [kenteken] vanaf het Bovenlangs, rechtsafslaand de Nederlandlaan op rijden. De verbalisanten zagen dat het rechterachterlicht en de kentekenplaatverlichting niet brandden. Daarop is aan de bestuurder van de auto een stopteken gegeven, waaraan de bestuurder voldeed. Op de vordering van de verbalisanten zijn rijbewijs en het kentekenbewijs ter inzage te geven, heeft de bestuurder het kentekenbewijs van de auto overhandigd. Tevens heeft hij verklaard geen rijbewijs bij zich te hebben. Hij gaf op [A] te heten en geboren te zijn in [plaats] op [geboortedatum] 1991. Bij navraag bleek een persoon met deze gegevens niet bekend te zijn in het GBA en evenmin in het register van de RDW voor te komen. De drie mede-inzittenden overhandigden desgevraagd hun legitimatiebewijs. Zij bleken [B], [naam verdachte] en [D] te heten.

Op de vraag wie de eigenaar was van de auto zei de bestuurder dat hij alleen maar wist dat zij [voornaam] heette. Het kentekenbewijs was op naam gesteld van [E]. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de bestuurder vervolgens onderworpen aan een fouillering ter vaststelling van zijn identiteit. Daarbij werd geen geldig legitimatiebewijs aangetroffen. Vervolgens heeft verbalisant [verbalisant 1] de bestuurder gesommeerd de kofferruimte van de auto te openen met de bedoeling daarin te zoeken naar een geldig legitimatiebewijs. In de kofferruimte zijn onder andere een beeldscherm, een laptoptas, een tv-scherm en diverse afstandbedieningen aangetroffen die niet in nieuwstaat verkeerden. De bestuurder werd zenuwachtig. Nadat de bestuurder de cautie werd gegeven werd hem gevraagd waarom die goederen daar lagen. De bestuurder zei dat hij dacht dat ze van de eigenaar van de auto waren. Vervolgens zijn alle vier personen aangehouden op verdenking van diefstal dan wel heling. Daarbij is in het proces-verbaal ten aanzien van verdachten [verdachte] en [D] gerelateerd dat zij bij de politie bekend staan als personen die zich de afgelopen tijd bezig zouden houden met inbraken.

Op het politiebureau hebben de verbalisanten die de bestuurder hadden aangehouden de bestuurder herkend als zijnde [F], geboren [geboortedatum] 1992 aan de hand van een foto ‘aandachtvestiging’. [F] heeft verklaard dat hij een valse naam had opgegeven en dat hij [F] is.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de politie bevoegd was een onderzoek in te stellen in de auto en in de kofferbak, teneinde te kunnen vaststellen of zich daarin geen identificatiemiddel bevond. Na het constateren van de aanwezigheid van de aangetroffen goederen en het ontbreken van een aannemelijke verklaring daarvoor heeft de politie de bestuurder en de mede-inzittenden kunnen aanhouden en in verzekering stellen.

De verdediging heeft pleitaantekeningen overgelegd aan de voorzitter van de rechtbank. Deze pleitaantekeningen worden aan het proces-verbaal van de zitting gehecht.

De rechtbank heeft allereerst de vraag te beantwoorden of de verbalisanten bevoegd waren de kofferruimte van de auto te laten openen teneinde daarin te zoeken naar een geldig legitimatiebewijs van de bestuurder. Voor de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de feiten zoals die zijn vastgelegd in het proces-verbaal van aanhouding. De verbalisanten hebben de auto doen stilhouden ter uitvoering van een verkeerscontrole op grond van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994. De bestuurder heeft vervolgens alleen het kentekenbewijs overgelegd en heeft verklaard dat hij zijn rijbewijs niet bij zich had. De verbalisant heeft daarop op grond van artikel 8A van de Politiewet inzage gevorderd van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht van personen. De bestuurder, die later [F] bleek te heten, voldeed niet aan deze vordering. Dat leidt op zichzelf tot de verdenking van overtreding van artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht. De verbalisant heeft de bestuurder daarop aangesproken en gevraagd naar zijn naam. Deze bevoegdheid is gebaseerd op artikel 52 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Het feitelijke aanspreken is aan te merken als staande houden in de zin van deze bepaling. Verdachte heeft daarop gezegd [A] te heten. Deze naam bleek echter niet voor te komen in de GBA en was evenmin bekend bij de RDW. Daarop heeft een onderzoek aan de kleding plaatsgevonden op grond van artikel 55b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv)1, welk onderzoek geen resultaat heeft opgeleverd. Nu zoals hiervoor is vastgesteld, sprake was van een verdenking van een strafbaar feit, te weten de overtreding van artikel 447e Sr en tevens sprake was van een staande gehouden verdachte, waren de verbalisanten bevoegd gebruik te maken van de onderzoeksbevoegdheden van artikel 55b Sv. Artikel 55b, eerste lid, Sv houdt naast het onderzoek aan de kleding tevens de bevoegdheid in de voorwerpen die een verdachte bij zich draagt of met zich mee voert te onderzoeken, voor zover zulks noodzakelijk is voor de vaststelling van de identiteit. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat een dergelijk onderzoek bijzonder grondig mag zijn, zij het dat het onderzoek met de nodige behoedzaamheid moet gebeuren.2 De rechtbank is van oordeel dat onder voorwerpen die een verdachte met zich voert een auto kan worden begrepen en dat het onderzoeken van de auto valt onder de reikwijdte van het onderzoek zoals dat is genoemd in artikel 55b, eerste lid, Sv. Het laten openen van de kofferruimte van de auto is uit een oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit dan ook toegelaten. Geen rechtsregel staat er in de weg dat verbalisanten ten behoeve van dat onderzoek in de kofferruimte wilden kijken, temeer nu in de auto drie mede-inzittenden zaten en het niet onmogelijk was dat de bestuurder persoonlijke zaken in de kofferruimte had gelegd. Zulks leidt tot het oordeel dat sprake is geweest van een rechtmatige uitoefening van opsporingsbevoegdheden.

De volgende vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is of uit feiten en omstandigheden kan worden afgeleid dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan diefstal dan wel heling zoals is vermeld in het proces-verbaal van aanhouding. Bij de beantwoording van deze vraag heeft de rechtbank acht geslagen op het gehele dossier zoals dat aan de rechter-commissaris is overgelegd. De rechtbank stelt vast dat de politie op grond van het feit dat verdachte [F] geen overtuigende informatie kon geven over zijn identiteit, evenals over de herkomst van het voertuig waar hij in reed en evenmin over de daarin aangetroffen goederen, de verbalisanten [F] hebben kunnen aanmerken als verdachte. Ten aanzien van de mede-inzittenden [verdachte] en [D] was het de verbalisant [verbalisant 1] bekend dat deze verdachten werden genoemd als zijnde personen die zich de afgelopen tijd bezig zouden hebben gehouden met inbraken. Voorts gelet op het tijdstip, omstreeks 2:00 uur in de nacht, heeft de politie ook deze personen kunnen aanmerken als verdachte.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de aanhouding en de inverzekeringstelling van verdachte rechtmatig heeft plaatsgevonden.

De volgende vraag is of ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn die moeten leiden tot de inbewaringstelling van de verdachte. Uit de in het dossier opgenomen aangiften kan worden afgeleid dat de aangetroffen goederen van diefstal afkomstig zijn. Deze diefstallen zijn gepleegd in de uren voorafgaand aan de aanhouding van verdachte. Voorts komt uit getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden naar voren dat verdachte [F] de auto in bruikleen heeft gekregen van [E] op zaterdag 16 oktober 2010 en dat verdachte op dat moment samen was met twee andere personen van Marokkaanse afkomst. De kofferbak was volgens [E] leeg ten tijde van het uitlenen. Verdachte en zijn medeverdachten zijn op 19 oktober 2010 omstreeks 2:00 uur samen aangetroffen in een auto met daarin goederen die afkomstig bleken te zijn van meerdere diefstallen die in de uren daarvoor waren gepleegd. Voorts is vastgesteld dat er op de aangetroffen goederen dactyloscopische sporen zijn aangetroffen die matchen met verdachte [F] en met verdachte [D]. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de ernstige bezwaren aanwezig. Voorts is verdachte eerder veroordeeld ter zake van vermogensdelicten en wordt hij thans verdacht van meerdere diefstallen dan wel opzetheling, zodat gevreesd moet worden dat verdachte opnieuw strafbare feiten zal plegen. De rechtbank zal daarom de bewaring van verdachte bevelen.

De verdediging heeft subsidiair verzocht de inbewaringstelling te schorsen, vanwege de aanwezigheid van persoonlijke belangen, zoals deze bij de rechter-commissaris zijn aangevoerd. De officier van justitie heeft zich verzet tegen de toewijzing van dit verzoek. De rechtbank is van oordeel dat de strafvorderlijke belangen zwaarder moeten wegen dan de persoonlijke belangen van de verdachte, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 59c, 63, 64, 67, 67a, 78 en 448 lid 1van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING :

Verklaart het hoger beroep van de officier van justitie gegrond en vernietigt de beslissingen van de rechter-commissaris d.d. 21 oktober 2010.

OPNIEUW RECHTDOEND

Spreekt als haar oordeel uit dat de inverzekeringstelling van verdachte niet onrechtmatig is;

Verleent terzake van de feiten omschreven in de vordering tot inbewaringstelling d.d. 21 oktober 2010 een bevel tot bewaring tegen verdachte voor een termijn van veertien dagen;

Wijst af het verzoek tot opschorting van de voorlopige hechtenis.

Deze beschikking is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 4 november 2010

Door mrs Steenhuis, voorzitter, Van Loenhoud en Bouman, rechters,

in tegenwoordigheid van Heesterman, griffier.

1 Artikel 55b is gewijzigd per 1 oktober 2010 (Stb. 2009, 317).

2 Verslag van een wetgevingsoverleg van de Vaste commissie van justitie (TK Kamerstukken 2000/01, 26 983, nr. 11, p. 13).