Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2937

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-10-2010
Datum publicatie
08-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/45732 en 09/45737 (beroepen); AWB 09/37180 en 09/45738 (voorlopige voorzieningen)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2012:BW4268, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft onvoldoende uitvoering gegeven aan hetgeen in de tussenuitspraak van 10 juni 2010 is overwogen. Verweerder zal het (medisch) dossier ter beantwoording van de vragen die in de tussenuitspraak van 10 juni 2010 zijn geformuleerd en in deze uitspraak zijn verduidelijkt, dienen voor te leggen aan een arts van het BMA. In het kader van zijn vergewisplicht bij een ingewonnen advies moet verweerder controleren of de BMA-arts over eiseres een medisch oordeel heeft gegeven over behandeling in Soedan, waarbij dient te worden ingegaan op de vraag of gezien het standpunt van de behandelaars van eiseres behandeling in Soedan voor eiseres effectief en adequaat is. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat de BMA-arts het meergenoemde standpunt van de behandelende sector over het contra-geïndiceerdzijn van behandeling in Soedan, wel heeft gezien en met het advies waarin daarop niet is ingegaan (impliciet) te kennen heeft gegeven dat niet te volgen. Die implicietheid is nu juist wat tekortschiet, dus dit betoog faalt. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat ook de mogelijkheid bestaat dat de arts onvoldoende aanknopingspunten vindt in het medisch dossier en de anamnese voor het standpunt dat in Soedan geen adequate en effectieve behandeling beschikbaar is voor eiseres. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 09/45732 en 09/45737 (beroepen)

AWB 09/37180 en 09/45738 (voorlopige voorzieningen)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaa[eiseres]] geboren op 1 juli 1976, van Soedanese nationaliteit, en [eiser], geboren op [geboortedatum] 2008, eisers/verzoekers,

gemachtigde: mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. F. Baeten.

Inleiding

1.1 Op 12 juni 2009 is een verzoek gedaan om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij separate besluiten van 7 oktober 2009 heeft verweerder de aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw over eisers/verzoekers (hierna: eisers) afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij separate besluiten van 7 december 2009 kennelijk ongegrond verklaard. Tegen de besluiten van 7 december 2009 richten zich de beroepen.

1.2 Eisers hebben de voorzieningenrechter tevens verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat uitzetting achterwege dient te blijven, totdat op het beroep is beslist.

1.3 De gedingen zijn behandeld ter zitting van 18 maart 2010, waar [eiseres] (hierna: eiseres) is verschenen. Eiseres is vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman en verweerder door mr. J. Raaijmakers.

1.4 Op 10 juni 2010 heeft de rechtbank in het beroep met nummer AWB 09/45732 een tussenuitspraak gedaan. De tussenuitspraak maakt onderdeel uit van deze uitspraak.

1.5 Verweerder heeft op 1 juli 2010 met een aanvullend verweerschrift op deze tussenuitspraak gereageerd. Bij brief van 9 juli 2010 heeft eiseres op de reactie van verweerder gereageerd.

1.6 De behandeling ter zitting is voortgezet op 4 oktober 2010, waar eiseres is verschenen. Eiseres en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

Over het beroep met nummer AWB 09/45732

2.1 De rechtbank heeft in de tussenuitspraak van 10 juni 2010 overwogen dat het bestreden besluit op een aantal punten in strijd is met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Rechtsoverweging 2.11 van deze uitspraak strekt ertoe dat dit gebrek in de besluitvorming alleen kan worden geheeld door het standpunt van een arts van het Bureau Medische Advisering (BMA). Uit het aanvullend verweerschrift van 1 juli 2010 blijkt dat verweerder telefonisch contact heeft gehad met het BMA en dat “het BMA” heeft verklaard dat de algemene nota van 27 augustus 2008 eveneens en zonder voorbehoud van toepassing is op de zaak van eiseres. De rechtbank overweegt dat hiermee niet kenbaar en controleerbaar is of dit standpunt afkomstig is van een BMA-arts die verweerder met kennis van het dossier van eiseres hierover heeft geadviseerd. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder hiermee geen uitvoering heeft gegeven aan hetgeen in rechtsoverweging 2.11 van de tussenuitspraak van 10 juni 2010 is overwogen.

2.2 In rechtsoverweging 2.14 van de tussenuitspraak van 10 juni 2010 zijn overwegingen van het Regionaal Tuchtcollege (RT) en het Centaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (hierna: CTG) weergegeven waaruit volgt dat het beantwoorden van de vraag of het land van herkomst een veilige behandelomgeving voor een betrokkene is, valt binnen het medisch domein, hetgeen door de rechtbank in de tussenuitspraak van 10 juni 2010 wordt gevolgd. Ter zitting van 4 oktober 2010 heeft verweerder erkend dat de beantwoording van die vraag tot het medisch domein behoort, maar verweerder heeft zich onder verwijzing naar de algemene nota van het BMA op het standpunt gesteld dat een standpunt over de vraag of eiseres zich in het land van herkomst onveilig zal voelen medisch gezien niet te objectiveren is. Rechtsoverweging 2.18 van de uitspraak van 10 juni 2010 strekt ertoe dat verweerder in het licht van de overwegingen van het CTG, en in het kader van de vergewisplicht, zich niet zelf op zo'n standpunt kan stellen. De vraag of eiseres in Soedan effectief en adequaat kan worden behandeld met name gelet op de aard en oorzaak van haar trauma en het feit dat volgens de behandelaars de behandeling van eiseres om een als vertrouwd en veilig ervaren omgeving vraagt en behandeling in Soedan door eiseres als niet veilig zal worden ervaren en gedoemd is te mislukken zal uiteindelijk door een arts moeten worden beantwoord met kennis van het medisch dossier van eiseres. Uit rechtoverweging 5.2 van de uitspraak van 22 januari 2010 van het CTG volgt immers dat de BMA-arts (nader) moet onderzoeken of sprake is van een veilige behandelomgeving en de bevindingen van dit onderzoek in een rapportage dient weer te geven. Als dit niet mogelijk is dient de arts de daarmee samenhangende vragen van verweerder in het BMA-advies niet te beantwoorden dan wel haar twijfel te uiten omtrent de effectiviteit van de in het algemeen in het land van herkomst (in dat geval Rusland) beschikbare behandeling van posttraumatische stressstoornis.

2.3 Het voorgaande houdt in dat verweerder het (medisch) dossier ter beantwoording van de vragen zoals die in de tussenuitspraak van 10 juni 2010 zijn geformuleerd en in deze uitspraak zijn verduidelijkt, zal dienen voor te leggen aan een arts van het BMA. In het kader van zijn vergewisplicht bij een ingewonnen advies moet verweerder controleren of de BMA-arts over eiseres een medisch oordeel heeft gegeven over behandeling in Soedan, waarbij dient te worden ingegaan op de vraag of gezien het standpunt van de behandelaars van eiseres behandeling in Soedan voor eiseres effectief en adequaat is. Ter zitting heeft verweerder betoogd dat de BMA-arts het meergenoemde standpunt van de behandelende sector over het contra-geïndiceerdzijn van behandeling in Soedan, wel heeft gezien en met het advies waarin daarop niet is ingegaan (impliciet) te kennen heeft gegeven dat niet te volgen. Die implicietheid is nu juist wat tekortschiet, dus dit betoog faalt. Ter voorlichting van partijen merkt de rechtbank op dat ook de mogelijkheid bestaat dat de arts onvoldoende aanknopingspunten vindt in het medisch dossier en de anamnese voor het standpunt dat in Soedan geen adequate en effectieve behandeling beschikbaar is voor eiseres.

2.4 Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking.

Over de voorlopige voorziening met nummer AWB 09/37180

2.5 Omdat het beroep met nummer AWB 09/45732 gegrond is en de rechtbank het bestreden besluit in die zaak heeft vernietigd, treedt in die procedure de fase van bezwaar opnieuw in. Aangezien het bezwaarschrift in dit geval geen schorsende werking heeft, heeft eiseres een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De rechtbank wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en verbiedt verweerder eiseres uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat opnieuw op het bezwaar van eiseres is beslist.

Over het beroep (AWB 09/45732) en de voorlopige voorziening (AWB 09/37180)

2.6 De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres en het betaalde griffierecht. De proceskosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1748,- (1 punt voor het beroepsschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor repliek/dupliek en 0,5 punt voor de nadere zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-).

Over het beroep met nummer AWB 09/45737

2.7 Aan het besluit over [eiser] (hierna: eiser), de zoon van eiseres heeft verweerder een BMA-advies van 22 september 2009 ten grondslag gelegd. Over de medische situatie en behandeling van eiser is in dit advies opgenomen dat eiser een aangeboren vorm van dwerggroei heeft (achondroplasie). Eiser (toen) 16 maanden oud, kan ten gevolge daarvan nog niet zitten en staan. Daarnaast is er kans op complicaties zoals oorproblemen, problemen met het gebit, botproblemen en neurologische problemen. Eiser staat onder controle van een kinderarts, heeft fysiotherapie en wordt gezien door een orthopeed en een KNO-arts. De medische controle is van blijvende aard.

2.8 Verweerder heeft zich onder verwijzing naar dit advies op het standpunt gesteld dat eiser kan reizen als aan de gestelde reisvoorwaarden is voldaan. Bij het staken van de behandeling is een medische noodsituatie op korte termijn niet uit te sluiten maar uit het BMA-advies blijkt dat er adequate behandelmogelijkheden aanwezig zijn, zodat geen medische noodsituatie zal ontstaan.

2.9 De rechtbank stelt vast dat eiser in beroep en in bezwaar geen gronden heeft aangevoerd gericht tegen dit besluit van verweerder. Voor zover eiser in het bezwaar en beroep heeft verwezen naar de gronden die zijn ingediend gericht tegen het besluit over eiseres heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat dit niet kan leiden tot een andere conclusie over eiser nu hij een heel ander ziektebeeld heeft dan zijn moeder. Het beroep onder AWB 09/45737 is dan ook ongegrond.

Over de voorlopige voorziening met nummer AWB 09/45738

2.10 Gegeven de beslissing inzake het beroep met nummer AWB 09/45737 is er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen. Eiser heeft ter zitting verzocht om de voorlopige voorziening van eiser connex te laten zijn aan de procedure van eiseres, met het verzoek om voor eisers de voorlopige voorziening te treffen als ware artikel 64 van de Vw op hen van toepassing. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening nu verweerder ter zitting heeft meegedeeld dat geen gescheiden uitzetting van eiser en eiseres dreigt. Ook heeft verweerder gesteld dat van kinderen zonder rechtmatig verblijf niet zomaar de opvang zal worden beëindigd, zeker niet als de ouders nog wel in de opvang verblijven. In wat eisers hebben aangevoerd, is geen aanleiding gelegen een andere voorlopige voorziening te treffen dan de gebruikelijke in een situatie als deze.

Over het beroep (AWB 09/45737 ) en de voorlopige voorziening (AWB 09/45738)

2.11 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

Over het beroep AWB 09/45732

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het besluit van 7 december 2009;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 150 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 1311, te betalen aan eiseres.

Over het beroep AWB 09/45737

verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

Over de gevraagde voorlopige voorziening AWB 09/37180

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

verbiedt verweerder eiseres uit Nederland te verwijderen tot vier weken nadat op het bezwaar is beslist;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 437,-, te betalen aan eiseres.

Over de gevraagde voorlopige voorziening AWB 09/45738

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg en in het openbaar uitgesproken op 28 oktober 2010.

De griffier: De rechter:

mr. N.R. Hoogenberk mr. D.A. Verburg