Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2779

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
362019 - KG ZA 10-370
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser vordert de Minister te gebieden een voorschot van € 32,7 miljoen op een nadeelcompensatie te verlenen.

Naar voorlopig oordeel bestaat thans geen aanleiding om bij wijze van voorschot ter zake van deze kosten nadere maatregelen te nemen, zodat de primaire vordering, voor zover deze betrekking heeft op de renovatiekosten, wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet marktordening gezondheidszorg
Wet marktordening gezondheidszorg 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
GJ 2010/150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 362019 / KG ZA 10-370

Vonnis in kort geding van 3 november 2010

in de zaak van

de stichting

Stichting Reinier De Graaf Groep,

statutair gevestigd te Delft,

eiseres,

advocaat mr. J.G. Sijmons te Zwolle,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. J.J. Rijken te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'de Stichting' en 'de Minister'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 20 oktober 2010 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Tot 1 januari 2008 gold voor ziekenhuizen een systeem van budgettering. De aanvankelijk door het College Tarieven Gezondheidszorg en later door de Nederlandse Zorgautoriteit, hierna 'de NZa', dwingend voorgeschreven tarieven voor ziekenhuiszorg werden op een zodanig niveau vastgesteld dat elk ziekenhuis jaarlijks kon beschikken over een bepaald budget, waarin onder meer een vergoeding voor kapitaallasten (noodzakelijke investeringen in en afschrijvingen op gebouwen en grond) werd opgenomen. De ziekenhuizen waren niet vrij om deze investeringen te doen. Er gold een zogenaamd bouwregime en voor de meeste investeringen was een vergunning van de overheid vereist.

1.2. Op 28 juni 1994 heeft de Stichting een verzoek ingediend bij de Minister om de ziekenhuislocaties te Delft te mogen concentreren en renoveren, met gedeeltelijke nieuwbouw. Het College voor ziekenhuisvoorzieningen, thans geheten College bouw zorginstellingen (hierna te noemen 'het CBZ'), heeft de Stichting geadviseerd om een verklaring van behoefte en een bouwvergunning aan te vragen voor een versoberd plan met vervangende nieuwbouw van de beide ziekenhuisgebouwen, omdat de kosten voor renovatie te hoog zouden uitvallen en compleet vervangende nieuwbouw doelmatiger is. De Stichting heeft dit advies gevolgd en heeft na een verkregen ministeriële verklaring van behoefte op 7 juli 2000 een bouwaanvraag bij de Minister ingediend.

1.3. Op 12 maart 2001 heeft de Minister een verklaring vervangende nieuwbouw afgegeven en op 23 december 2005 heeft het CBZ een bouwvergunning aan de Stichting verleend.

1.4. In 1994 is begonnen met de ontwikkeling van een beoogd systeem van productprijzen, waarin niet de afzonderlijke verrichtingen, maar het geheel van prestaties van de behandeling van een patiënt, inclusief voorbereiding en nazorg, is verdisconteerd. Ter uitvoering daarvan zijn in 2005 de zogenaamde diagnosebehandelingcombinaties (DBC's) geïntroduceerd. Op 1 januari 2008 is het onder 1.1. bedoelde bouwregime voor de ziekenhuizen afgeschaft. De ziekenhuizen hebben vooraf geen toestemming meer nodig voor de financiering van de kapitaallasten en de investeringlasten van nieuwbouw zijn niet langer in het budget gegarandeerd. Sinds 1 januari 2008 moeten de ziekenhuizen de kosten van nieuwbouw financieren uit de opbrengsten van de DBC's. De betaling van de ziekenhuiszorg is verdeeld in een A-segment, dat het grootste deel van de ziekenhuiszorg omvat en waarvoor het systeem van budgetten bleef bestaan, en in een B-segment, waar vrije tarieven gelden en waaraan onder meer de op dat segment betrekking hebbende kapitaallasten worden toegerekend. Vanaf 2008 zijn de ziekenhuizen er zelf verantwoordelijk voor dat zij dat deel van hun kapitaallasten kunnen dekken uit de opbrengsten van de DBC's in het B-segment.

1.5. In 2008 heeft de Minister de 'commissie nadeelcompensatie ziekenhuizen', hierna te noemen 'de Commissie Havermans', verzocht hem te adviseren over het te voeren beleid met betrekking tot nadeelcompensatie voor ziekenhuizen in verband met de afschaffing van het bouwregime en de daarmee samenhangende afschaffing van de nacalculatie op gebouwgebonden kapitaallasten.

1.6. De Commissie Havermans heeft de Minister in september 2008 geadviseerd de omvangrijke systeemwijziging van afschaffing van het bouwregime en de invoering van risicodragende kapitaallasten geleidelijk in te voeren met behulp van een rechtmatige en zorgvuldige overgangsregeling met een hardheidsclausule, zodat in gevallen waarin sprake is van een 'onbillijkheid van overwegende aard' een onderdeel van het traject buiten toepassing wordt verklaard, danwel dat daarvan wordt afgeweken. De Commissie Havermans stelt daarbij een overgangsperiode van drie tot vier jaar voor, waarna - als sluitstuk - kan worden toegekomen aan een regeling voor nadeelcompensatie. Volgens de Commissie Havermans biedt het leerstuk van de nadeelcompensatie geen ruimte om gedurende de systeemwijziging toe te komen aan toekenning van nadeelcompensatie aan individuele ziekenhuizen.

1.7. Uit de zogenaamde 'aanbiedingsbrief' van de Minister van 16 oktober 2008 aan de Voorzitter van de Tweede Kamer blijkt dat de Minister het onder 1.6. bedoelde advies van de Commissie Havermans overneemt. Op zijn verzoek heeft de NZa op 2 december 2008 in een circulaire een nadere uitwerking gegeven van de door de Minister uitgezette lijnen.

1.8. Bij brief van 2 september 2009 heeft de NZa de Minister geadviseerd over een nadere invulling van de overgangsregeling, in die zin dat de overgangsregeling dient te worden aangepast en aangevuld met concrete criteria en maatregelen voor een tweetal specifieke problemen, te weten het boekwaardeprobleem en de exploitatietekorten na ingebruikname van nieuwbouw.

1.9. Op 22 juni 2010 heeft de Minister op grond van artikel 7 van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) een aanwijzing gegeven inzake de overgangsregeling kapitaallasten. Deze aanwijzing is uitgewerkt in twee beleidsregels van de NZa, te weten 'Beleidsregel BR/CU-2001 Garantieregeling Kapitaallasten 2011 t/m 2016', hierna te noemen 'de garantieregeling' en 'Beleidsregel BR/CU-2002 Compensatie IVA 2010', hierna te noemen 'de beleidsregel compensatie', waarbij IVA staat voor immateriële vaste activa.

1.10. In de garantieregeling is - voor zover hier van belang - het volgende opgenomen:

"(...)

4.3 De minimaal gegarandeerde vergoeding voor kapitaallasten is gelijk aan het product van:

- de kapitaallastenvergoeding in de aanvaardbare kosten voor het laatste jaar waarin op die vergoeding nacalculatie heeft plaatsgevonden dan wel bij ingebruikname nieuwbouw in enig later jaar maar vóór 2017 de dan op dezelfde wijze te berekenen (fictieve) kapitaallastenvergoeding, en

- het in onderstaande tabel opgenomen percentage.

Jaar - Minimale vergoeding

2011 95%

2012 90%

2013 85%

2014 80%

2015 75%

2016 70%

(...)".

1.11. Op 28 april 2010 heeft de Stichting aan de NZa verzocht in te stemmen met versnelde afschrijving van onder meer (de nog te realiseren) renovatiekosten en de oude plankosten met betrekking tot de afgelaste nieuwbouw. Op dit verzoek heeft de NZa - voor zover hier van belang - bij besluit van 28 mei 2010 als volgt beslist:

"(...)

Alternatief voorstel NZa

(...) Aangezien de overgangsregeling zal lopen tot 2017 kan er over een langere periode worden afgeschreven dan de periode die u voorstelt, waarmee de resterende boekwaarde en daarmee de omvang van het boekwaardeprobleeem ook lager wordt. Daarnaast vindt de NZa het zoals reeds eerder in deze brief gesteld niet realistisch om uit te gaan van het gereedkomen en betrekken van nieuwbouw in 2013.

(...)

De afschrijvingskosten blijven hiermee gegarandeerd (voor de geldende garantiepercentages) en er is dan geen sprake van bijzondere omstandigheid waarbij sprake is van onevenredig nadeel voor RDGG (toevoeging voorzieningenrechter: bedoeld is de Stichting) ten opzichte van andere zorgaanbieders. Dit alternatieve voorstel komt binnen de bestaande beleidsruimte maximaal tegemoet aan de problematiek waarmee RDGG zich geconfronteerd ziet.

(...)

Het voorstel van de NZa leidt tot een restant boekwaarde ultimo 2016 bij beëindiging van het overgangsregime van naar schatting2 € 13 miljoen op basis van de verwachte verkoopopbrengst van grond en bij 100% FB-vergoeding kapitaalslasten tot aan 2017.

Samenvattend

De NZa is van mening dat uw verzoek van 28 april 2010 tot versneld afschrijven niet kan worden gehonoreerd. De beleidslijn die in de aanwijzing van VWS aan de NZa komt te staan is duidelijk wat betreft specifieke compensatiemaatregelen; namelijk niet nodig en juridisch kwetsbaar. Het is volgens de NZa niet mogelijk aan de hand van objectieve kenmerken aan te tonen dat een specifiek ziekenhuis ten gevolge van beleidswijzigingen onevenredig nadeel ondervindt ten opzichte van andere ziekenhuizen.

De NZa heeft getracht binnen de huidige beleidsregels en de toekomstige overgangsregeling de maximale ruimte te vinden om de door RDGG ervaren knelpunten te minimaliseren. Dit betekent dat de plankosten en renovatiekosten worden behandeld als zijnde bouw met vergunning. Hierdoor vallen deze investeringen in de overgangsregeling en wordt tot en met 2016 afgeschreven op basis van de geldende afschrijvingspercentages. Daarnaast stelt de NZa voor om ondanks het feit dat RDGG de oude nieuwbouwplannen heeft stopgezet de versnelde afschrijving niet terug te draaien. Hiermee is binnen de mogelijkheden die er zijn een maximale inspanning gedaan door de NZa om RDGG tegemoet te komen.

(...)".

1.12. Bij brief van 7 juli 2010 heeft de Stichting het voorstel van de NZa voor zover betrekking hebbend op de vergoeding voor de renovatiekosten geaccepteerd en heeft zij meegedeeld zich niet te kunnen vinden in het voorstel met betrekking tot de plankosten, ter zake waarvan zij wederom verzocht heeft de beleidsregel compensatie toe te passen.

1.13. Bij besluit van 15 september 2010 heeft de NZa - voor zover hier van belang - het volgende aan de Stichting meegedeeld:

"(...)

Toetsing van uw verzoek om de oude plankosten ad € 16,5 mln. ten laste te brengen van het instellingsbudget 2010, voor zover betrekking hebbend op het A-segment, aan de beleidsregel Compensatie IVA 2010 (CU-2002), leidt tot de conclusie dat uw verzoek niet in overeenstemming is met de inhoud en het toepassingsbereik van deze beleidsregel en derhalve niet gehonoreerd kan worden. Wij lichten dit hieronder toe.

(...)

Aangezien het in deze casus plankosten betreft van geannuleerde nieuwbouw (en dus niet van lopende of na 2008 in gebruik genomen/te nemen bouwprojecten) vallen de onderhavige plankosten niet binnen het toepassingsbereik van de beleidsregel CU-2002.(...)

In uw brief verzoekt u de NZa de plankosten toch als IVA aan te merken en daarmee binnen de werkingssfeer van deze beleidsregel te brengen. (...) De NZa kan gebruik maken van haar afwijkingsbevoegdheid indien er sprake is van bijzondere omstandigheden en onevenredig nadeel van ten opzichte van andere zorgaanbieders.(...)

Doelmatigheid van besluitvorming geldt in dit geval derhalve niet als bijzondere omstandigheid, dan wel anderszins als een criterium, op basis waarvan uw verzoek alsnog door de NZa zou kunnen worden gehonoreerd.

U stelt voorts dat de oude plankosten geoormerkt kunnen worden als bouw met vergunning. In de brief van 28 mei 2010 heeft de NZa inderdaad voorgelegd de oude plankosten als zodanig aan te merken en die daarmee onder de werkingssfeer komen te vallen van de overgangsregeling Garantieregeling kapitaallasten 2010 tot en met 2016 (CU-2001). Een verruiming van werkingssfeer van de beleidsregel IVA is naar de mening van de NZa niet opportuun.

Als pro-argument voor toepassing van de beleidsregel Compensatie IVA 2010 ter dekking van de ontstane oude plankosten noemt u ook de omstandigheid dat het ziekenhuis door VWS min of meer gedwongen werd nieuwbouw uit te stellen tot 2009. In de tussenliggende periode is het kapitaalslastenregime dusdanig gewijzigd dat de oorspronkelijke plannen door u niet langer haalbaar werden geacht. Ook dit argument is naar mening van de NZa geen bijzondere omstandigheid die aanleiding vormt om de IVA-beleidsregel toch van toepassing te verklaren. De beleidsregel voorziet niet - en heeft ook nooit de bedoeling gehad om te voorzien - in de mogelijkheid dat oude plankosten als IVA kunnen worden aangemerkt in gevallen waarin (al dan niet vanwege externe omstandigheden) de nieuwbouw wordt opgeschort of geannuleerd.

(...)

Tenslotte zijn door de RdGG geen andere omstandigheden aangevoerd die dermate bijzonder zijn dat deze de NZa zouden nopen tot afwijking van deze (begunstigende) beleidsregel CU-2002.

De uitleg zoals de NZa heeft gedaan in haar brief van 28 april 2010 is conform de huidige wettelijke kaders en beleidsregels. In onderstaand schema blijkt dat indicatief1 ongeveer een resterende problematiek van ongeveer € 13 mln. ultimo 2016 overblijft. Dit is mede afhankelijk van de uiteindelijke werkelijke verkoopopbrengst van de oude locatie.

(...)

Indien de NZa uw aanvullende verzoek zou honoreren, zou het probleem verkleind worden tot een bedrag van ongeveer € 3 miljoen (resterende boekwaarde oude plankosten bedraagt bijna € 10 miljoen). Bij een gunstige ontwikkeling van de grondprijzen wordt het probleem verder beperkt. Dit sterkt de NZa in de opvatting dat een besluit tot vergoeding van de oude plankosten op basis van de beleidsregel Compensatie IVA onjuist zou zijn en mogelijk zelfs zou leiden tot een onwenselijke en bovendien ongeoorloofde beïnvloeding van de markt in de regio(...)".

1.14. Tegen het besluit van de NZa van 28 mei 2010 heeft de Stichting een voorlopig bezwaarschrift, alsmede op 24 september 2010 een aanvullend bezwaarschrift ingediend. Tegen het besluit van de NZa van 15 september 2010 heeft de Stichting op 19 oktober 2010 door middel van een voorlopig bezwaarschrift bezwaar gemaakt.

2. Het geschil

2.1. De Stichting vordert - zakelijk weergegeven - primair de Minister te gebieden een voorschot van € 32,7 miljoen op een nadeelcompensatie te verlenen, althans een bijzondere regeling voor de Stichting te treffen die zodanig is dat de oude plankosten en de kosten van tussentijdse renovatie volledig worden gecompenseerd; subsidiair de Minister te gebieden een achtergestelde lening beschikbaar te stellen ter hoogte van de in de primaire vordering genoemde kosten en de geschatte aanloopkosten van de nieuwbouw; meer subsidiair de Minister te gebieden zich garant te stellen voor aanvullende marktconforme leningen van de Stichting ter financiering van de in de primaire en subsidiaire vordering genoemde kosten, althans een in goede justitie te bepalen voorziening te treffen, een en ander met veroordeling van de Minister in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

2.2. Daartoe voert de Stichting het volgende aan.

Door de afschaffing van het Bouwregime was de Stichting niet langer in staat om de nieuwbouw volgens planning en overeenkomstig de verleende vergunning te financieren. De Stichting heeft daarom in 2008 een nieuw plan voor de nieuwbouw gemaakt, dat binnen 5 jaar gerealiseerd zou moeten worden. De kosten van nieuwbouw zouden zijn gewaarborgd indien de originele plannen waren doorgezet. Nu deze plannen niet gerealiseerd kunnen worden zijn deze reeds gemaakte kosten aan te merken als schade, te begroten op € 16,5 miljoen.

Voorts is het voor de Stichting als gevolg van uitblijvende maatregelen van de zijde van de Minister niet langer mogelijk om zonder renovatie over te stappen naar de ingebruikneming van de nieuwbouw. De investeringskosten die met de benodigde renovatie gemoeid zijn worden geschat op € 15 tot 21 miljoen.

Ten slotte ontstaat schade doordat de ziekenhuizen bij invoering van de integrale prestatiebekostiging de volledige investeringskosten moeten doorbelasten in de tarieven. De ziekenhuizen die niet uit de markttarieven hebben kunnen sparen, zullen ineens de volledige financieringslast van niet door te berekenen kosten moeten dragen. De aanvankelijke exploitatiekosten voor nieuwbouw liggen substantieel boven het marktgemiddelde. De schade uit deze zogenaamde 'onrendabele top' is te begroten op een bedrag tussen de € 14 en € 31 miljoen.

De Stichting kan op basis van de huidige tarieven en beleidsvoornemens geen noodzakelijke maatregelen of beslissingen nemen met betrekking tot de te realiseren nieuwbouw. De kosten daarvan zijn niet te financieren nu de banken eerst voldoende zekerheid willen hebben over de omvang van de schade en de wijze waarop de schade door de overheid gecompenseerd zal worden. Het nadeel dat voor de Stichting ontstaat behoort niet tot het normale ondernemingsrisico en is door de Minister in het leven geroepen zonder voldoende compenserende maatregelen. Het laten voortduren van deze situatie is omiskenbaar onrechtmatig. De schade die de Stichting lijdt wordt op onrechtmatige wijze vergroot, doordat de Minister in deze fase weigert een voorschot op een nadeelcompensatie ter beschikking te stellen. De Stichting heeft daarbij echter wel een spoedeisend belang nu haar continuïteit zonder compensatie op korte termijn wordt bedreigd.

2.3. De Minister voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. De Stichting legt aan haar vorderingen ten grondslag dat de Minister onrechtmatig jegens haar handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven.

3.2. Vooropgesteld wordt dat de Minister, als orgaan van de Staat, in het kader van de Wmg, een grote mate van (beleids-)vrijheid heeft. Dit brengt met zich dat de voorzieningenrechter zich zeer terughoudend dient op te stellen bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van de Staat. De vorderingen van de Stichting zijn gericht tegen het beleid van de Minister ten aanzien van de gevolgen van de wijziging van de bekostigingsstructuur van de ziekenhuiszorg, een maatregel die is getroffen op grond van financieel-economische overwegingen, tegen de achtergrond van stijgende kosten van de zorg. De Staat heeft de vrijheid om de kosten van de gezondheidszorg te beteugelen; kostenbeheersing is een publieke, in de wetgeving verankerde taak. In de keuze van bestuurlijke en juridische middelen zijn de betrokken overheidsorganen, in dit geval de Minister, in hoge mate vrij. Bij de beantwoording van de vraag of de Minister gehouden is een voorschot op een nadeelcompensatie te verstrekken past dan ook grote terughoudendheid, die te meer geboden is in kort geding. Deze terughoudendheid vindt haar grondslag in de scheiding der machten. Voor ingrijpen van de voorzieningenrechter kan slechts plaats zijn indien de weigering van de Minister om een voorschot op een nadeelcompensatie te verstrekken onmiskenbaar onrechtmatig is.

3.3. Onvoldoende gesteld of gebleken is dat de besluiten tot het invoeren van de DBC-systematiek, tot beëindiging van het bouwregime en de beëindiging van de ziekenhuisbudgettering op een onzorgvuldige wijze zijn genomen. Daar komt bij dat de Minister heeft voorzien in een overgangsregeling die er voor zorgt dat de consequenties van het gewijzigde, danwel nog te wijzigen beleid geleidelijk intreden, zodat de ziekenhuizen zich daar op enigerlei wijze op kunnen voorbereiden. In zoverre is geen sprake van onmiskenbare onrechtmatigheid.

3.4. De primaire vordering strekt tot een voorschot op nadeelcompensatie van € 32,7 miljoen, danwel tot het treffen van een bijzondere regeling ter compensatie van de plankosten en de renovatiekosten. In de beschikking van de NZa van 28 mei 2010 wordt deels tegemoetgekomen aan de wensen van de Stichting, doordat de vergoeding van de schade met betrekking tot een deel van de plankosten en de renovatiekosten wordt meegenomen in de tot 2016 lopende overgangsregeling. Genoegzaam gebleken is dat eind 2016 ter zake van deze posten een kostenpost van € 13 miljoen resteert. Uit de brief van de Stichting van 7 juli 2010 blijkt dat de Stichting met deze maatregelen voor zover het de renovatiekosten betreft heeft ingestemd. Naar voorlopig oordeel bestaat dan ook thans geen aanleiding om bij wijze van voorschot ter zake van deze kosten nadere maatregelen te nemen, zodat de primaire vordering, voor zover deze betrekking heeft op de renovatiekosten, wordt afgewezen.

3.5. Met betrekking tot de oude plankosten staat vast dat deze volgens het geldende beleid niet onder de garantieregeling vallen, omdat het gaat om plankosten met betrekking tot geannuleerde nieuwbouw en niet om plankosten van lopende of na 2008 in gebruik genomen/te nemen bouwprojecten. Ter beoordeling staat of de Minister onmiskenbaar onrechtmatig handelt door geen voorziening te treffen waardoor oude plankosten als door de Stichting bedoeld geheel vergoed worden. Vaststaat dat de Stichting haar (gewijzigde) bouwplan heeft ingediend op 7 juli 2000, waarna haar op 23 december 2005 een bouwvergunning is verleend. De Stichting heeft haar plannen stopgezet op een moment dat gewijzigde regelgeving en de gevolgen daarvan te verwachten waren. In zoverre kan gezegd worden dat het de eigen keuze van de Stichting is geweest om de plannen niet door te zetten. Zij heeft daarmee aanvaard dat zij de kosten van die plannen niet vergoed krijgt, onder de toenmalige regelgeving niet, naar de Minister onbetwist heeft betoogd, en evenmin onder de latere regelgeving. Daarbij komt dat geenszins vaststaat dat de gewijzigde regelgeving de betreffende plankosten veroorzaakt heeft, nu aannemelijk is dat het gewijzigde beleid van banken in verband met de kredietcrisis aan hun huidige opstelling mede ten grondslag ligt. Onder al die omstandigheden kan niet gezegd worden dat door de oude plankosten, waarvan een deel alsnog vergoed wordt, een zodanig zware last op speciaal de Stichting rust dat voor haar in het kader van nadeelcompensatie reeds nu door de Minister een uitzondering moet worden gemaakt op het algemene beleid dat via aanwijzingen van de Minister aan de NZa is uitgemond in regelgeving van laatstgenoemde. Daarbij wordt ook nog in aanmerking genomen dat het hier gaat om een geldvordering in kort geding, waarvoor geldt dat van toewijzing eerst sprake kan zijn als in hoge mate aannemelijk is dat de bodemrechter de Minister tot een dergelijke betaling zal veroordelen. Van een dergelijke hoge mate van aannemelijkheid is in casu niet gebleken. Een en ander leidt tot de slotsom dat de primaire vordering ook ten aanzien van de oude plankosten wordt afgewezen.

3.6. Voor zover de subsidiaire en (nog) meer subsidiaire vorderingen betrekking hebben op de (oude) plankosten en renovatiekosten worden deze - onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen - eveneens afgewezen. Deze vorderingen zien daarnaast op de zogenaamde 'onrendabele top'. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Aannemelijk is dat de kosten bij ingebruikname van een nieuw gebouw hoger zijn dan de opbrengsten. Een dergelijke onrendabele top is eigen aan zulke investeringen. Waar het hier echter om gaat is dat de Stichting niet of nauwelijks een boekhoudkundige voorziening heeft kunnen treffen voor toekomstige investeringen nadat het Bouwregime is afgeschaft. Zulks betekent dat haar financieringslasten in de beginperiode hoger zullen zijn dan gemiddeld. Niettemin voorziet het systeem erin, gelijk de Stichting ook erkent, dat zij gemiddeld over de gehele looptijd van de investering haar kosten vergoed krijgt. Geenszins staat dan ook vast dat de Stichting een nadeel lijdt, althans een zodanig nadeel lijdt dat de Minister onmiskenbaar onrechtmatig handelt door daarvoor geen voorziening te treffen. Ook de ((nog) meer) subsidiaire vorderingen worden daarom afgewezen.

3.7. Nu de vorderingen van de Stichting worden afgewezen, zal zij, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt de Stichting in de kosten van dit geding, tot dusver aan de zijde van de Minister begroot op € 1.079,--, waarvan € 806,-- aan salaris advocaat en € 263,-- aan griffierecht;

- verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Paris en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2010.