Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2157

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/3964 BEPTDN en AWB 09/3965 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Niet in geschil is dat eiser vanaf 1967 tot 11 februari 1979 werkzaam is geweest bij voor de staatsveiligheidsdienst onder de Sjah van Perzië, de SAVAK. Eiser was werkzaam bij de afdeling die verantwoordelijk was voor het toezicht op het gedrag van de overige SAVAK-medewerkers. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de verklaringen van eiser, de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, te weten folteringen, heeft mogen aanmerken als gedragingen in de zin van artikel 1(F), onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen dat sprake is van “knowing participation”. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft mogen concluderen dat eiser het folteren van (vermeende) politieke tegenstanders direct heeft gefaciliteerd, zodat sprake is van “personal participation”. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht artikel 1F, onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen aan eiser en dat hij op juiste gronden niet in aanmerking is gebracht voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aan en onder a, van de Vw. Niet in geschil is dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet. Eiser bevindt zich immers niet in een situatie dat hij reeds een groot aantal jaren niet kan worden uitgezet. Het beroep van eiser is derhalve ongegrond. Niet in geschil is dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de door eiseres aangevoerde omstandigheden ( 2 kinderen met asielvergunning, 1 kind met vergunning op c-grond, echtgenoot met 3 EVRM-risico) onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiseres geen risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Het beroep van eiseres is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 09/3964 BEPTDN en AWB 09/3965 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], geboren op [1943], eiser, en zijn echtgenote [eiseres], geboren op [1941], eiseres, beiden van Iraanse nationaliteit

gemachtigde: mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, advocaat te Nieuwegein,

en

de Staatssecretaris van Justitie, thans de Minister van Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P. Zweedijk.

Inleiding

1.1 Bij besluiten van 13 januari 2009 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 24 november 2006 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Eisers hebben hiertegen beroep bij deze rechtbank ingesteld.

1.2 Het geding is behandeld ter zitting van 13 april 2010, waar eisers zijn verschenen. Eisers en verweerder hebben ter zitting bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

Overwegingen

Beroep geregistreerd onder nummer AWB 09/3964

2.1 De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Niet in geschil is dat eiser vanaf 1967 tot 11 februari 1979 werkzaam is geweest voor de staatsveiligheidsdienst onder de Sjah van Perzië, de SAVAK. Eiser was werkzaam bij afdeling 4 (Opsporing en Surveillance) van de SAVAK. Deze afdeling was verantwoordelijk voor het toezicht op het gedrag van de overige SAVAK-medewerkers.

2.2 Verweerder heeft eiser de gevraagde verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd onthouden omdat op hem artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is.

2.3 Verweerder neemt aan dat er voor eiser sprake is van een risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) bij terugkeer naar Iran.

2.4 In artikel 1(F) van het Verdrag is bepaald dat de bepalingen van het Verdrag niet van toepassing zijn op een persoon ten aanzien van wie ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten, welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

2.5 Volgens paragraaf C4/3.11.3.3 van de Vc is het aan verweerder om aan te tonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat een vreemdeling onder de criteria van artikel 1(F) van het Verdrag valt. De veronderstelling dat artikel 1F van toepassing is, hoeft niet bewezen te worden volgens de in het strafrecht gehanteerde bewijsmaatstaf.

Teneinde te bepalen of betrokkene individueel verantwoordelijk dient te worden gehouden voor misdrijven als bedoeld in artikel 1(F) van het Verdrag, past verweerder de ‘personal and knowing participation test’ toe. Beoordeeld wordt daarbij of van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is, kan aan betrokkene artikel 1(F) worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33), aldus de Vreemdelingencirculaire.

2.6 Allereerst ligt de vraag voor of verweerder terecht en op goede gronden artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing heeft geacht.

In dit kader overweegt de rechtbank als volgt.

2.7 De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit beleid een met het Vluchtelingenverdrag overeenstemmende uitleg heeft gegeven aan de criteria voor toepassing van artikel 1(F) van dit Verdrag.

2.8 Verweerder gaat uit van de aannemelijkheid en de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser over zijn werkzaamheden voor de SAVAK.

2.9 Verweerder heeft gelet op de verklaringen van eiser de gedragingen waarmee eiser in verband wordt gebracht, te weten folteringen, mogen aanmerken als gedragingen in de zin van artikel 1(F), aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag.

2.10 Met betrekking tot deze gedragingen heeft verweerder vervolgens geconcludeerd dat er bij eiser sprake is van ‘personal and knowing participation’.

2.11 Eiser betwist dat er wordt voldaan aan de “personal knowing and participation test”. Eiser heeft aangevoerd dat de contactambtenaar tijdens het laatste gehoor op 18 december 2007 instemmend heeft geantwoord op de mededeling van de gemachtigde van eiser dat er zijns inziens geen sprake was van toepasselijkheid van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag in deze zaak. Het kan niet zo zijn dat in de beslissing belastende mededelingen in stelling worden gebracht door iemand die niet bij het gehoor aanwezig was, terwijl hetgeen bij uitstek ontlastend is niet wordt meegenomen in de beslissing omdat dat niet is vermeld door de contactambtenaar in het rapport van aanvullend gehoor.

2.12 Gelet op het besluit van de Commissie bejegeningsklachten van 9 maart 2010 over de klacht van eiser tegen de gehoormedewerker, de heer [naam], alsook gelet op hetgeen eiser hierover in deze procedure naar voren heeft gebracht, ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder een incompleet beeld heeft geschetst van eisers asielrelaas. Voorts heeft eiser niet aangetoond of bewezen dat er door de gehoormedewerker onderwerpen zijn besproken tijdens het gehoor die niet in het verslag zijn opgenomen, terwijl daarvoor wel de bewijslast op hem rust. Deze beroepsgrond faalt derhalve.

2.13 Eiser voert in beroep - kort gezegd - aan dat verweerder zich in het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat is voldaan aan de “personal knowing and participation test”.

2.14 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser kennis droeg van het misdadige karakter van de SAVAK. Niet in geschil is dat eiser van 1967 tot 11 februari 1979 bij de SAVAK heeft gewerkt. Eiser werkte bij afdeling 4 die verantwoordelijk was voor het toezicht op het gedrag van SAVAK-medewerkers en hield zich onder andere bezig met het schaduwen van SAVAK-medewerkers. Eiser heeft een belangrijke functie binnen de SAVAK bekleed. De Sjah van Perzië heeft blijkens het rapport van Amnesty International (hierna: AI) van 1976 over de SAVAK openlijk verklaard dat de SAVAK foltermethoden gebruikte om bekentenissen af te dwingen en de bevolking was niet alleen op de hoogte van de misdaden van de SAVAK, maar er waren zelfs namen bekend van sommige folteraars. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid niet geloofwaardig kunnen achten dat eiser niet bekend was met de werkwijze van de SAVAK. Uit het rapport over de SAVAK van AI komt bovendien naar voren dat de SAVAK zich bezig hield met het folteren en martelen van arrestanten. De rechtbank verwijst daartoe onder meer naar pagina 8, waar staat vermeld dat “(…) all the information received by the AI over de past decade confirms that torture does invariably occur during the period between arrest and trial.” Eisers standpunt dat het rapport van AI ziet op burgers en niet op SAVAK-medewerkers, leidt niet tot een ander oordeel. Het moet er voor worden gehouden dat burgers en anderen werden gemarteld. Hetgeen eiser in beroep over het rapport van AI heeft aangevoerd, namelijk dat het rapport niet expliciet gaat over de afdeling waar eiser heeft gewerkt en dat eiser nimmer betrokken was bij enig misdrijf, doet hier niet aan af. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser tijdens zijn gehoor van 24 oktober 2006 en 18 december 2007 op pagina 16 het volgende heeft verklaard:

“Weet u op welke manier deze politieke tegenstanders door afdeling 3 werden behandeld?

De meeste geruchten of negatieve beelden komen van deze afdeling met name in de driehoek. Er werd gesproken over vreselijke martelingen en mishandelingen maar dat is niet waar. In deze afdeling werd vervolgd en mensen werden onder druk gezegd om een bekentenis af te leggen en dat ging parallel met slaan en lichte mishandeling op zo een manier dat het toegestaan was bij alle veiligheidsdiensten. Het is jammer dat er geruchten zijn gemaakt over de handelingen.

(…)

Vindt u het ook toegestaan om mensen te slaan tijdens ondervragingen?

Het is logisch en het helpt bij het proces. Als iemand diefstal pleegt dan moet je niet met een schaal chocolade aankomen en vragen of hij het heeft gedaan. Wanneer je hem schrik aanjaagt, geeft hij sneller toe. Als iemand alleen al wordt bedreigd met marteling, dan slaat hij al door.”

2.15 Uit de verklaringen van eiser is voorts gebleken dat hij wist dat zijn rapporten over SAVAK-medewerkers konden worden gebruikt om deze medewerkers te verhoren. Op pagina 7 van het rapport van 16 januari 2007 heeft eiser verklaard dat afdeling 3 de afdeling was waar geweld aan te pas kwam. Ter zitting heeft eiser voorts verklaard dat hij niet overgeplaatst wilde worden naar afdeling 3 omdat deze afdeling verantwoordelijk was voor de repressie van de bevolking.

2.16 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van “knowing participation”.

2.17 Vervolgens dient de rechtbank te toetsen of verweerder in redelijkheid heeft kunnen stellen dat er ook sprake is van “personal participation” aan de misdrijven, in de zin van het door eiser zelf of in diens opdracht plegen van misdrijven dan wel het direct faciliteren hiervan. Eiser heeft in dit verband gesteld dat hij nooit persoonlijk heeft verhoord of gearresteerd.

2.18 Tussen partijen is niet in geschil dat eiser niet zelf verdachten arresteerde. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat van belang is dat eisers rapportages over SAVAK-medewerkers konden leiden tot arrestaties, hetgeen eiser ook niet ontkent. Hierbij heeft verweerder in aanmerking mogen nemen dat het werk van eiser zeer gespecialiseerd werk was. Eiser heeft zelf verklaard dat hij is opgeleid om mensen te achtervolgen, kaart te lezen, signalementen te geven van personen die hij zag, sloten te openen, te fotograferen, de omgeving te leren herkennen en wapens te gebruiken. Dat de door eiser tijdens het schaduwen van verdachte SAVAK-medewerkers verzamelde bewijzen, zoals foto’s, tijdens de verhoren een belangrijke rol hebben gespeeld, is evident. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft mogen concluderen dat eiser het folteren van (vermeende) politieke tegenstanders direct heeft gefaciliteerd.

2.19 Eiser stelt zich op het standpunt dat de omstandigheid dat niet is beschreven welk misdrijf door eiser op wie, wanneer en waar is gepleegd wel van belang is. Er dient aansluiting te worden gezocht bij het strafrecht. Eiser verwijst naar een brief van de Minister van Justitie aan de Tweede Kamer van 11 december 2006 (Kamerstukken II 2006-2007, 30 800 VI, nr. 31, (hierna: de brief), waarin de Minister van Justitie heeft verklaard dat de bewijsmaatstaf voor het aantonen van 1F-misdrijven tussen verdenken en bewijzen in zit. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie moet aantonen dat ernstige redenen zijn te veronderstellen dat de vreemdeling onder criteria van artikel 1F valt. Nu het openbaar ministerie nimmer over zal gaan tot vervolging van eiser, zal nimmer kunnen worden voldaan aan de bewijsmaatstaf zoals geformuleerd door de Minister van Justitie, aldus eiser.

2.20 Uit de brief van de Minister van Justitie van 11 december 2006 blijkt dat het er om gaat dat verweerder moet aantonen dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat aan de criteria van artikel 1F wordt voldaan. Verweerder heeft zich derhalve in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in het vreemdelingenrecht niet dient te worden bewezen dat eiser schuldig is aan handelingen die vallen onder het bereik van artikel 1F en dat er in dit geval ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat aan de criteria van artikel 1F is voldaan.

2.21 Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht artikel 1F, aanhef en onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag heeft tegengeworpen aan eiser en dat hij derhalve op juiste gronden niet in aanmerking is gebracht voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

2.22 Niet in geschil is dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting naar Iran een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

2.23 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Ingevolge artikel 3.107, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) wordt, indien artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag aan het verlenen van een verblijfsvergunning aan de vreemdeling op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw in de weg staat, aan die vreemdeling evenmin een verblijfsvergunning verleend op één van de andere gronden, bedoeld in artikel 29 van die wet.

2.24 Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (zie onder meer de uitspraak van 16 juni 2009, LJN: BI8748) volgt dat zo enigszins mogelijk, moet worden voorkomen dat een vreemdeling in een situatie geraakt dat hem geen verblijfsvergunning wordt verleend, maar hij evenmin wordt uitgezet. In dit verband moet het besluit er blijk van geven dat door de staatssecretaris is beoordeeld of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. De term duurzaam dient aldus te worden begrepen dat de vreemdeling zich gedurende een groot aantal jaren in de situatie bevindt dat hij wegens schending van artikel 3 van het EVRM niet kan worden uitgezet en dat er geen vooruitzicht is op verandering in deze situatie binnen niet al te lange termijn. Indien dit het geval is, de vreemdeling voorts aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog altijd niet kan worden uitgezet, dat vertrek naar een ander land dan het land van herkomst ondanks voldoende inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet mogelijk is en de vreemdeling zich daarnaast in Nederland in een uitzonderlijke situatie bevindt, is er voor de staatssecretaris aanleiding om te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is.

2.25 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam tegen zijn uitzetting verzet. Eiser bevindt zich immers niet in een situatie dat hij reeds een groot aantal jaren niet kan worden uitgezet. De vraag of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is, is derhalve in deze procedure niet aan de orde.

2.26 Eisers beroep op artikel 8 van het EVRM kan in deze procedure, gelet op de jurisprudentie van de ABRvS waarin wordt uitgegaan van een strikte scheiding tussen asiel en regulier, niet worden getoetst.

2.27 Over eisers gezondheidssituatie overweegt de rechtbank dat, daargelaten dat de ABRvS in haar uitspraak van 18 december 2002 (JV 2003/49) heeft overwogen dat uit de uitspraak van het EHRM van 2 mei 1997 (St. Kitts, RV 1997/70) valt af te leiden dat uitzetting alleen onder uitzonderlijke omstandigheden en wegens dwingende redenen van humanitaire aard, gebrek aan medische voorzieningen en sociale opvang in het land waarnaar wordt uitgezet, kan leiden tot schending van artikel 3 van het EVRM, een dergelijke beoordeling in deze situatie echter zinledig is, omdat al is aangenomen dat er sprake is van risico op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

2.28 Het beroep van eiser is derhalve ongegrond.

2.29 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beroep geregistreerd onder nummer AWB 09/3965

2.30 Niet in geschil is dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

2.31 Eiseres stelt zich op het standpunt dat zij te vrezen heeft voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Iran en derhalve in aanmerking zou moeten komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Iran een risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Eiseres is weliswaar in 2004 verhoord door de Sepah in verband met de monarchistische activiteiten van haar echtgenoot en zoon, maar niet gebleken is dat zij toen niet goed is behandeld. Niet valt in te zien dat eiseres bij terugkeer, zo zij al verhoord wordt, niet goed zou worden behandeld, laat staan dat zij een behandeling zou moeten ondergaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, aldus verweerder.

2.32 De rechtbank volgt eiseres in haar standpunt dat haar situatie nu anders is dan in 2004. Eiseres heeft aangevoerd dat de ondervragers in 2004 haar echtgenoot in handen hadden, zodat de ondervragers destijds vriendelijk waren. Eiseres kan nu als medeschuldige worden aangemerkt van de oppositionele activiteiten van haar echtgenoot en kinderen, terwijl de autoriteiten nu haar echtgenoot niet in handen hebben. Eiseres wordt als onlosmakelijk beschouwd van haar echtgenoot. Tussen partijen is niet in geschil dat de dochter van eiser en eiseres, [naam dochter], op 26 januari 2004, in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Hun zoon [naam zoon] heeft op 21 januari 2005 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en hun zoon [naam zoon 2] op is op 23 februari 2006 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze omstandigheden, in samenhang met de omstandigheid dat niet in geschil is dat eiser bij terugkeer naar Iran wél een risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM, onvoldoende zijn om aan te nemen dat eiseres geen risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM.

2.33 Het beroep van eiseres is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank draagt verweerder daarom op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

2.34 De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep geregistreerd onder nummer AWB 09/3964 ongegrond;

verklaart het beroep geregistreerd onder nummer AWB 09/3965 gegrond;

vernietigt het besluit van 13 januari 2009 betreffende eiseres;

draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van het geding ten bedrage van € 874,- , te betalen aan eiseres.

Aldus vastgesteld door mr. H. Gorter, als voorzitter, en mr. P.K. Nihot en mr. D.A. Verburg, als leden, en in het openbaar uitgesproken op 27 oktober 2010

De griffier: De voorzitter:

mr. M.M. van Luijk-Salomons mr. H. Gorter

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

De uitspraak van de rechtbank is bindend tussen partijen. Die binding heeft ook betekenis bij een eventueel vervolg van deze procedure, bijvoorbeeld indien het beroep gegrond wordt verklaard en verweerder een nieuw besluit moet nemen. Als een partij niet met hoger beroep opkomt tegen een oordeel van de rechtbank waarbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een standpunt van die partij is verworpen, staat de bestuursrechter die partij in beginsel niet toe dat standpunt in een latere fase van de procedure opnieuw in te nemen.