Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2983

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
05-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/31795, 09/31792 & 09/31796
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het bestreden besluit van eiser, dat is herhaald en ingelast in het besluit van eiseres 2, staat voor zover van belang nog het volgende: “dat de dood van de vader van betrokkene het resultaat is van een vergiftiging door de zwager van betrokkene stoelt daarmee slechts op vermoedens zijnerzijds en mist onderbouwing. Derhalve ontberen de verklaringen van betrokkene positieve overtuigingskracht en worden de verklaringen van betrokkene omtrent de oorzaak van de dood van zijn vader ongeloofwaardig geacht”. Naar het oordeel van de rechtbank sluiten deze bewoordingen in het bestreden besluit de stelling van eiser, dat slechts wordt getwijfeld aan de opgegeven doodsoorzaak maar niet aan het overlijden van de echtgenoot van eiseres 2, niet uit. Nu de geloofwaardigheid van het overlijden van de echtgenoot van eiseres 2 essentieel is voor verweerders standpunt in de brief van 26 mei 2010, dat niet geloofwaardig is bevonden dat de echtgenoot van eiseres 2 is overleden, welk standpunt wordt aangemerkt als onderdeel van het bestreden besluit, berust het besluit dat eiseres niet is aan te merken als alleenstaande vrouw niet op een deugdelijke motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummers: AWB 09 / 31795 (beroep eiser 1)

AWB 09 / 31792 (beroep eiseres 1)

AWB 09 / 31796 (beroep eiseres 2)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van .. juli 2010

in de zaak van:

[naam eiser 1] (eiser),

geboren op [geboortedatum],

[naam eiseres 1] (eiseres 1),

geboren op [geboortedatum],

[naam eiseres 2] (eiseres 2),

geboren op [geboortedatum],

allen van Afghaanse nationaliteit,

eisers,

gemachtigde: mr. U. Koopmans, advocaat te Haarlem,

tegen:

de minister van Justitie, voorheen de staatssecretaris van Justitie,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.A. Pruss, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Eisers hebben op 29 mei 2008 aanvragen ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvragen van eiser en eiseres 1 bij besluiten van 11 augustus 2009 afgewezen. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres 2 bij besluit van 3 augustus 2009 afgewezen. Eisers hebben tegen de besluiten op 1 september 2009 beroepen ingesteld.

1.2 De openbare behandeling van de geschillen heeft plaatsgevonden op 6 mei 2010. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

1.3 De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst in afwachting van het schriftelijke verzoek van de gemachtigde om rekening te houden met nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 83, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en verweerders reactie op grond van artikel 83, derde lid, Vw daarop. Gemachtigde heeft op 14 mei 2010 gereageerd. Verweerder heeft op 26 mei 2010 gereageerd.

1.4 De openbare behandeling van de geschillen is voortgezet op 13 juli 2010. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. In 1993 is eiseres 1 gehuwd met [naam] In 1996 na de machtsovername door de Taliban is eiser samen met zijn vader en moeder, eiseres 2, vertrokken naar Pakistan. Eisers vader heeft eiseres 1 vanuit Pakistan enkele malen bezocht in Afghanistan. Eisers vader is er zodoende achtergekomen dat de echtgenoot van eiseres 1 haar mishandeld en dat de echtgenoot zich heeft aangesloten bij de Taliban. In 2001 hoort eiser van zijn ooms dat zijn vader is vergiftigd door de echtgenoot van eiseres 1 en daardoor is overleden. In 2008 weet eiser eiseres 1 te bevrijden nadat hij van een van haar zoons heeft gehoord dat zij alleen thuis was. Eiser vreest hierdoor voor wraak van de echtgenoot van eiseres 1. Naar aanleiding hiervan hebben eisers hun land van herkomst verlaten. Het relaas van eiseres 2 is gelijk aan dat van eiser. Eiseres 1 kon vanwege haar psychische gesteldheid niet gehoord worden.

2.2 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen op grond van het volgende.

Eiser en eiseres 2 zijn toerekenbaar ongedocumenteerd inzake hun reisroute en hebben onvoldoende meegewerkt aan de vaststelling van de reisroute. Eiser is tevens toerekenbaar ongedocumenteerd inzake zijn identiteit en nationaliteit. Het relaas van eiser en eiseres 2 mist positieve overtuigingskracht en is niet geloofwaardig. Eiser en eiseres 2 komen daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw. Het beroep op artikel 15, onder c, richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) slaagt niet.

Nu eiseres 1 vanwege haar psychische gesteldheid niet gehoord kon worden, wordt bij de beoordeling van haar aanvraag uitgegaan van de verklaringen van eiser en eiseres 2. Nu die aanvragen zijn afgewezen, bestaat hierin geen grond eiseres 1 een verblijfsvergunning te verlenen. Eiseres 1 komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw. De medische situatie van eiseres 1 zal bij uitzetting niet leiden tot een schending van artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft in dit verband verwezen naar de adviezen van Bureau Medische Advisering (BMA) van 11 april 2009 en 30 juli 2009.

2.3 Uit het IOM-IND verificatieformulier van 31 juli 2009 volgt dat eiser en eiseres 1 Nederland hebben verlaten. (In het formulier staat dat bestemmingsland Afghanistan is maar het is niet duidelijk of ze hier uiteindelijk naar toe zijn gegaan). Vaststaat dat eisers de behandeling van hun aanvragen en de beroepen in Nederland mochten afwachten. Onder deze omstandigheden neemt de rechtbank aan, dat eiser en eiseres 1 geen prijs meer stellen op het inwilligen van hun aanvraag. Eiser en eiseres 1 hebben daarom geen rechtens te beschermen belang bij een beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden besluiten. De rechtbank zal hun beroepen derhalve niet-ontvankelijk verklaren.

2.4 Eiseres 2 heeft in de gronden van beroep van 30 september 2009 aangegeven dat haar aanvraag en die van eiser afhankelijk is van de aanvraag van eiseres 1. Nu eiser en eiseres 1 Nederland hebben verlaten, bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres 1 en derhalve tevens eiseres 2, voor zover haar relaas afhankelijk is van de aanvraag van eiseres 1, niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 Vw.

2.5 Ten behoeve van eiseres 2 is voorts aangevoerd dat zij thans, doordat eiser en eiseres 1 Nederland hebben verlaten, moet worden aangemerkt als een alleenstaande vrouw in de zin van WBV 2006/22, WBV 2008/25 en WBV 2010/1. Eiseres 2 zal bij terugkeer meer dan andere alleenstaande vrouwen een risico in de zin van artikel 3 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) lopen gezien haar individuele indicaties die een samenloop van geheugen- en concentratieproblemen, depressiviteit en psychotrauma klachten inhouden. Eiseres 2 is niet zelfredzaam. In dit verband heeft eiseres 2 gewezen op een brief van [naam], COA casemanager, van 25 februari 2010, een brief van [naam], huisarts van 21 april 2010 en een brief van [naam] klinisch geriater van 20 april 2010. Eiseres dient gelet op voornoemde omstandigheden eveneens in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres 2 niet kan worden aangemerkt als alleenstaande vrouw in de zin van WBV 2006/22, WBV 2008/25 of WBV 2010/1. Daarvoor is van belang dat niet geloofwaardig is bevonden dat de echtgenoot van eiseres 2 is overleden. In het kader van WBV 2006/22 en WBV 2008/25 is nog van belang dat niet gebleken is dat eiser niet is teruggekeerd naar Afghanistan. Los daarvan kan de omstandigheid dat eiseres 2 niet zelfredzaam is niet worden aangemerkt als een individuele indicatie waarmee aannemelijk is gemaakt dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. Zo heeft eiseres 2 niet aannemelijk gemaakt dat zij verstoken zal zijn van de zorgen van haar echtgenoot en haar meerderjarige kinderen. Bovendien meent verweerder dat het bij op zichzelf beperkte individuele indicaties dient te gaan om gebeurtenissen die zich in het land van herkomst hebben afgespeeld en die aanleiding vormen te veronderstellen dat de vreemdeling bij terugkeer slachtoffer wordt van een schending van artikel 3 EVRM. Verweerder verwijst hiertoe naar WBV 2007/19 paragraaf 3.13 ad b.

2.7 Er zijn geen beroepsgronden aangevoerd tegen de in het besluit van eiseres 2 herhaalde ingelaste overweging van het besluit van eiser, dat het overlijden van de eisers vader (= echtgenoot eiseres 2) niet geloofwaardig is nu eiser enkel van zijn ooms heeft vernomen dat zijn vader door zijn zwager is vergiftigd en deze informatie volgens verweerder niet afkomstig is uit objectief verifieerbare bron. Verweerder heeft zich gelet hierop op het standpunt kunnen stellen dat niet is aangetoond dat de gezinsband tussen eiseres 2 en haar echtgenoot is verbroken en dat eiseres niet kan worden aangemerkt als alleenstaande vrouw in de zin van bovengenoemde WBV’s. Nu eiseres 2 niet kan worden aangemerkt als alleenstaande vrouw behoort zij niet tot een kwetsbare minderheidsgroep en geldt voor haar niet de lichtere bewijslast dat zij met op zichzelf beperkte individuele indicaties reeds aannemelijk kan maken dat bij terugkeer een schending van artikel 3 EVRM dreigt. Met hetgeen eiseres heeft aangevoerd ter onderbouwing van haar stelling dat zij niet zelfredzaam is, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM loopt. Daarbij is van belang dat niet aannemelijk is dat eiseres 2 verstoken zal blijven van de zorgen van haar echtgenoot. Eiseres komt op grond van het vorenstaande evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw nu het in het onderhavige geval gaat om humanitaire redenen die zijn ontstaan na het vertrek uit het land van herkomst. De rechtbank verwijst in dit verband naar het beleid in C2/4.3 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).

2.8 De rechtbank verklaart de beroepen van eiser en eiseres 1 niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart het beroep van eiseres 2 ongegrond.

2.9 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte proceskosten.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen van eiser en eiseres 1 niet-ontvankelijk;

3.2 verklaart het beroep van eiseres 2 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, rechter, en op 5 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.