Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2814

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
10/25738 en 10/25734
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BU6102, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010 (JV 2010, 177, Choukroun) heeft het Hof een interpretatie gegeven van het begrip “stabiele en regelmatige inkomsten” als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Ten onrechte heeft verweerder de aanvraag niet getoetst aan dit communautaire kader bij de beoordeling of wordt voldaan aan het middelenvereiste. Inkomsten uit studiefinanciering kunnen, volgens de voorzieningenrechter, worden beschouwd als een voorziening waarop jongeren aanspraak hebben die een opleiding kunnen en willen volgen, waarbij de aanspraak niet wordt toegekend omdat de betreffende jongere niet in staat is stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten te verwerven, maar om deze jongeren gedurende een beperkt aantal jaren in staat te stellen voltijds een opleiding te volgen. Verweerder heeft studiefinanciering ten onrechte aangemerkt als sociale bijstand.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/31
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Voorzieningenrechter

Nevenzittingsplaats Rotterdam

Reg.nr.: AWB 10/25738 en AWB 10/25734

V-nummer: 911.037.0703

Inzake: [verzoeker] , verzoeker,

gemachtigde mr. M. Wiersma, advocaat te Rotterdam,

tegen: de Minister voor Immigratie en Asiel en zijn rechtsvoorganger, verweerder,

gemachtigde mr. R.C. van Keeken.

1 Procesverloop

1 Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1984 en bezit de Amerikaanse nationaliteit. Hij verblijft sedert oktober 2007 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in Nederland. Op 18 januari 2010 heeft hij een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000 met als doel ‘verblijf bij partner < naam >. Op deze aanvraag heeft verweerder op 19 maart 2010 afwijzend beslist. Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt op 8 april 2010. Verweerder heeft op 6 juli 2010 het bezwaar ongegrond verklaard. Bij brief van 20 juli 2010 heeft verzoeker tegen dit besluit beroep ingesteld.

2 Op 21 juli 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten totdat op het beroep is beslist.

3 De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op

16 september 2010. Ter zitting is verschenen verzoeker, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen referente [partner] . Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2 Overwegingen

1.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid van de Awb kan de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak.

1.3 Ingevolge artikel 14, tweede lid van de Vw 2000 wordt een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder een beperking, verband houdende met het doel waarvoor het verblijf is toegestaan.

1.4 Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperking verband houden met gezinshereniging of gezinsvorming.

1.5 Ingevolge artikel 3.13, eerste lid, van het Vb 2000 wordt de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging of gezinsvorming verleend aan het in artikel 3.14 van het Vb 2000 genoemde gezinslid van de in artikel 3.15 van het Vb 2000 bedoelde hoofdpersoon, indien wordt voldaan aan alle in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 genoemde voorwaarden. Ingevolge het tweede lid van artikel 3.13 van het Vb 2000 kan in de overige gevallen de in het eerste lid bedoelde verblijfsvergunning worden verleend.

1.6 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd worden afgewezen indien de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan.

1.7 Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder c, van de Richtlijn 2003/86/EG (hierna: de Richtlijn) kan bij de indiening van het verzoek tot gezinshereniging de betrokken lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, verzoeken het bewijs te leveren dat de gezinshereniger beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel voor sociale bijstand van de bestrokken lidstaat. De lidstaten beoordelen daartoe de aard en de regelmaat van deze inkomsten en kunnen rekening houden met de nationale minimumlonen en -pensioenen, evenals het aantal gezinsleden.

1.8 Ingevolge artikel 3.73, eerste lid van het Vb zijn de in artikel 16, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 bedoelde middelen van bestaan in ieder geval zelfstandig, indien zij zijn verworven uit:

a. wettelijk toegestane arbeid in loondienst, voorzover de vereiste premies en belastingen zijn afgedragen;

c. inkomensvervangende uitkeringen krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premies zijn afgedragen.

1.9 Het beleid met betrekking tot het middelenvereiste is neergelegd in onderdeel B1/4.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

1.10 Ingevolge artikel 4:84 van de Awb handelt het bestuursorgaan overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen.

2 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet aan het middelenvereiste wordt voldaan. Onder verwijzing naar het bepaalde in onderdeel B1/4.3.1 van de Vc 2000 wordt overwogen dat een beurs krachtens de Wet Studiefinanciering (Wet Stufi 2000) niet als (bestanddeel van de) middelen van bestaan aangemerkt wordt. Ook zorg-, huur-, en kindertoeslagen, uitgekeerd door de Belastingdienst worden niet als (bestanddeel van de) middelen van bestaan aangemerkt. Voor vrijstelling van het middelenvereiste is geen grond aanwezig, nu niet aan de in het beleid gestelde voorwaarden voor verlening van vrijstelling is voldaan. Het beroep op de Richtlijn en het arrest Chakroun slaagt niet, nu aan de vereiste individualisering van de toetsingsnorm reeds invulling wordt gegeven door het bestaande toetsingskader (bestaande vrijstellingsgronden, artikel 4:84 van de Awb en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)). Vooralsnog is er geen aanleiding voor verweerder om op een andere manier invulling te geven aan de vereiste individualisering.

Daarnaast wordt het samenwoningsvereiste aan verzoeker tegengeworpen omdat blijkens informatie van de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegeven (GBA) verzoeker en referente niet samenwonen en zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren.

Er bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 4:84 van de Awb, noch is er een grond voor de conclusie dat in strijd met artikel 3:4 van de Awb is gehandeld. Het feit dat verzoeker en referente de zorg dragen voor een minderjarig kind, terwijl referente nog studeert en aan eiser een arbeidsovereenkomst is aangeboden waarmee hij als kostwinner kan optreden, vormt geen reden om van het beleid af te wijken.

Het besluit is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Het bestaan van gezinsleven tussen verzoeker, zijn partner en kind wordt aangenomen, maar er is geen sprake van inmenging en op verweerder rust geen positieve verplichting om verzoeker toe te laten.

3 Verzoeker stelt spoedeisend belang te hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. Gelet op de belangen en een redelijke kans van slagen van het beroep verzoekt verzoeker te bepalen dat uitzetting achterwege blijft totdat op het beroep is beslist.

Verzoeker erkent dat de bestaansmiddelen van referente volgens de nationaalrechtelijke regels niet als voldoende en duurzaam te kwalificeren zijn. De inkomsten van referente bestaande uit studiefinanciering, zijn - onder verwijzing naar artikel 7, eerste lid aanhef en onder c, van de Richtlijn - stabiel en regelmatig om het gezin te onderhouden en zij behoeven derhalve geen beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand. Het stellen van een ‘hard’ minimumbedrag (en niet een referentiebedrag) waarbij een groot aantal bronnen van inkomsten van iedere relevantie zijn uitgesloten, ook als het geen ‘sociale bijstand’ betreft, is in strijd met de uitspraak van het Hof van Justitie EG (hierna: het Hof)

d.d. 4 maart 2010 (JV 2010,177), inzake Chakroun.

Het samenwoningsvereiste is verzoeker ten onrechte tegengeworpen daar verweerder wist dat verzoeker en referente feitelijk al geruime tijd samenwoonden en een gezamenlijke huishouding voerden. Verzoeker heeft zich uiteindelijk op 16 juli 2010 bij de GBA kunnen laten inschrijven op het adres van referente.

Voorts is sprake van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 4:84 van de Awb. De gevolgen van de weigering staan niet in verhouding tot het met het middelenvereiste te dienen doel. Gesteld en niet bestreden is dat verzoekster geen beroep hoeft te doen op de openbare kas. Verweerder heeft met het belang van opvoeding van het kind, het feit dat referente is mishandeld door haar stiefvader, op basis waarvan haar een verblijfsvergunning tot voortgezet verblijf is verleend, en de omstandigheid dat zij in verband daarmee van haar eigen familie nauwelijks steun ontvangt bij de opvoeding van haar kind geen rekening gehouden, niettegenstaande de toezegging tijdens de hoorzitting dit wel te doen. Aldus is het besluit ook genomen in strijd met artikel 3:2 en 3:4 van de Awb.

Het besluit van verweerder is in strijd met artikel 8 van het EVRM. Gelet op de omschreven bijzondere omstandigheden in het gezin van verzoeker heeft verweerder ten onrechte beslist dat geen positieve verplichting bestaat om verzoeker in staat te stellen het gezinsleven met zijn partner en kind in Nederland uit te oefenen. Er zijn zwaarwegende belemmeringen het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen, waarbij met name de situatie van referente van belang is. Verweerder gaat voorts voorbij aan het feit dat verzoeker kan gaan werken bij <naam bedrijf> zodra hij over een verblijfsvergunning beschikt en het feit dat hij een belangrijke rol speelt bij de opvoeding van zijn dochter.

Verzoeker stelt dat gelet op de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 17 december 2004 (JV 2005/65) en de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het Hof) van 19 februari 2009 (JV 2009/142 de rechtbank de belangenafweging door verweerder vol dient te toetsen.

4 De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.

4.1 In geschil is met name de vraag of de studiefinanciering die referente ontvangt voor haar studie aangemerkt dient te worden als voldoende middelen van bestaan in de zin van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

In het bijzonder ligt de vraag voor of studiefinanciering kan gelden als bron van stabiele en regelmatige inkomsten als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en sub c, van de Richtlijn.

Aan de uitspraak van het Hof van 4 maart 2010 ontleent de voorzieningenrechter (in rechtsoverweging 43) dat artikel 7, onder c, van de Richtlijn strikt dient te worden uitgelegd aangezien gezinshereniging de algemene regel is. In rechtsoverweging 45 stelt het Hof dat het begrip stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf en zijn gezinsleden te onderhouden, zonder een beroep te doen op het stelsel van sociale bijstand van de betrokken lidstaat, een “autonoom begrip van het recht van de Unie is, dat niet kan worden omschreven onder verwijzing naar nationaalrechtelijke begrippen”.

In rechtsoverweging 46 wordt overwogen dat:

‘In de eerste zin van artikel 7, eerste lid aanhef en sub c, van de richtlijn wordt het begrip `stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om hemzelf te onderhouden ´geplaatst tegenover het begrip ´sociale bijstand´. Uit deze tegenstelling volgt dat het begrip ´sociale bijstand´in de richtlijn ziet op bijstand van overheidswege, ongeacht of het om het nationale, regionale of lokale niveau gaat, waarop een beroep wordt gedaan door een persoon, in dit geval de gezinshereniger, die niet beschikt over stabiele en regelmatige inkomsten die volstaan om in zijn eigen onderhoud en dat van zijn gezin te voorzien en die daardoor dreigt tijdens zijn verblijf ten laste van de sociale bijstand van de gastlidstaat te komen`.

In rechtsoverweging 49 wordt overwogen dat sociale bijstand als genoemd in de richtlijn moet worden uitgelegd als bijstand die in de plaats komt van ontbrekende stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten en niet als bijstand ter dekking van bijzondere en onvoorziene kosten.

Verweerder heeft, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, ten onrechte de aanvraag van verzoeker slechts getoetst aan de eigen beleidsregels en is in het bestreden besluit niet ingegaan op bovenvermeld communautair toetsingskader, waarnaar verzoeker in zijn brief van 25 juni 2010 heeft verwezen. Ten onrechte heeft verweerder verwezen naar het beleid inzake studiefinanciering, neergelegd in B1/4.3.1. van de Vc, aangezien in de Vc daarover geen beleidsregels zijn opgenomen. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van verweerder aldus dat inkomsten uit studiefinanciering op één lijn worden gesteld met inkomsten uit de publieke middelen op grond van sociale voorzieningen waarvoor geen premie wordt afgedragen, in tegenstelling tot inkomsten krachtens een sociale verzekeringswet waarvoor premie is afgedragen, welke inkomsten verweerder wel beschouwt als zelfstandige inkomsten uit een inkomensvervangende uitkering.

Op grond van het bovenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking wegens een onvoldoende draagkrachtige motivering.

4.2 Met het oog op een finale geschilbeslechting in het kader van de beslissing op het beroep zal de voorzieningenrechter tevens een oordeel geven over de vraag of studiefinanciering op grond van de wet Stufi 2000 begrepen kan worden onder het bovenaangehaalde communautaire begrip als bedoeld in artikel 7, eerste lid onder c, van de Richtlijn, in het licht van de uitleg die het Hof daaraan gegeven heeft in zijn uitspraak van

4 maart 2010.

4.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het stelsel van studiefinanciering beschouwd worden als een voorziening waarop jongeren aanspraak hebben die een opleiding kunnen en willen volgen, waarbij de aanspraak niet wordt toegekend omdat de betreffende jongere niet in staat is stabiele, regelmatige en voldoende inkomsten te verwerven, maar om deze jongeren gedurende een beperkt aantal jaren in staat te stellen voltijds een opleiding te volgen en af te ronden, met het oogmerk daarna een werkkring te vinden waarvoor de opleiding kwalificeerde. Daarmee is een ruimer belang gediend dan het belang van de jongere. In het Nederlandse stelsel van studiefinanciering ligt het accent op terugbetaling van de verstrekte middelen, hetzij in de vorm van een lening, hetzij in de vorm van een prestatiebeurs. Slechts indien wordt voldaan aan de gestelde studieprestaties wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift die niet hoeft te worden terugbetaald. Hiermee kunnen deze inkomsten niet worden gelijkgesteld met inkomsten die van overheidswege worden verstrekt om in het levensonderhoud te voorzien voor personen die niet in hun eigen inkomsten kunnen voorzien, waarbij geen terugbetaling wordt verlangd zoals bij de inkomsten uit studiefinanciering.

Op grond voor vorenstaande overwegingen heeft verweerder de door referente te ontvangen studiefinanciering ten onrechte geduid als “sociale bijstand”, welke kwalificatie niet strookt met de uitleg die het Hof in zijn arrest van 4 maart 2010 heeft gegeven van het communautaire begrip genoemd in artikel 7, eerste lid onder c, van de Richtlijn.

5 Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit niet rechtmatig is. Nu voorts nader onderzoek naar het oordeel van de voorzieningenrechter redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen hebben ingestemd met het doen van uitspraak in de beroepszaak, zal de voorzieningenrechter het beroep met toepassing van artikel 8:86 van de Awb gegrond verklaren.

6 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb.

7 De voorzieningenrechter ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, zoals dit luidde ten tijde van het instellen van het beroep, vastgesteld op € 1.311,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en wegingsfactor 1).

3 Beslissing

De voorzieningenrechter:

recht doende:

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit;

3 bepaalt dat verweerder binnen vier weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

4 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

5 veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1.311,--;

6 bepaalt dat verweerder aan verzoeker het betaalde griffierecht van € 300,-- vergoedt.

Aldus gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. G. Buijtenhek, griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Uitgesproken in het openbaar op: 21 oktober 2010.

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuurs¬recht¬spraak van de Raad van State. De termijn voor het indienen van een beroepschrift is vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Het beroepschrift dient één of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. Voor informatie over de wijze van indienen van het hoger beroep kunt u www.raadvanstate.nl raadplegen.

Afschrift verzonden op: