Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2391

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/38004
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hoewel de rechtbank, evenals verweerder, onderkent dat uit het ambtsbericht van januari 2010 een zorgwekkend beeld van de positie van christenen in Iran naar voren komt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van systematische vervolging van bekeerde christenen in Iran, zodat niet op grond daarvan moet worden geoordeeld dat eiser enkel vanwege het behoren tot deze groep een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit de door eiser overgelegde informatie komt naar voren dat met name evangeliserende gemeenten en huiskerken ernstiger problemen ondervinden, maar dat deze problemen voornamelijk samenhangen met het verrichten van bekeringsactiviteiten. De rechtbank overweegt dat eiser met wat hij heeft gesteld over (de noodzaak van) het verrichten van bekeringactiviteiten binnen zijn geloofsrichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bekeren van anderen zo tot de kern van zijn geloof behoort dat niet van hem kan worden gevergd dat hij zich terughoudend opstelt waar het gaat om het in Iran actief bekeren van anderen tot christendom. De rechtbank is in het licht van de hiervoor weergegeven overwegingen van het EHRM dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat van eiser bij terugkeer naar Iran terughoudendheid verwacht mag worden wat betreft het actief bekeren van anderen tot het christelijk geloof. De rechtbank acht dit standpunt niet in strijd met het recht op vrijheid van godsdienst neergelegd in artikel 9 van het EVRM zoals dat moet worden bezien in gevallen waarin sprake is van uitzetting naar een land dat zelf niet onder de werking van het EVRM valt. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat van eiser mag worden gevergd dat hij bepaalde bekeringsactiviteiten vermijdt om geen onnodig risico te lopen, niet zo’n beperking is van de vrijheid van godsdienst dat reeds om die reden moet worden geconcludeerd dat terugkeer strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 9 van het EVRM voor zover het de bescherming daarvan betreft in een situatie van uitzetting. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de ABRvS van 4 oktober 2010 (LJN BN9951).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummer: AWB 09/38004

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1968], van Iraanse nationaliteit, eiser,

gemachtigde: mr. S. Coenen, advocaat te Utrecht,

en

de staatssecretaris van Justitie, thans de minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken.

Inleiding

1.1 Eiser heeft op 12 september 2007 een tweede aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 23 juni 2008 afgewezen. Bij uitspraak van 9 april 2009 (AWB 08/26380) heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, geoordeeld dat verweerder eisers bekering tot het christendom ten onrechte niet als een nieuw feit heeft aangemerkt en dat hij de aanvraag ten onrechte niet inhoudelijk heeft beoordeeld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Bij besluit van 24 september 2009 heeft verweerder de aanvraag opnieuw afgewezen. Tegen laatstvermeld besluit richt zich dit beroep.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 16 april 2010, waar eiser is verschenen. Eiser is vertegenwoordigd door mr. B.A. Palm en verweerder door mr. J.M. Agtersloot.

1.3 De rechtbank heeft het onderzoek op 25 mei 2010 heropend om de zaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. De behandeling ter zitting is voortgezet op 8 juli 2010, waar eiser niet is verschenen. Eiser en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

2.1 Gelet op de hiervoor vermelde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 9 april 2009 is nog in geschil of eisers bekering tot het christendom in Nederland dient te leiden tot verlening van een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2.2 De rechtbank stelt allereerst vast dat de gronden van beroep, zoals vermeld in de brief van 17 november 2009, nagenoeg woordelijk overeenkomen met de zienswijze van 1 september 2009. Verweerder is hierop in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding deze beroepsgronden hier te bespreken.

2.3 Eiser heeft bij brief van 1 april 2010 ter onderbouwing van zijn beroep nog gewezen op de navolgende stukken:

- een rapport van de Christian Solidarity Worldwide (CSW) van september 2009, ‘Iran- Religious freedom profile’;

- een persbericht van Amnesty International van 17 december 2009, ‘Urgent Action - Freed Iran Christians still at Risk of Trial’;

- een aantal uitspraken van deze rechtbank en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 13 januari 2010 (LJN: BL0267).

2.4 De rechtbank zal deze stukken met toepassing van artikel 83 van de Vw betrekken bij de beoordeling van het beroep. Verweerder heeft tijdens de zitting van 16 april 2010 gereageerd op deze stukken. Verweerder heeft hierin geen aanleiding gezien voor wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

2.5 De rechtbank is van oordeel dat, nu verweerder, zoals onder 2.2 is overwogen, in het bestreden voldoende gemotiveerd is ingegaan op de zienswijze van 1 september 2009 en eisers beroepsgronden van 17 november 2009 slechts een herhaling van deze zienswijze bevatten, verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat eiser aan WBV 2007/15 geen recht op een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan ontlenen.

2.6 De rechtbank ziet in de door eiser bij brief van 1 april 2010 overgelegde stukken geen aanleiding voor een ander oordeel.

2.7 In navolging van de uitspraak van de ABRvS van 6 oktober 2009 (LJN BK0456), overweegt de rechtbank dat eiser ook buiten het in het WBV 2007/15 neergelegde beleid een beroep kan doen op artikel 3 van het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Om een geslaagd beroep op deze verdragsbepaling te doen, dient hij aannemelijk te maken dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met voormeld artikel.

2.8 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de situatie van bekeerlingen in Iran niet rooskleurig is, maar dat de enkele bekering tot het christendom niet leidt tot schending van artikel 3 van het EVRM. Uit het ambtsbericht van januari 2010 blijkt niet van een verslechtering van de situatie voor bekeerde christenen in die mate dat bij terugkeer sprake is van schending van dat artikel.

2.9 De rechtbank overweegt over eisers stelling dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom in Nederland bij terugkeer een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM het volgende. Niet in geschil is dat eiser in Nederland is bekeerd tot het christendom en dat hij lid is van de Koreskerk in Nederland. Uit het arrest van 17 juli 2008 inzake NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (hierna: NA.-VK) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM; LJN BF0248) volgt dat het enkele behoren tot een groep slechts dan tot de conclusie kan leiden dat de desbetreffende vreemdeling een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling indien aannemelijk is gemaakt dat die groep systematisch wordt blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen (zie onder meer rechtsoverweging 116).

2.10 Uit het thematisch ambtsbericht volgt dat het christendom in Iran in de grondwet als officiële minderheidsgodsdienst is erkend. In het ambtsbericht van mei 2009 staat dat repressie en intimidatie van christenen in de verslagperiode heeft plaatsgevonden maar dat dit voornamelijk samenhing met actieve bekeringsactiviteiten jegens moslims (p. 7). In het ambtsbericht van mei 2009 (p. 8) en dat van januari 2010 (p. 43) staat dat met name evangeliserende kerken in de negatieve aandacht staan van de Iraanse autoriteiten. Zo is de Assemblies of God specifiek opgedragen geen bekeringsactiviteiten te ondernemen onder moslims. Ook christelijke huiskerken die niet behoren tot de traditioneel in Iran aanwezige christelijke stromingen, ervaren problemen. Hoewel leden van deze huiskerken zich bewust zijn van de daaraan verbonden risico’s komt het voor dat zij in het openbaar evangeliseren en religieuze geschriften verspreiden (p. 9 ambtsbericht mei 2009 en p. 44 ambtsbericht januari 2010). Uit zowel het ambtsbericht van mei 2009 (p. 8), als dat van januari 2010 (p. 43) volgt dat er aanwijzingen zijn dat in de verslagperiode (bekeerde) christenen worden of werden lastig gevallen en/of geïntimideerd. Er zijn onbevestigde gevallen bekend van christenen die zijn opgepakt (en later op borgtocht weer zijn vrijgelaten) op beschuldiging van delicten als drugshandel, waarbij de verdenking bestaat dat bekeringsactiviteiten de echte reden zijn. Over in de verslagperiode gebruikt geweld tegen christenen en/of tot het christendom bekeerde voormalige moslims, is weinig bekend. Op p. 11 van het ambtsbericht van mei 2009 (p. 45 van het ambtsbericht van januari 2010) staat verder vermeld dat de autoriteiten onverminderd streng optraden tegen bekeerders en bekeerlingen. Bekend is dat personen die tot het christendom zijn bekeerd zo nu en dan dreigbrieven of dreigtelefoontjes ontvangen en dat regelmatig actieve bekeerders (tijdelijk) zijn opgepakt en ondervraagd. Met name evangeliserende christenen worden nauwgezet in de gaten gehouden en worden vaak lastig gevallen.

2.11 Hoewel de rechtbank, evenals verweerder, onderkent dat uit het bovenstaande een zorgwekkend beeld van de positie van christenen in Iran naar voren komt, blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van systematische vervolging van bekeerde christenen in Iran, zodat niet op grond daarvan moet worden geoordeeld dat eiser enkel vanwege het behoren tot deze groep een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Uit de door eiser overgelegde informatie komt naar voren dat met name evangeliserende gemeenten en huiskerken ernstiger problemen ondervinden, maar dat deze problemen voornamelijk samenhangen met het verrichten van bekeringsactiviteiten.

2.12 Wat betreft de stukken waarnaar eiser bij brief van 1 april 2010 heeft verwezen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat daaruit geen ander beeld naar voren komt over de situatie van bekeerde christenen in Iran dan in de ambtsberichten is geschetst.

2.13 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van eiser terughoudendheid mag worden verwacht bij het actief bekeren van anderen tot het christendom. Verweerder heeft er ter zitting op gewezen dat naarmate een godsdienstige uiting verder verwijderd is van de kern van iemands geloof er eerder een beperking op de vrijheid van godsdienst mag worden gevergd.

2.14 Ter zitting van 16 april 2010 is vastgesteld dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser ook in Iran bekeringsactiviteiten wenst te verrichten.

2.15 De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vraag dienen te beantwoorden of van eiser bij terugkeer naar Iran terughoudendheid mag worden verwacht bij het verrichten van bekeringsactiviteiten.

2.16 De rechtbank stelt voorop dat in het arrest van het EHRM van 28 februari 2006 inzake Z. en T. tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN AW8907) wordt ingegaan op de benadering van artikel 9 van het EVRM, waarin de vrijheid van godsdienst is neergelegd, in zaken waarin sprake is van uitzetting. Het EHRM overweegt in dit arrest dat het recht op vrijheid van godsdienst uiteenlopende uitingen van godsdienst omvat, maar dat er beperkingen zijn in de bescherming die artikel 9 van het EVRM voor deze uitingen biedt. Het EHRM overweegt hierover het volgende: “The Court’s case-law indicates that while religious freedom is primarily a matter of individual conscience, it also implies, inter alia, freedom to manifest one’s religion not only in community with others, in public and within the circle of those whose faith one shares, but also alone and in private (…). Article 9 lists a number of forms which manifestation of one’s religion or belief may take, namely worship, teaching, practice and observance. Nevertheless, Article 9 does not protect every act motivated or inspired by a religion or belief. Moreover, in exercising his freedom to manifest his religion, an individual may need to take his specific situation into account (…).” Uit de overwegingen van het EHRM volgt verder dat de bescherming van artikel 9 van het EVRM niet zover reikt dat het Staten die partij zijn bij het EVRM ertoe verplicht daadwerkelijke bescherming te bieden tegen mogelijke aantastingen van de geloofsvrijheid elders in de wereld. Het EHRM overweegt: “Where however an individual claims that on return to his own country he would be impeded in his religious worship in a manner which falls short of those proscribed levels, the Court considers that very limited assistance, if any, can be derived from Article 9 by itself. Otherwise it would be imposing an obligation on Contracting States effectively to act as indirect guarantors of freedom of worship for the rest of the world”. Voorts volgt uit de overwegingen van het EHRM in dit arrest dat niet elke inperking van de vrijheid van godsdienst zo is dat deze ertoe zou moeten leiden dat betrokkene niet mag worden uitgezet. Het moet dan gaan om een “flagrant violation” van de in artikel 9 van het EVRM gewaarborgde rechten. De hier bedoelde overweging luidt als volgt: ‘While the Court would not rule out the possibility that the responsibility of the returning State might in exceptional circumstances be engaged under Article 9 of the Convention where the person concerned ran a real risk of flagrant violation of that Article in the receiving State, the Court shares the view of the House of Lords in the Ullah case that it would be difficult to visualise a case in which a sufficiently flagrant violation of Article 9 would not also involve treatment in violation of Article 3 of the Convention”.

2.17 De rechtbank overweegt dat eiser met wat hij heeft gesteld over (de noodzaak van) het verrichten van bekeringactiviteiten binnen zijn geloofsrichting niet aannemelijk heeft gemaakt dat het bekeren van anderen zo tot de kern van zijn geloof behoort dat niet van hem kan worden gevergd dat hij zich terughoudend opstelt waar het gaat om het in Iran actief bekeren van anderen tot christendom. De rechtbank is in het licht van de hiervoor weergegeven overwegingen van het EHRM dan ook van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft mogen stellen dat van eiser bij terugkeer naar Iran terughoudendheid verwacht mag worden wat betreft het actief bekeren van anderen tot het christelijk geloof. De rechtbank acht dit standpunt niet in strijd met het recht op vrijheid van godsdienst neergelegd in artikel 9 van het EVRM zoals dat moet worden bezien in gevallen waarin sprake is van uitzetting naar een land dat zelf niet onder de werking van het EVRM valt. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat van eiser mag worden gevergd dat hij bepaalde bekeringsactiviteiten vermijdt om geen onnodig risico te lopen, niet zo’n beperking is van de vrijheid van godsdienst dat reeds om die reden moet worden geconcludeerd dat terugkeer strijdig zou zijn met artikel 3 van het EVRM of artikel 9 van het EVRM voor zover het de bescherming daarvan betreft in een situatie van uitzetting. De rechtbank ziet zich in dit oordeel gesteund door de uitspraak van de ABRvS van 4 oktober 2010 (LJN BN9951).

2.18 Voor zover eiser met zijn verwijzing naar artikel 5 van de richtlijn 2004/83/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, de inhoud van de verleende bescherming van de Raad van de Europese Unie (hierna: de Richtlijn) en de eerder vermelde uitspraak van de ABRvS van 13 januari 2010 heeft beoogd te betogen dat hij gezien zijn bekering tot het christendom voldoet aan de voorwaarden om als refugié sur place te worden aangemerkt, overweegt de rechtbank, ondanks dat dit gelet op de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, van 9 april 2009 strikt beschouwd niet langer aan de orde is, als volgt.

2.19 Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser in dit verband terecht dat op grond van artikel 5 van de Richtlijn de gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade ook gegrond kan zijn op gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden nadat de verzoeker het land van herkomst heeft verlaten. Er hoeft dus geen sprake te zijn van een voorzetting van activiteiten dan wel een overtuiging die in het land van herkomst reeds bestond. Verweerder heeft ter zitting op 8 juli 2010 erkend dat het zogeheten continuïteitsvereiste in dit kader niet mag worden gesteld. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat eiser niet als refugié sur place wordt aangemerkt nu het enkele feit dat hij is bekeerd tot het christendom niet tot gegronde vrees voor vervolging in Iran leidt.

2.20 Voor zover verweerder in het bestreden besluit – door het voornemen in te lassen – al aan eiser het continuïteitsvereiste heeft willen tegenwerpen, is het bestreden besluit niet genomen in strijd met artikel 5 van de Richtlijn. Verweerder heeft immers (ook) een oordeel gegeven over de risico’s die eiser loopt bij terugkeer vanwege zijn bekering tot het christendom, terwijl die bekering heeft plaatsgevonden na eisers vertrek uit Iran. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser, met wat is aangevoerd over de algemene situatie van bekeerde christenen in Iran, niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Iran gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege zijn bekering tot het christendom in Nederland.

2.21 Gelet op al het voorgaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen verdragsvluchteling is en heeft verweerder terecht in het door eiser gestelde geen aanleiding gezien te concluderen dat hij bij gedwongen uitzetting naar Iran een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser kan aan artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw dan ook geen aanspraak op een verblijfsvergunning ontlenen.

2.22 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. K.J. Veenstra, als voorzitter, en mr. M.P. Glerum en mr. D.A. Verburg, als leden van de meervoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.

De griffier: De voorzitter:

mr. A.E. Veldhoen mr. K.J. Veenstra

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.