Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2660

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-11-2010
Datum publicatie
03-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/36862
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Chartervlucht naar Irak op 3 november, Vovo afgewezen. Geen situatie als bedoeld in artikel 15 c van de richtlijn.

Samenvatting:

Uit de thans door verzoeker overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter weliswaar dat de situatie thans nog altijd zeer ernstig is, maar niet dat de situatie ten opzichte van de uitspraak van het EHRM van 20 januari 2009 (F.H. tegen Zweden) zodanig is verslechterd dat thans sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, ofwel een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het meest recente ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010. (…) Uit het overzicht van Iraq Body Count (IBC) – dat een overzicht geeft van het aantal dodelijke burgerslachtoffers ten gevolge van geweld in Irak van januari 2003 tot 10 oktober 2010 –, blijkt bovendien niet dat het aantal dodelijk getroffen burgerslachtoffers (gemiddeld per maand) sinds januari 2009 is toegenomen.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2011/32 met annotatie van T.P. Spijkerboerprof. mr.Vrije Universiteit AmsterdamSpijkerboerT.P
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaksnummer: Awb 10/36862

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 november 2010

inzake:

[...],

geboren 1989,

van Iraakse nationaliteit,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Hofstede, advocaat te Almelo,

tegen:

de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder.

Procesverloop

Op 18 december 2008 heeft verzoeker een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Bij besluit van 6 augustus 2009 heeft verweerder de aanvraag niet ingewilligd. Bij uitspraak van 29 juli 2010 heeft deze rechtbank en deze zittingsplaats het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartegen heeft verzoeker op 26 augustus 2010 hoger beroep ingesteld, waarop nog niet is beslist.

Verzoeker heeft op 24 oktober 2010 bezwaar aangetekend tegen de voorgenomen uitzetting van verzoeker op 3 november 2010.

Bij verzoekschrift van 24 oktober 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen totdat op het bezwaar is beslist.

Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verkaard.

Bij beroepschrift van 29 oktober 2010 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank tegen dit besluit. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt thans geacht connex te zijn met dit beroepschrift.

In verband met de aanstaande uitzetting heeft geen openbare behandeling van het verzoek om een voorlopige voorziening plaatsgevonden.

Motivering

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen het besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Aangezien beroep is ingesteld tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen de feitelijke uitzetting en deze rechtbank in de hoofdzaak bevoegd is, is voldaan aan het connexiteitsvereiste.

Verzoeker heeft zich op het standpunt gesteld dat uitzetting naar Irak op dit moment in strijd is met artikel 3 van het (Europees) Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004, inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming, van de Raad van de Europese Unie (hierna: de richtlijn). Daartoe heeft verzoeker aangevoerd dat de algemene mensenrechten- en veiligheidssituatie in Irak de afgelopen maanden zeer verslechterd is. Gelet daarop loopt verzoeker gevaar bij terugkeer. Bovendien is verzoeker afkomstig uit de provincie Nineveh, één van de provincies waarvan de UNHCR zich op het standpunt stelt dat het niveau van geweld dusdanig hoog is dat er substantiële redenen zijn om aan te nemen dat burgers die worden teruggestuurd, louter door hun aanwezigheid, risico lopen op een serieuze en individuele bedreiging van hun leven of persoon. Ter onderbouwing daarvan heeft verzoeker een groot aantal stukken overgelegd, waaronder brieven, rapporten, kamerstukken en krantenberichten.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aard en intensiteit van het geweld in Irak niet zodanig zijn dat verzoeker bij terugkeer naar Irak louter door zijn aanwezigheid een reëel risico zou lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Verweerder heeft verwezen naar een uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) in de zaak F.H. tegen Zweden (nr. 32621/06) en heeft voorts gesteld dat de situatie in Irak sinds voornoemd arrest niet zodanig is gewijzigd dat tot een ander oordeel zou moeten worden gekomen. In dat verband heeft verweerder verwezen naar het ambtsbericht inzake Irak van de minister van Buitenlandse Zaken van 27 oktober 2010. Het ambtsbericht vermeldt weliswaar dat de veiligheidssituatie in bepaalde delen van Irak en op bepaalde momenten nog altijd zeer ernstig is, maar dat het geweldsniveau in Irak fluctueerde door de verslagperiode heen en sterk varieerde per gebied. Voorts heeft verweerder gereageerd (een aantal van) de stukken die door verzoeker zijn ingebracht. Verweerder heeft daarbij te kennen gegeven de UNHCR aan te merken als gezaghebbende bron en informatie zoals opgenomen in de Guidelines van 27 april 2009 en de Note van juli 2010 dan ook uitvoerig te bestuderen. Echter, verweerder volgt de UNHCR niet in zijn conclusies om elke asielzoeker afkomstig uit de provincies Baghdad, Diyala, Kirkuk, Nineveh en Salah Al-Din als vluchteling aan te merken, dan wel aan hen subsidiaire bescherming te verlenen. Uit de door verzoeker overgelegde informatie kan niet worden afgeleid dat de mate van het willekeurig geweld in Irak in het algemeen, en in Nineveh in het bijzonder, op dit moment dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker, louter door zijn aanwezigheid aldaar, een reëel risico loopt op ernstige en individuele bedreiging van zijn leven of persoon.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen grond is voor het oordeel dat de belangen van verzoeker zwaarder wegen dan het belang van verweerder bij de voorgenomen verwijdering van verzoeker naar Irak. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

In voornoemde uitspraak van 29 juli 2010 heeft deze rechtbank en deze zittingsplaats het volgende overwogen.

“Onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 23 december 2010 (LJN: BK8692), 15 januari 2010 (LJN: BL9431) en 8 maart 2010 (LJN: BL7409) oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zich ten tijde van belang in de provincie Nineveh de situatie voordeed, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, richtlijn.

Eiser heeft in voornoemde procedure ter ondersteuning van zijn beroep op dat artikel in de gronden van beroep gewezen op de Eligibility Guidelines van de UNHCR van april 2009 en ter zitting op een brief van de UNHCR van 11 december 2009 en een rapport van Amnesty International van 27 april 2010. De rechtbank ziet in deze informatie geen aanleiding voor een andersluidend oordeel, nu hieruit niet blijkt dat de veiligheidssituatie ten opzichte van de situatie waarop laatstgenoemde uitspraken betrekking hadden, is verslechterd.”

Uit de thans door verzoeker overgelegde stukken blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter weliswaar dat de situatie thans nog altijd zeer ernstig is, maar niet dat de situatie ten opzichte van de uitspraak van het EHRM van 20 januari 2009 (F.H. tegen Zweden) zodanig is verslechterd dat thans sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM, ofwel een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn.

De voorzieningenrechter wijst in dit verband op het meest recente ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010, dat betrekking heeft op de periode van januari tot en met september 2010. Dat houdt, voor zover hier van belang, het volgende in: “De veiligheidssituatie was in deze verslagperiode in bepaalde delen van Irak en op bepaalde momenten nog altijd zeer ernstig. Het geweldsniveau in Irak fluctueerde echter door de verslagperiode heen en varieerde sterk per gebied. Zo verslechterde de veiligheidssituatie in de weken na de verkiezingen van 7 maart 2010, maar was het geweldsniveau eind april weer ongeveer op het niveau van vóór 7 maart. Hoewel meerdere bronnen over de afgelopen jaren, inclusief deze verslagperiode, een (licht) positieve ontwikkeling van de veiligheidssituatie waarnemen, wisselen op de korte termijn verslechteringen en verbeteringen elkaar af. Er kan dan ook niet in zijn algemeenheid voor de gehele verslagperiode worden gesproken van een verbetering of verslechtering van de veiligheidssituatie in Irak ten opzichte van voorgaande verslagperiodes.”

Ten aanzien van de provincie Nineveh, waar verzoeker vandaan komt, houdt het ambtsbericht het volgende in: “In de vier provincies formeel onder bestuur van de federale regering in Bagdad die grenzen aan de Koerdische regio, was de veiligheidssituatie gedurende de verslagperiode onstabiel. (…) Willekeurig geweld bedoeld om de regio te destabiliseren en het gezag van de autoriteiten te ondermijnen, met name in de vorm van (zware) bomaanslagen, kwam in deze verslagperiode minder vaak voor dan in voorgaande verslagperiodes.”

Uit het als bijlage 9 bij de gronden van het verzoek gevoegde overzicht van Iraq Body Count (IBC) – dat een overzicht geeft van het aantal dodelijke burgerslachtoffers ten gevolge van geweld in Irak van januari 2003 tot 10 oktober 2010 –, blijkt bovendien niet dat het aantal dodelijk getroffen burgerslachtoffers (gemiddeld per maand) sinds januari 2009 is toegenomen.

Ten aanzien van de stelling van verzoeker dat de UNHCR bepleit geen uitgeprocedeerde asielzoekers gedwongen te laten terugkeren naar onder meer de provincie Nineveh in Irak, overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

In het ambtsbericht inzake Irak van oktober 2010 is het standpunt van het UNHCR uitdrukkelijk genoemd, terwijl daarin zowel de UNHCR’s Eligibility Guidelines for assessing the international protection needs of Iraqi asylum-seekers, van april 2009, als de Note on the Continued Applicability of the April 2009 UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Iraqi Asylum-Seekers, van 28 juli 2010, als geraadpleegde bron worden genoemd.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de UNHCR zijn conclusie dat zich in vijf provincies in Irak een uitzonderlijke situatie voordoet als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de richtlijn, in grote lijnen baseert op dezelfde feiten als verweerder, zoals die zijn beschreven in het ambtsbericht van oktober 2010. Hoewel het vanuit de taakopvatting van de UNHCR wellicht begrijpelijk is dat hij een dergelijke conclusie trekt, is het niettemin aan het bestuur en de rechter om die feiten juridisch te kwalificeren, zoals ook het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft overwogen in zijn uitspraak van 17 februari 2009

(r.o. 43), LJN: BH3646.

De door verzoeker overgelegde stukken van onder meer de UNHCR, Vluchtelingenwerk Nederland en Amnesty International, waarin de Nederlandse regering wordt opgeroepen niet langer uitgeprocedeerde asielzoekers gedwongen te laten terugkeren naar Irak, moeten worden begrepen tegen de achtergrond van de beoordeling van de veiligheidssituatie in Irak door die instanties, welke – zoals blijkt uit het voorgaande – anders is dan de beoordeling door de voorzieningenrechter. Deze leiden dan ook niet tot een ander oordeel.

Gelet op het vorenoverwogene dient het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te worden afgewezen.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, voorzieningenrechter, bijgestaan door

mr. M.A. Buikema, griffier.

mr. M.A. Buikema mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 2 november 2010

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.

Afschrift verzonden op: