Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2010:BO2058

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
28-10-2010
Zaaknummer
09/753024-10 en 09/607799-10 (gevoegde zaken)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2011:BU9214, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zie ook LJN BN1172

Overval tuincentrum Voorschoten. Verdachte heeft steeds iedere betrokkenheid bij de overval ontkend. De rechtbank is evenwel van oordeel, dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als derde en laatste dader de tenlastegelegde overval op Intratuin in Voorschoten heeft gepleegd. Tevens veroordeling voor overval sporthal Leiden

De rechtbank is van oordeel dat de gevoerde verweren ten aanzien van de Opgenomen Vertrouwelijke Communicatie-verslaglegging alle moeten worden verworpen. De OVC-verslaglegging kan in deze zaak als bewijsmateriaal worden gebezigd.

Gevangenisstraf van 43 maanden waarvan 12 voorwaardelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/8
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/753024-10 en 09/607799-10 (gevoegde zaken)

Datum uitspraak: 15 oktober 2010

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

[adres]

thans gedetineerd in de [penitentiaire inrichting]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 9 april 2010 en 30 juni 2010. Na een door de rechtbank gewezen tussenvonnis van 14 juli 2010 is het onderzoek heropend en hervat op 1 oktober 2010.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.P.J. Coenen en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I (parketnummer 09/753024-10)

hij op of omstreeks 28 december 2009 te Voorschoten tezamen en in vereniging

met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening heeft weggenomen 37.255 euro, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan Intratuin Voorschoten en/of [A.], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s),

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld

en/of bedreiging met geweld tegen die [A.] en/of een aantal medewerkers

van Intratuin Voorschoten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te

bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan

zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken,

hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke

bedreiging met geweld bestond(en) uit het met bivakmutsen op het hoofd die

vestiging van Intratuin binnengaan en/of met (een) vuurwapen(s) en/of een mes

bedreigen van die medewerkers en/of die [A.] en/of het - onder

bedreiging van die/dat vuurwapen(s) en/of dat mes - dwingen van die

medewerkers en/of die [A.] om op de grond te gaan liggen en/of

(vervolgens) het op de rug bijeen binden van de handen van genoemde personen

en/of het hardhandig omhoog trekken en/of met het mes in de zij prikken van

één van die medewerkers en/of het dwingen van die medewerker om een kast en/of

een kluis te openen;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding II (parketnummer 09/607799-10)

1.

hij op of omstreeks 29 januari 2010 te Leiden tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke

toeëigening in/uit sportcomplex "3 Oktoberhal", gelegen aan de Smaragdlaan 99,

heeft weggenomen een geldbedrag (van ongeveer 5323,83 euro) en/of (alle)

kentekenbewijzen van een zestal voertuigen, in elk geval enig goed, geheel of

ten dele toebehorende aan Sportbedrijf Leiden, in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), zulks na zich de toegang

tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen

goed(eren) onder zijn/hun bereik te hebben gebracht door een ruit van een

(buiten)deur in te gooien met een steen en/of een tegel en/of (vervolgens) een

archiefkast om te duwen en/of (vervolgens) het pand in te klimmen en/of

(vervolgens) een kantoorruimte te doorzoeken;

art 310 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 4 Wetboek van Strafrecht

art 311 lid 1 ahf/sub 5 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 29

januari 2010 tot en met 16 februari 2010, te Leiden, althans in Nederland,

(een) voorwerp(en), te weten een geldbedrag (van ongeveer 5323,83 euro) en/of

een auto (merk: Fiat, type: Punto), heeft verworven, voorhanden heeft gehad,

heeft overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten een

geldbedrag (van ongeveer 5323,83) en/of een auto (merk: Fiat, type: Punto),

gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest

vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk -

afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420quater lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf/ond b Wetboek van Strafrecht

3. Het bewijs

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 28 december 2009 in Voorschoten tezamen met twee mededaders een overval heeft gepleegd op een vestiging van Intratuin, waarbij de daders met bivakmutsen op naar binnen zijn gegaan, de medewerkers vervolgens met vuurwapens en een mes hebben bedreigd en hen hebben gedwongen op de grond te gaan liggen, waar zij hen hebben vastgebonden en uiteindelijk één van die medewerkers hebben gedwongen de kluis te openen, waarbij € 37.255,- is weggenomen (dagvaarding I).

Verdachte wordt er daarnaast van verdacht dat hij op of rond 29 januari 2010 tezamen met een mededader een inbraak heeft gepleegd in sportcomplex "3 Oktoberhal" in Leiden, door met een tegel een ruit van een buitendeur in te gooien en vervolgens, na een dossierkast te hebben omgeduwd, naar binnen te klimmen, waarbij een geldbedrag van € 5.323,83 en een aantal kentekenbewijzen zijn weggenomen (feit 1 dagvaarding II).

Tenslotte wordt verdachte ervan verdacht dat hij in de periode van 29 januari 2010 tot en

met 16 februari 2010 in Leiden zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen dan wel schuldwitwassen van een geldbedrag van € 5.323,83 en/of van een auto (Fiat Punto) (feit 2 dagvaarding II).

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte deze feiten heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat de Opgenomen Vertrouwelijke Communicatie (OVC), inhoudende een gesprek tussen verdachte en één van zijn medeverdachten tijdens het vervoer in een arrestantenbus, waarvan de verslaglegging in het dossier is opgenomen, van het bewijs behoort te worden uitgesloten op een tweetal gronden.

Allereerst is de plaatsing van de opname-apparatuur in de arrestantenbus en het bedienen daarvan niet conform de regels gebeurd nu de desbetreffende opsporingsambtenaren niet door de Korpschef zijn aangewezen voor het plaatsen van opnameapparatuur op besloten plaatsen en zij voorts niet beschikken over het vereiste certificaat van vakbekwaamheid, behorend bij de categorie "vervoermiddelen" overeenkomstig het toepasselijke artikel 2 van de Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering. De opsporingsambtenaren waren dus niet bevoegd tot het plaatsen van de OVC-apparatuur. Het gaat hier om niet herstelbare vormverzuimen bij de toepassing van het ingrijpende bijzondere opsporingsmiddel van artikel 126l Wetboek van strafvordering (hierna: Sv). Er is bovendien sprake van schending van een belangrijk strafvorderlijk voorschrift, aldus de verdediging. Verdachte is in zijn belang, dat door dit voorschrift wordt beschermd, geschaad, en het verkregen bewijsmateriaal staat in direct verband met de onrechtmatige opnamen. Uitsluiting van het aldus verkregen bewijs is overeenkomstig het bepaalde in artikel 359a Sv de enige passende sanctie, aldus de raadsman.

Ten tweede is in strijd met het bepaalde in artikel 126l lid 8 Sv niet binnen drie dagen na het opnemen van de vertrouwelijke communicatie daarvan proces-verbaal opgemaakt; het opnemen vond immers plaats op 2 april 2010 en eerst op 8 april 2010 is daarvan proces-verbaal opgemaakt. Daarnaast vermeldt het opgemaakte proces-verbaal niets over de wijze waarop uitvoering is gegeven aan de toepassing van het desbetreffende opsporingsmiddel, dus over de wijze waarop de apparatuur is geplaatst. Ook in de verslaglegging over deze toepassing is daarom sprake van een vormverzuim. De OVC-apparatuur is derhalve niet volgens de wettelijke normen geplaatst. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 359a Sv dient ook om deze reden bewijsuitsluiting van genoemd bewijsmiddel plaats te vinden, althans strafvermindering het gevolg te zijn.

Ten derde en tot slot geldt ten aanzien van hetgeen door de tolk is vertaald (nog steeds) dat verdachte - omdat hij Berbers is - niet goed Marokkaans-Arabisch spreekt. Dit heeft geleid tot talrijke verwisselingen van "mij', "hij"en "jij", woorden die - zoals ook is bevestigd door de ter zitting gehoorde getuige-deskundige die de gemaakte opname opnieuw heeft beluisterd en de initiële vertaling op verschillende plaatsen heeft gecorrigeerd - in het Marokkaans-Arabisch veel op elkaar lijken. De rechtbank begrijpt dat de verdediging ook om deze reden de OVC-verslaglegging wil uitsluiten voor het bewijs.

Buiten de OVC-verslaglegging die in de optiek van de verdediging niet mag meewerken aan het bewijs, ontbreekt voldoende wettig en overtuigend bewijs voor betrokkenheid van verdachte bij de tenlastegelegde overval. De verklaringen van de getuigen [getuige (vriendin van verdachte)] en [getuige D.] zijn in beide gevallen niet meer dan insinuaties uit het roddelcircuit. Vrijspraak voor het bij dagvaarding I tenlastegelegde feit moet daarom volgen, aldus de raadsman.

Nu de OVC-verslaglegging van het bewijs behoort te worden uitgesloten kunnen ook de bij dagvaarding II tenlastegelegde twee feiten niet worden bewezen omdat naast de aangifte van het eerste feit verder bewijs voor deze feiten ontbreekt. Ook hier heeft de raadsman telkens vrijspraak bepleit.

4. De beoordeling van de tenlastelegging

4.1. Dagvaarding I:

4.1.1. Vaststaande feiten

De rechtbank leidt uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting het volgende af. (1)

Op 28 december 2009 heeft een overval plaatsgevonden door drie daders op een vestiging van Intratuin in Voorschoten. Rond 07.45 uur hebben de daders, gekleed in zwarte regenpakken en bivakmutsen (2), één van de medewerkers van Intratuin overmeesterd en zijn zij na haar naar binnengegaan door de personeelsingang.(3) Binnengekomen hebben zij de toen aanwezige drie medewerkers gezegd in de kantine op de grond te gaan liggen en hebben hen liggend op de buik met de armen op de rug vastgebonden met plastic tie wraps.(4) De overige werknemers die hierna telkens binnenkwamen werd eveneens gezegd op de grond te gaan liggen - hetzij bij de personeelsingang, hetzij in de kantine - waarna ook zij op de hiervoor vermelde wijze werden vastgebonden.(5) De daders hebben verschillende medewerkers daarbij bedreigd met een pistool, een klein pistooltje en een mes.(6) De medewerker die over de sleutels van de kluis beschikte is door de daders ruw omhooggetrokken om een kast en vervolgens de kluis te gaan openen, waarbij zij het mes in haar zij voelde prikken.(7) Nadat de kluis voor hen was geopend, zijn de daders vertrokken met medeneming van een bedrag van € 37.255,-.(8)

Kort nadat de daders waren vertrokken zijn twee personen aangetroffen terwijl zij in het water van de Korte Vliet zwommen. In het water lagen tevens een donkere sporttas met daarin onder meer een onbekende hoeveelheid geld en een zilverkleurig vuurwapen, alsmede een grijze vuilniszak met daarin diverse stukken donkere regenkleding en een op een mes gelijkend voorwerp. (9) Evenbedoelde personen - [mededader 1] en [mededader 2] - zijn aangehouden en bij vonnissen van deze rechtbank van 14 juli 2010 als daders van de overval veroordeeld.

4.1.2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Verdachte heeft steeds iedere betrokkenheid bij de overval ontkend. De rechtbank is evenwel van oordeel, dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte als derde en laatste dader de tenlastegelegde overval op Intratuin in Voorschoten heeft gepleegd. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit gesprekken, gevoerd tussen verdachte en zijn toenmalige medeverdachte [mededader A.], opgenomen tijdens het vervoer van beide verdachten in een arrestantenbus toen beiden werden "gelicht" teneinde nader door de politie te worden gehoord, kan worden opgemaakt dat verdachte met medeverdachte [A.] spreekt als zijnde de mededader van diezelfde overval.

Op de vraag van [mededader A.] waar hij zijn spullen heeft gelaten en of hij die soms heeft meegenomen, beschrijft verdachte namelijk dat hij ze (op de plek waar de beide mededaders zijn aangehouden) vóór de twee medeverdachten in de rivier heeft gegooid; hij (verdachte) heeft de kogel in de muts gedaan, deze daar in het water gegooid en is toen gelijk naar beneden gegaan (10). Daar begon hij (verdachte) zich uit te kleden (11). Als [mededader A.] verzucht "Had ik maar het geld aan jou gegeven!" antwoordt verdachte dat [mededader A.] het heeft verneukt, hij had hem wisselgeld moeten geven, waarop [mededader A.] antwoordt dat zij bezig waren hun kleren uit te doen "en toen was jij al weg". (12) Verdachte vertelt [mededader A.] dat hij met haar - waarbij de rechtbank begrijpt gezien de context van het gesprek dat wordt gedoeld op getuige [getuige (vriendin van verdachte)], de vriendin van verdachte - heeft gebeld: "Maar ze weet niet dat ik het gedaan heb. Ik heb nooit tegen haar gezegd dat ik iets gedaan heb", aldus verdachte. (13) Verdachte en [mededader A.] bespreken voorts hoe het verdachte is gelukt om thuis te komen en verdachte beschrijft hoe de politie langs hem is gereden, dat hij heel normaal deed en hoe hij vervolgens naar huis is gegaan. (14) Verdachte vraagt aan [mededader A.] of deze tegen zijn advocaat heeft gezegd dat hij ([A.]) het heeft gedaan. Als [A.] bevestigend antwoordt, zegt verdachte: "Ik ook" (15). Tenslotte bespreken beiden dat een vrouw onder het bloed op de grond zat; zij was op haar hoofd gevallen. [A.] zegt dat hij overal bloed zag, en verdachte antwoordt "Ja ik heb het gezien".(16) De rechtbank merkt hierover op dat de getuige [getuige C.] heeft verklaard dat zij was gevallen, dat haar hoofd heel erg bloedde en dat zij daarom van de daders met een theedoek op een stoel mocht gaan zitten.(17)

In een afgeluisterd telefoongesprek dat getuige [getuige (vriendin van verdachte)] (de vriendin van verdachte) heeft gevoerd met getuige [getuige D.] op 14 januari 2010 bespreken zij de overval en dat "die twee vrienden van hem" nu in beperking zitten en moeten zeggen wie de derde persoon is. [vriendin van verdachte] vertelt dat de politie al bij hem thuis is geweest, dat hij toen in Marokko was en dat ze geen direct bewijs tegen hem hebben. Alleen die jongens kunnen hem verraden, maar dat doen ze niet, aldus [vriendin van verdachte].(18) Getuige [getuige D.] heeft verklaard dat beiden het in dat gesprek over de verdachte hebben gehad.(19)

Op 10 februari 2010 heeft de politie aan getuige [getuige (vriendin van verdachte)] vragen gesteld over het feit dat haar naam naar voren was gekomen in een onderzoek naar een overval in Leiden (20). Het gesprek met [vriendin van verdachte] vond plaats omstreeks 14.10 uur, en diezelfde middag (om 16.39 uur) heeft [vriendin van verdachte] een sms-bericht aan verdachte gestuurd met het verzoek haar te bellen op een ander nummer en met een ander nummer van hem. (21) Na zeer intensief sms- en telefoonverkeer tussen [vriendin van verdachte] en verdachte (22) heeft uiteindelijk een telefoongesprek plaatsgevonden waarin [vriendin van verdachte] vertelt dat de politie heeft gezegd dat zij in een onderzoek naar voren is gekomen en dat zij kennelijk iets te maken heeft met dit. Op de vraag van verdachte met wat, antwoordt [vriendin van verdachte]: "Met wat jij gedaan hebt". (23)

Tot slot stelt verdachte in het OVC-gesprek: "Ik had hun te pakken met die bika jongen. Ik heb hun genaaid", waarna [A.] stelt "Op de bika", en verdachte antwoordt: "Die ligt nog steeds daar beneden in de garage", waarna beiden lachen.(24) "Bika" is - naar de rechtbank ambtshalve bekend is - straattaal voor een fiets, hetgeen door de tolk ook als zodanig is aangeduid in de vertaling. De teneur van dit gesprek vindt zijn bevestiging in de waarnemingen van de getuige [D.], die op 28 december 2009, rond 8.45 uur vanuit de bovenetage van haar woning een man bij het gemaal naar beneden ziet zakken en hem weer omhoog ziet komen, waarna ze ziet dat deze man een soort vouwfietsje bij zich heeft, waarmee hij wegrijdt in de richting van de Intratuin. Deze getuige ziet vervolgens dat de man op het fietsje iets roept in de richting van het veld, naast Intratuin, waarover twee mannen aan komen lopen vanuit de richting van Intratuin, waarvan een een plastic tas in zijn handen heeft. Ze ziet dat de man op het fietsje wegrijdt richting Intratuin en ziet even later beide mannen wegrennen, langs De Vliet, richting Intratuin, terwijl op de brug een politiebusje staat. Vervolgens hoort ze veel geschreeuw en lawaai. De andere man, die op het fietsje, fietst behoorlijk hard en vervolgt daarbij zijn richting. Pas later hoort de getuige dat er een overval is geweest bij Intratuin waarbij twee mannen zijn aangehouden. (25)

4.1.3 Verweren betreffende de opgenomen vertrouwelijke communicatie (OVC)

De verdediging heeft bepleit dat sprake is geweest van vormverzuimen bij het opnemen van vertrouwelijke communicatie tussen verdachte en [mededader 1] in de arrestantenbus, welke zouden moeten leiden tot uitsluiting van dit bewijsmiddel voor het bewijs, één en ander op de gronden zoals hiervoor weergegeven onder 3.2. De rechtbank overweegt te dien aanzien als volgt.

Uit het door verbalisanten overeenkomstig artikel 7 lid 4 van het Besluit technische hulpmiddelen strafvordering opgemaakte proces-verbaal volgt dat het bevel van de officier van justitie ex artikel 126l Sv (tot opnemen van vertrouwelijke communicatie in de arrestantenbus) is uitgevoerd door verbalisanten 52, 53 en 54, ten aanzien van wie een verklaring als bedoeld in artikel 4 van de Regeling opnemen vertrouwelijke communicatie politie is afgegeven met betrekking tot de kennis en vaardigheden als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van deze Regeling (respectievelijk het plaatsen en bedienen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie). Dit houdt in dat deze verbalisanten konden worden belast met het plaatsen van een dergelijk technisch hulpmiddel, met uitzondering van het betreden van een zogenoemde besloten plaats en het aldaar plaatsen van een technisch hulpmiddel (artikel 2 aanhef Regeling opnemen vertrouwelijke communicatie).

Indien het noodzakelijk is dat voor het plaatsen/bedienen van een technisch hulpmiddel een besloten plaats wordt betreden, dan gelden de in artikel 2 van de Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering neergelegde vereisten. Genoemd artikel luidt als volgt:

Artikel 2:

1.Een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering kan door of namens de korpsbeheerder worden aangewezen voor het betreden van de in het tweede lid genoemde categorieën van besloten plaatsen ten behoeve van het plaatsen van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie, indien hij beschikt over een certificaat van vakbekwaamheid voor de betreffende categorie.

2.Het in het eerste lid genoemde certificaat van vakbekwaamheid kan worden afgegeven voor de categorieën:

a. vervoermiddelen, voor zover het niet betreft een als woning in gebruik zijnd gedeelte ervan;

b. besloten plaatsen, anders dan vervoermiddelen of woningen;

c. woningen.

3.Het in het eerste lid genoemde certificaat van vakbekwaamheid wordt uitsluitend afgegeven indien is voldaan aan de voor de in het tweede lid onderscheiden categorieën vastgestelde competentiegerichte eindtermen met betrekking tot:

a. de tactiek, techniek en hulpmiddelen met betrekking tot het betreden van besloten plaatsen;

b. de tactiek, techniek en hulpmiddelen met betrekking tot de inzet van een technisch hulpmiddel voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie;

c. gevaarsbeheersing;

d. het relevant juridisch kader en het proces-verbaal.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het plaatsen van opnameapparatuur in een arrestantenbus plaatsing van een technisch hulpmiddel in een vervoermiddel betekent, en derhalve plaatsing in een besloten plaats. Nu de desbetreffende verbalisanten niet overeenkomstig de toepasselijke regelgeving door de korpsbeheerder waren aangewezen voor het betreden van besloten plaatsen en niet beschikten over het vereiste certificaat van vakbekwaamheid, behorend bij de categorie "vervoermiddelen", is genoemd artikel geschonden, aldus de raadsman.

Het betreden van een besloten plaats wordt in genoemde regeling gedefinieerd als: "het zonder toestemming van de rechthebbende toegang verschaffen tot en afsluiten van een besloten plaats, op zodanige wijze dat dit voor de rechthebbende of andere gebruikers van de plaats niet kenbaar is".

In de Memorie van Toelichting bij de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Kamerstukken II 1996/9, 45 403, nr. 3, § 3.6) is overwogen dat voor het opnemen van vertrouwelijke communicatie (als bedoeld in art. 126l en artikel 126s Sv) het soms noodzakelijk is om besloten plaatsen te betreden zonder toestemming van de rechthebbende en dat om die reden het uitoefenen van deze bevoegdheid ingrijpender en meer risicovol is dan bijvoorbeeld het aftappen van telecommunicatie. Zulks aangezien voor het aanwenden van die laatste bevoegdheid de gegevens van de telefonieaanbieder kunnen worden aangewend. Het zonder toestemming van de rechthebbende betreden van een besloten plaats om het technische hulpmiddel daar te kunnen plaatsen, betekent dat in vergaande mate inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een verdachte en maakt het uitoefenen van die bevoegdheid daarnaast extra risicovol. Het is dan ook van belang dat hierbij geen schade wordt aangericht, geen gevaar wordt veroorzaakt en de waarheidsvinding niet in gevaar wordt gebracht.

Vanwege de zorgvuldigheid die bij de inzet van een dergelijk ingrijpend middel moet worden betracht en omdat het te verwachten was dat het zou gaan om verdachten en betrokkenen bij de georganiseerde criminaliteit die zich mogelijk beter zouden wapenen tegen allerhande opsporingsactiviteiten, was de plaatsing van technische hulpmiddelen in besloten plaatsen na invoering van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden in 2000 aanvankelijk opgedragen aan opsporingsambtenaren van de KLPD. (26) Nadat met deze nieuwe opsporingsbevoegdheid meer ervaring was opgedaan, werd het betreden van besloten plaatsen om daar technische hulpmiddelen te plaatsen in 2006 overgedragen aan opsporingsambtenaren van de regionale korpsen, die voldoen aan de vakbekwaamheidseisen van artikel 2 van de Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering. Tot zover de wetgever en toepasselijke regelgeving.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis en toepasselijke regelgeving over de plaatsing van technische hulpmiddelen naar voren, dat aan de opsporingsambtenaren die deze hulpmiddelen plaatsen op besloten plaatsen bijzondere eisen van vakbekwaamheid moeten worden gesteld vanwege de verdergaande ingrijpendheid van dit dwangmiddel en de risico's die daaraan verbonden zijn. Het achtereenvolgens toegang verschaffen tot een besloten plaats, het aldaar plaatsen van een technisch hulpmiddel en het verlaten en achterlaten van die plaats zonder dat dit voor de betrokkene(n) kenbaar wordt, maakt dat de praktische uitvoering daarvan vaak complex is, waardoor specialistische kennis en vaardigheden vereist zijn.

De rechtbank stelt in het licht van het bovenstaande als haar oordeel voorop, dat het plaatsen van een technisch hulpmiddel in een arrestantenbus niet kan worden gelijkgesteld met het plaatsen daarvan in een gebruikelijk (particulier) vervoermiddel, waarop in de Regeling wordt gedoeld. Waar een gebruikelijk (particulier) vervoermiddel van beslotenheid getuigt, waarin men zich vrij mag wanen bij het voeren van gesprekken met inzittenden, zonder dat derden daarvan in beginsel kennis kunnen nemen, is deze eigenschap zo goed als volledig afwezig bij een arrestantenbus waarmee in het algemeen meerdere verdachten en/of veroordeelden tegelijkertijd worden vervoerd. Een arrestantenbus is voorts en geen vervoermiddel dat heimelijk en zonder toestemming van de rechthebbende dient te worden betreden om een technisch hulpmiddel te kunnen plaatsen. Er is immers geen sprake van enige rechthebbende op wiens directe, persoonlijke omgeving inbreuk dient te worden gemaakt om de bevoegdheid te kunnen uitoefenen. Om die reden is uitoefening van de meergenoemde bevoegdheid in gevallen als deze talloze malen minder ingrijpend en minder risicovol en wordt de waarheidsvinding even zovele malen minder snel in gevaar gebracht, zijnde de achterliggende notie van het scheppen van eisen zoals neergelegd in de Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat hoewel een (gebruikelijk) vervoermiddel in zijn algemeenheid geldt als een besloten plaats, in het onderhavige geval waarbij sprake is van een arrestantenbus geen sprake is van het betreden van een besloten plaats in de zin van Sv en de Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering. Om die reden is van een schending van de desbetreffende Regelgeving naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.

Al ware dit anders, dan nog zou de verdachte niet in een door de voorschriften van artikel 2 van de Regeling vakbekwaamheid technische hulpmiddelen strafvordering beschermd belang zijn geschaad, aangezien hij op geen moment de rechthebbende is geweest op de onderhavige besloten plaats (de arrestantenbus), zodat ook om die reden al bewijsuitsluiting op deze grond niet aan de orde zou zijn geweest.

Voor wat betreft het door de raadsman gevoerde verweer dat sprake is van schending van artikel 126l lid 8 Sv nu niet binnen drie dagen, maar binnen zes dagen proces-verbaal is opgemaakt, overweegt de rechtbank als volgt. Uit de Memorie van Toelichting bij het achtste lid van artikel 126l Sv kan worden opgemaakt dat genoemde bepaling (slechts) de verplichting schept tot het opmaken van proces-verbaal "van het enkele feit dat is afgeluisterd" (27), zodat het verweer van de raadsman dat ten onrechte niet is geverbaliseerd op welke wijze aan het opsporingsmiddel uitvoering is gegeven, wordt verworpen. Voor het overige is het verweer terecht gevoerd door de verdediging nu het OVC-gesprek op 2 april 2010 is afgeluisterd en het daarvan opgemaakte proces-verbaal dateert van 8 april 2010. Echter, nu een schending van het voorschrift van artikel 126l lid 8 Sv niet met nietigheid is bedreigd en slechts sprake is van een zeer korte overschrijding van de termijn van drie dagen, terwijl niet is gesteld of gebleken in welke belangen de verdachte tengevolge hiervan is geschaad, is de rechtbank te dezen van oordeel met het oog op de relatieve ernst van het verzuim en de aard van het geschonden belang, dat kan worden volstaan met de enkele vermelding van het onderhavige vormverzuim - artikel 126l lid 8 Sv is in casu geschonden - zoals mede wordt verondersteld in artikel 359a Sv.

Het verweer dat de OVC-verslaglegging ook om redenen van de door de raadsman geopperde problemen rond vertaalbaarheid van verdachtes Berberse origine dient te worden uitgesloten voor het bewijs, wordt door de rechtbank verworpen nu de vertaling afkomstig is van een tolk/vertaler die aan de daaraan te stellen eisen van vakbekwaamheid voldoet, en deze in zijn getuige-deskundigenverhoor ter terechtzitting bovendien heeft aangegeven dat de onderhavige vertaling zijnerzijds zonder problemen is verlopen. De enkele toevoeging dat hij kon horen dat verdachte het Marokkaans-Arabisch niet goed machtig was, maakt dit niet anders.

De rechtbank is op grond van hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat de gevoerde verweren ten aanzien van de OVC-verslaglegging alle moeten worden verworpen. De OVC-verslaglegging kan - en zal - derhalve in deze zaak als bewijsmateriaal worden gebezigd.

Voorzover de verdediging nog heeft betoogd dat de verklaringen van de getuigen [getuige (vriendin van verdachte)] en [getuige D.] in beide gevallen niet meer dan insinuaties uit het roddelcircuit betreffen, merkt de rechtbank op dat zij aan dit betoog voorbijgaat, nu zij de evengenoemde getuigeverklaringen niet tot het bewijs zal bezigen.

4.1.4 Conclusie ten aanzien van dagvaarding I

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de derde dader is geweest die de overval op Intratuin heeft medegepleegd, zodat het bij dagvaarding I tenlastegelegde feit bewezen zal worden verklaard.

4.2. Dagvaarding II

Feit 1: Vaststaande feiten:

In de nacht van donderdag 28 op vrijdag 29 januari 2010 heeft een inbraak plaatsgevonden bij Sportbedrijf Leiden in de " 3 Oktober sporthal", gelegen aan de Smaragdlaan 99 in Leiden. Daarbij is het glas in de buitendeur vernield door middel van een steen/tegel28waarna de kast die tegen de buitendeur stond naar binnen is omgeduwd. Het kantoor is na deze inklimming doorzocht en uit een bureaulade is een kluiskistje weggenomen, met daarin € 5.323,83 aan contant geld en autopapieren van zes aan dit Sportbedrijf toebehorende voertuigen.(29)

Overwegingen ten aanzien van het bewijs en conclusie rond feit 1

De bewijsverweren met het oog op vrijspraken ten aanzien van dagvaarding II die telkens voortborduren op de stelling dat de OVC-verslaglegging van het bewijs behoort te worden uitgesloten, treffen geen doel, zoals kan worden opgemaakt uit het vorenoverwogene.

Voorts overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft over het bij dagvaarding II tenlastegelegde niet willen verklaren.30 Tijdens het bovengenoemde gesprek met medeverdachte [mededader 1] in de arrestantenbus heeft verdachte aan [mededader A.] verteld dat hij "nog een slag heeft geslagen met [X.]". Hij heeft 5000 gepakt, " bij CBR tegenover" . Verdachte zegt: "Wij zijn daar naar binnen gegaan. Ik heb die ruit kapot gemaakt en deed de lamellen weg. Ik zag een rubberen luik. Ik ben via die luik naar binnen gegaan. Bam. Ik zag een stalen kast en duwde die weg. Toen ging [X.] naar binnen en heeft dat ding gepakt." (31)

De rechtbank is van oordeel dat het feit dat verdachte nauwkeurig de - bepaald niet alledaagse - wijze waarop de onderhavige inbraak is uitgevoerd minutieus beschrijft, er op duidt dat verdachte beschikt over zogenoemde daderwetenschap rond dit feit. Ook de buit in verdachtes verklaring spoort met het daarbij gestolen bedrag.

Het is de rechtbank bovendien ambtshalve bekend dat een vestiging van het CBR in Leiden is gelegen aan de Smaragdlaan 99a, tegenover de onderhavige 3 Oktober sporthal.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem bij dagvaarding II onder 1 tenlastegelegde inbraak in vereniging heeft gepleegd.

Feit 2: Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte bij dagvaarding II onder 2 ten laste is gelegd (witwassen van geld en/of een auto), zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Tijdens voornoemd opgenomen OVC-gesprek in de arrestantenbus met medeverdachte [A.] meldt verdachte aan [A.] (nadat hij heeft verteld over de slag die hij heeft geslagen met [X.] waarbij [X.] 5000 heeft gepakt): "Ik heb een auto gekocht nog", waarna door beiden wordt besproken dat het een blauwe Fiat was.32 Bij de aanhouding van verdachte hebben verbalisanten weliswaar voor de deur een Fiat aangetroffen, maar in het dossier ontbreekt verder bewijs dat verdachte een bedrag van € 5.323,83 voorhanden heeft gehad of dat juist van dit bedrag de Fiat is aangeschaft, zoals wel direct kon volgen uit de eerste vertaling van het OVC-gesprek, welke vertaling naderhand evenwel verbeterd is vertaald door een in het Register ingeschreven tolk/vertaler. De rechtbank zal verdachte daarom van het tweede hem tenlastegelegde feit op deze dagvaarding vrijspreken.

5. De bewezenverklaring

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat:

Dagvaarding I:

hij op 28 december 2009 te Voorschoten tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen 37.255 euro, toebehorende aan Intratuin Voorschoten en/of [A.], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen die [A.] en een aantal medewerkers van Intratuin Voorschoten, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het met bivakmutsen op het hoofd die vestiging van Intratuin binnengaan en met vuurwapens en een mes bedreigen van die medewerkers en die [A.] en het - onder bedreiging van die vuurwapens en dat mes - dwingen van die medewerkers en die [A.] om op de grond te gaan liggen en vervolgens het op de rug bijeen binden van de handen van genoemde personen en het hardhandig omhoog trekken en met het mes in de zij prikken van één van die medewerkers en het dwingen van die medewerker om een kast en een kluis te openen;

Dagvaarding II:

hij op of omstreeks 29 januari 2010 te Leiden tezamen en in vereniging met een

ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in sportcomplex "3 Oktoberhal", gelegen aan de Smaragdlaan 99, heeft weggenomen een geldbedrag (van 5323,83 euro) en

kentekenbewijzen van een zestal voertuigen, toebehorende aan Sportbedrijf Gemeente Leiden, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door een ruit van een (buiten)deur in te gooien met een steen of een tegel en (vervolgens) een archiefkast om te duwen en (vervolgens) het pand in te klimmen en (vervolgens) een kantoorruimte te doorzoeken.

6. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

7. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8. De straf

8.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte terzake van de hem bij dagvaarding I en II tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

8.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak van de aan verdachte tenlastegelegde feiten bepleit.

8.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en zijn mededaders hebben in de vroege ochtend van 28 december 2009 een gewapende overval gepleegd bij een tuincentrum in Voorschoten. Om herkenning te voorkomen droegen zij bivakmutsen en identieke regenkleding. Bij de gewapende overval zijn veertien slachtoffers bedreigd met vuurwapens en een mes. Het merendeel van de slachtoffers is daarbij met tie-wraps vastgebonden aan polsen en enkels. Verdachte en zijn mededaders wilden op deze wijze een aanzienlijk geldbedrag buit maken.

Het bewezenverklaarde feit houdt een ingrijpende aantasting in van de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers. Zij zullen ten gevolge van deze voor hen schokkende gebeurtenis nog langdurig angstgevoelens en psychische klachten kunnen ondervinden. Ter terechtzitting van 30 juni 2010 heeft de voorzitter de slachtofferverklaring van de bedrijfsleider van het tuincentrum voorgehouden. Hierin is benadrukt wat een enorme uitwerking de overval op de slachtoffers heeft gehad en hoe hun leven, zelfs zes maanden na het voorval, hierdoor nog negatief werden en worden beïnvloed.

Het bewezenverklaarde feit roept daarnaast algemene gevoelens van onrust en onveiligheid in de maatschappij op, in het bijzonder bij winkelpersoneel.

Verdachte en zijn mededaders hebben zich in hun handelen laten leiden door eigen geldelijk gewin en daarbij nauwelijks rekening gehouden met de gevolgen voor de slachtoffers en de maatschappij. De rechtbank rekent dit verdachte zeer zwaar aan. De gevorderde gevangenisstraf is daarom in beginsel een passende reactie.

De rechtbank neemt in haar overweging - ten gunste van de verdachte - evenwel mee dat bij het begaan van het onderhavige misdrijf voornamelijk is gedreigd met geweld en dat - voorzover geweld is gebruikt - dit geen grof geweld was. Eén slachtoffer, dat per ongeluk aan haar hoofd gewond was geraakt, hebben verdachte en zijn mededaders niet vastgebonden maar op een stoel laten zitten en een theedoek aangeboden om haar hoofdwond te stelpen. Aan haar is bovendien een mobiele telefoon overhandigd waarbij is gezegd dat zij vijftien minuten na hun vertrek een ambulance mocht bellen. Dit alles wijst op empathie van verdachte en zijn mededaders met hun slachtoffers en een poging tot het minimaliseren van de schadelijke gevolgen van hun daad.

Behalve aan deze overval heeft verdachte zich nog schuldig gemaakt aan een inbraak samen met een ander in een sporthal, waarbij een rolluik en de buitendeur zijn beschadigd en een kast is omgeduwd om naar binnen te kunnen klimmen, waarbij een geldkist met ruim € 5.000,- en de kentekenbewijzen van een zestal voertuigen zijn weggenomen. Dergelijke feiten leveren naast alle materiële schade, die vaak aanzienlijk is, ook veel overlast op voor de betrokkenen. In dit geval zal het tijd en moeite hebben kost om een en ander weer te laten herstellen en om vervangende kentekenbewijzen te verkrijgen. Ook bij dit feit heeft verdachte zich laten leiden door zijn eigen hang naar geldelijk gewin.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 18 februari 2010, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder in aanraking is gekomen met politie en justitie voor een soortgelijk feit.

Al het bovenstaande in overweging nemende en direct aansluitend bij de straffen die eerder door de rechtbank aan de mededaders van verdachte zijn opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt. De rechtbank zal een deel daarvan voorwaardelijk opleggen, om het risico van recidive in de toekomst zoveel mogelijk te beperken.

9a. De vordering van de benadeelde partij Intratuin Voorschoten BV

Intratuin Voorschoten BV heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 45.250,72.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij Intratuin Voorschoten BV, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daarmee afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de vordering niet van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

9b. De vordering van de benadeelde partij Sportbedrijf Gemeente Leiden

B. [B.] heeft zich namens Sportbedrijf Gemeente Leiden als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 9.745,64.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [B.] (namens sportbedrijf gemeente Leiden), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daarmee afwijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. De vordering van Sportbedrijf Gemeente Leiden is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering van Sportbedrijf Gemeente Leiden toewijzen tot een bedrag van € 9.745,64.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht - hoofdelijk - aansprakelijk is voor de schade die door het onder dagvaarding II sub 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 9.745,64, ten behoeve van het slachtoffer genaamd Sportbedrijf Gemeente Leiden.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 14a, 14b, 14c, 57, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

11. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding II onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en II onder 1 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I:

medeplegen van: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:

diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 43 (drieënveertig) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

bepaalt, dat een gedeelte van die straf, groot 12 (twaalf) MAANDEN niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de benadeelde partij Intratuin Voorschoten BV niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat zij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Sportbedrijf Gemeente Leiden hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Sportbedrijf Gemeente Leiden, een bedrag van € 9.745,64,

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 9.745,64, ten behoeve van het slachtoffer genaamd Sportbedrijf Gemeente Leiden;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 83 dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader mogelijk op te leggen, verplichting tot betaling aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mrs. A.S.I. van Delden, voorzitter,

W.A. Jacobs en R. van Zeijst- Repelaer van Driel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. W.M.W. van Nuss, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 oktober 2010.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar dossierpagina's betreffen dit de pagina's van de doorgenummerde processenverbaal van politie Hollands Midden, Districtsrecherche Leiden- Voorschoten, genummerd PL1640 2009326313 d.d. 30 december 2009 (pagina's 1-167), 18 februari 2010 (pagina's 168-448), 1 maart 2010 (pagina's 449-541), 16 juni 2010 (pagina's 542-760) en 17 juni 2010 (pagina's 761-771), alsmede twee ongenummerde aanvullende processenverbaal van bevindingen gedateerd 25 augustus 2010 en 14 september 2010.

2 Proces verbaal van aangifte [..], p. 53

3 Proces-verbaal van aangifte [..], p. 118

4 Proces verbaal van aangifte [..], p. 55

5 Proces-verbaal van aangifte [A.], p. 33 en proces-verbaal van aangifte[..], p. 96

6 Proces-verbaal van aangifte [A.], p. 32; proces-verbaal van aangifte [..] p. 53 en 55; proces-verbaal van aangifte p. 88; proces-verbaal van aangifte [..] p 43

7 Proces-verbaal van aangifte [..], p. 46/47

8 Proces-verbaal van bevindingen p. 455.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 163/164

10 Proces-verbaal OVC, p. 674 en 693

11 Proces-verbaal OVC, p. 693

12 Proces-verbaal OVC, p. 675

13 Proces-verbaal OVC, p. 677

14 Proces-verbaal OVC, p. 683

15 Proces-verbaal OVC, p. 693

16 Proces-verbaal OVC, p. 695

17 Proces-verbaal van aangifte [getuige C.], p. 124

18 Tapgesprek 271398735, proces-verbaal p. 332

19 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige B.] p. 516

20 Proces-verbaal van bevindingen, p. 210

21 Tapgesprek 271470992, proces-verbaal p. 350

22 Tapgesprekken proces-verbaal p. 352 t/m388

23 Tapgesprek 271470942, proces-verbaal p. 390

24 Proces-verbaal OVC, p. 682.

25 Proces-verbaal van bevindingen van 7-9-2010, nr 2009326313, ingekomen bij de griffie van de rechtbank op 17 september 2010, met het oog op het tussenvonnis van de rechtbank van 14 juli 2010.

26 Algemene toelichting bij de Regeling opnemen vertrouwelijke communicatie politie

27 Memorie van Toelichting bij de wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (Kamerstukken II 1996/9, 45 403, nr. 3), artikelsgewijze toelichting op artikel 126l, achtste lid.

28 Proces-verbaal sporenonderzoek, p. 757

29 Proces-verbaal verhoor aangever, p. 753

30 Proces-verbaal terechtzitting van 30 juni 2010

31 Proces-verbaal OVC, p. 695

32 Proces-verbaal OVC, p. 695